Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.176 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.176 Généré par l'IA

Court annuls administrative decision for lack of Environmental Impact Assessment due to insufficient environmental screening analysis.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.176
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Regional Planning Officer's decision regarding a new housing development in Gent. The applicant argued the decision lacked sufficient environmental screening, while the authorities claimed the project merely executed a previous subdivision permit. The court ruled that the original decision failed to address significant environmental effects, rendering it legally flawed.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 149 of the Constitution; Article 16 of the Royal Decree of 30 November 2006: An administrative decision is irregular if it fails to provide adequate reasoning regarding the absence of significant environmental effects, thereby violating the duty to give reasons.

Mots-clés

Généré par l'IA
Environmental Impact Assessment Administrative Decision Reasoning Defect Constitutional Review Planning Permission Environmental Screening Council of State appel d'offres infructueux

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 149 of the Constitution
Article 16 of the Royal Decree of 30 November 2006
Directive 2011/92/EU
Article 4.8.4 VCRO

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Judgment of 8 May 2014 (No. 74/2014) of the Constitutional Court
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.176 van 26 januari 2017

in de zaak A. 218.892/VII-39.743.

In zake : 1. de STAD GENT

2. het AG STADSONTWIKKELINGSBEDRIJF GENT

(SOGENT)

woonplaats kiezend te 9000 Gent Botermarkt 1

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens

tegen :

de BVBA DE NIEUWE VOORHAVEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau en tevens door advocaat Sofie Rodts kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) nr. RvVb/A/1516/0686 van 23 februari 2016 in de zaak 1213/0506/SA/7/0473.

VII-39.743-1/9

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 22 april 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 augustus 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Sofie Rodts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

VII-39.743-2/9

III. Feiten

3.1. Met een besluit van 1 februari 2013 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van het Agentschap Ruimtelijke Ordening, afdeling Oost-Vlaanderen (hierna: GSA) aan het autonoom gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Gent (hierna: SOGent) een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een bouwblok opgedeeld in drie autonome delen met in het totaal 72 appartementen rond een gemeenschappelijke binnentuin, een deels semi-ondergrondse parking, een deels ondergrondse parking en een gemeenschappelijke dakkamer op één bouwblok”.

3.2. Bij arrest A/2014/0596 van 26 augustus 2014 verklaart de RvVb het beroep van de BVBA De Nieuwe Voorhaven tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 1 februari 2013 onontvankelijk.

3.3. De Raad van State verklaart het cassatieberoep van de BVBA De Nieuwe Voorhaven bij arrest nr. 231.957 van 15 juli 2015 gegrond, vernietigt het arrest van de RvVb en verwijst de zaak naar een anders samengestelde RvVb.

3.4. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de BVBA De Nieuwe Voorhaven ontvankelijk en gegrond en vernietigt de vergunningsbeslissing van 1 februari 2013.

IV. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel

Uiteenzetting van de stad Gent - SOGent

4.1. De stad Gent en SOGent voeren de schending van artikel 149

van de Grondwet aan.

VII-39.743-3/9

Zij betogen in een eerste onderdeel dat zij, net als de GSA, voor de RvVb de onontvankelijkheid van het gegrond bevonden tweede middel van de BVBA De Nieuwe Voorhaven wegens gebrek aan belang hebben ingeroepen waartegen de BVBA De Nieuwe Voorhaven geen verweer heeft gevoerd, en dat deze exceptie onbehandeld blijft door het bestreden arrest. Zij wijzen er tevens op dat hoewel elk van de opgeworpen excepties eigen accenten legt, in elk geval moet worden vastgesteld dat de drievoudig geformuleerde exceptie niet is weerlegd. Het bestreden arrest “bevat geen uitdrukkelijke weerlegging van deze exceptie[s]”.

Beoordeling

4.2. Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed.

De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.

Een gemis aan motivering maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.

4.3. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat:

- de stad Gent in haar verzoekschrift tot tussenkomst voor de RvVb onder punt “6.3 Geen belang bij dit middel” aanvoert wat volgt:

“De verzoekende partij stelt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning heeft afgeleverd voor het bouwen van een stadsontwikkelingsproject zonder dat is onderzocht of de aanvraag niet het voorwerp diende uit te maken van een milieueffectenrapport (project MER).

De verzoekende partij heeft geen belang bij dit middel.

Het is niet voldoende dat de verzoekende partijen een rechtens vereist belang hebben bij het ingestelde beroep, de verzoekende partijen moeten ook per middel aantonen dat ze een belang hebben bij het aangevoerde middel (Wirtgen

VII-39.743-4/9

Aube, Raad van State, Middelen en ambtshalve aanvoeren van middelen in het bijzonder, die keure, 2004, nr. 60).

De aangeklaagde onregelmatigheid heeft geen enkele invloed gehad op de bestreden beslissingen en dus werd er aan de verzoekende partijen ook geen nadeel berokkend (Wirtgen Aube, Raad van State, Middelen en ambtshalve aanvoeren van middelen in het bijzonder, die keure, 2004, nr. 61).

In het kader van de verkavelingsvergunning werd er geen melding gemaakt van een screeningsplicht. De huidige stedenbouwkundige vergunning is een volledige uitvoering van de verkavelingsvergunning.

De verzoekende partij toont niet aan dat een MER-screening een voordeel zou hebben voor haar.

Voor de eigen verleende vergunning voor loods 22 werd er evenmin MER-screening uitgevoerd.

In de bestreden beslissing werd er bovendien een grondig onderzoek gevoerd naar de mobiliteitsproblematiek en het parkeren, de schaal, bouwdichtheid, cultuurhistorische gevolgen, gezondheid, erfgoed, inpasbaarheid…

Uit dit onderzoek blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten voor mens en het milieu te verwachten zijn. De verzoekende partij gaat daar niet op in en dit wordt ook niet weerlegd.

De verzoekende partij heeft geen belang bij dit middel”;

- SOGent in haar verzoekschrift tot tussenkomst voor de RvVb aanvoert wat volgt:

“De verzoekende partij argumenteert dat de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het bouwen van een stadsontwikkelingsproject zonder dat werd onderzocht of de voorliggende aanvraag niet het voorwerp diende uit