Belgian State prison disciplinary cell isolation upheld as not violating prisoner's right to private life under ECHR Article 8.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed Geert Meurice's appeal against a one-week cell isolation sanction imposed by the Belgian State for refusing to take a new detainee into his cell. The court found that the disciplinary measure was lawful and did not constitute a violation of Article 8 of the European Convention on Human Rights, as the use of a screen provided sufficient privacy. Meurice failed to submit a final memorandum to challenge the auditor's reasoning, resulting in the rejection of his claim.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 8 of the European Convention on Human Rights; The Council of State holds that temporary cell isolation with a screen does not violate the right to private life when individual cell placement is medically indicated and the measure is proportionate to the disciplinary offense.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.217 van 31 januari 2017
in de zaak A. 211.447/XIV-35.445
In zake : Geert MEURICE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Saveyn kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Stationsstraat 55
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Wa terloolaan 115
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 januari 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van FOD Justitie, Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen, Strafinrichting Oudenaarde dd. 19.01.2014 […] waarbij ten aanzien van de verzoeker volgende tuchtsanctie werd uitgesproken: de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte, m.n. 1 week verplicht verblijf op cel vanaf 20.01.2014 06.00u tot en met 27.01.2014 06.00u, waarbij de directeur toelating geeft tot ‘telefoon voor 17.30u’”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
XIV-35.445-1/8
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Evelien De Ridder, die loco advocaat Christophe Saveyn verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is op het ogenblik van de feiten opgesloten in de gevangenis te Oudenaarde.
3.2. Op 18 januari 2014 wordt lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld met daarin de volgende vaststelling:
“Betrokkene weigerde een inkomende gedetineerde bij hem op cel te nemen.”
3.3. Op 19 januari 2014 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “1 week verplicht verblijf op cel […] vanaf 20/01/2014 06.00u tot en met 27/01/2014 06.00” met toelating tot “telefoon voor 17.30u”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering:
XIV-35.445-2/8
“Enerzijds bepaalt het huishoudelijk reglement dat het personeel bij aankomst van een gedetineerde een verblijfsruimte toewijst. Anderzijds is er een medisch advies die zegt dat het aangewezen is betrokkene een individuele cel te geven indien er hiertoe een mogelijkheid is. Op 17/01/2014 verkeerden we in de noodzaak om aan bovenvermelde te vragen om een grondslaper als duo bij zich te nemen.
Bovengenoemde weigerde een gevolg te geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel om een grondslaper bij zich te nemen.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ in combinatie met het artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM).
Verzoeker meent dat de directeur van de strafinrichting, door geen rekening te houden met het persoonlijke risico dat hij loopt om onderworpen te worden aan een aantasting van zijn fysieke en morele integriteit en zodoende onmenselijk en vernederend te worden behandeld, artikel 3 van het EVRM niet in zijn beoordeling heeft betrokken hetgeen leidt tot een gebrekkige motivering. En dit terwijl zelfs een klein risico voldoende is om te komen tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Het medisch advies, dat zegt dat het aangewezen is verzoeker een individuele cel te geven, wordt zonder meer opzij geschoven onder het mom van de overbevolking in de gevangenis. Verzoeker stelt dat hij dreigt verplicht te worden zich te moeten ontkleden en inwrijven in het bijzijn van een andere gedetineerde, hetgeen een ernstige aantasting van zijn persoonlijke waardigheid uitmaakt. Volgens verzoeker doet het gegeven dat er omwille van zijn
XIV-35.445-3/8
aandoening een medisch attest wordt afgeleverd reeds vermoeden dat, in geval van het niet respecteren van het medisch advies, er sprake is van een ernstige aantasting van de persoonlijke waardigheid.
In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker ter ondersteuning van zijn standpunt naar berichtgeving van Amnesty International van 4 november 2013 over het Belgische gevangeniswezen en de mensenrechten.
Verzoeker herhaalt dat door hem te verplichten een medegedetineerde op cel te nemen waardoor hij in een stresssituatie belandt met als gevolg een verergering van zijn medische aandoening, hij wordt onderworpen aan een onmenselijke en vernederende behandeling.
Beoordeling
5. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen.
Verzoeker stelt in essentie dat gelet op zijn zware huidziekte en de behandeling die hiervoor vereist is waarbij hij zich volledig dient te ontkleden en in te wrijven, hij niet met iemand anders op zijn cel kan verblijven, zonder dat dit een schending zou uitmaken op artikel 3 EVRM. Dit zou blijken uit de mededeling vanwege de medische dienst. Evenwel staat in de e-mail van de medische dienst dat het om “medische redenen [...] aangewezen [is] om bovenvermelde te voorzien van een individuele cel als er hiertoe een mogelijkheid is.” Die e-mail is geformuleerd als een aanbeveling en niet als een verplichting volgend uit een medische noodzaak. Hieruit volgt dat de tijdelijke aanwezigheid van een medegedetineerde op de cel van verzoeker waarbij de directie zich geconfronteerd ziet met de binnenkomst van verschillende nieuwe gedetineerden, niet als een onmenselijke behandeling kan worden beschouwd. Dit geldt des te sterker nu verzoeker - zoals blijkt uit het hoorverslag - de mogelijkheid om op de vijfde sectie een monocel te betrekken, heeft afgewezen. Er kan worden benadrukt dat de directeur op de hoorzitting een grote inschikkelijkheid betoont, door aan te
XIV-35.445-4/8
geven dat verzoeker naar de toekomst toe “als laatste zal bevraagd worden om iemand bij te nemen, rekening houdend met het medisch advies”.
Uit de bestreden beslissing blijkt waarom verzoeker de kwestieuze tuchtsanctie wordt opgelegd. Daarbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar de weigering van verzoeker om een grondslaper bij zich te nemen. Tevens wordt er verwezen naar het medisch advies waarbij het aangewezen is om aan verzoeker een individuele cel te geven indien hiertoe een mogelijkheid bestaat. Nu er een noodzaak bestaat om de nieuw aangekomen gedetineerde een verblijfsruimte toe te wijzen, diende verzoeker een grondslaper te aanvaarden. Uit deze motivering blijkt duidelijk dat de wezenlijke aspecten van verweer bij het nemen van de beslissing werden betrokken.
De verwijzing naar een algemene berichtgeving van Amnesty International van 4 november 2013 waarin staat dat er zich in België ook toestanden voordoen die het VN-Verdrag tegen Foltering schenden, kan evenmin de gegrondheid van het eerste middel aantonen. De omstandigheid dat er zich in de Belgische gevangenissen bepaalde problemen voordoen zoals de overbevolking, toont niet aan dat er in het geval van verzoeker artikel 3 EVRM is geschonden.
6. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij diende immers geen laatste memorie in en verzuimde aldus om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond.
XIV-35.445-5/8
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 8 van het EVRM. Verzoeker wenst de dagelijkse noodzakelijke behandeling van zijn ziekte in alle rust en met de nodige privacy te kunnen uitvoeren. De aanwezigheid van een andere gedetineerde is in die omstandigheden uit den boze en zorgt ontegensprekelijk voor heel wat stress, wat net één van de oorzaken van zijn ziekte is. Verzoeker stelt dat hij zich schaamt voor zijn ziekte, en die verbergt, zodat die niet is gekend door de overige gedetineerden. Hij vreest aldus dat, eens is gekend dat hij die aandoening heeft, hij door de andere gedetineerden zal worden gepest en uitgesloten. Hij vreest een publieke verwerping. Het voorstel van de directeur om verzoeker in de toekomst als laatste te bevragen om iemand bij zich te nemen, houdt volgens hem helemaal geen garantie in dat het recht op privéleven in de toekomst zal gevrijwaard worden, integendeel, het houdt de poort naar een schending op een kier.
In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat hij op 17 januari 2014 niet als laatste werd bevraagd om een nieuwe gedetineerde bij hem op cel te nemen en dat hij de mutatie naar de vierde sectie, terwijl hij op de vijfde sectie zeker kon zijn van een monocel, enkel heeft gevraagd omwille van de ernstige bedreigingen waarvan hij het slachtoffer was en die een ernstige opstoot van zijn aandoening hebben veroorzaakt. Volgens verzoeker kan de verwerende partij moeilijk staande houden dat de aanwezigheid van een paravent voldoende waarborgen biedt ter bescherming van zijn intimiteit.
Beoordeling
8. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.
XIV-35.445-6/8
Verzoeker vraagt in dit middel de vrijwaring van het recht op een privéleven. Er kan ter inleiding worden opgemerkt dat het niet aan de Raad van State toekomt om meer in het algemeen na te gaan of dat recht in de gevangenis wordt gewaarborgd. Aan de Raad van State komt in deze enkel toe om na te gaan of de bestreden tuchtmaatregel met schending van artikel 8 EVRM werd opgelegd.
Verzoeker maakt een schending van het recht op privéleven niet aannemelijk. Zoals blijkt uit het medisch advies is een individuele cel voor verzoeker aangewezen. Daarin wordt niet gesteld dat een aparte cel noodzakelijk is. De tijdelijke aanwezigheid op cel van een medegedetineerde waarbij verzoeker de mogelijkheid heeft om zich af te schermen van de medegedetineerde via een paravent, laat niet toe te besluiten tot een schending van artikel 8 EVRM.
9. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij diende immers geen laatste memorie in en verzuimde aldus om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op 175 euro.
XIV-35.445-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-35.445-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.217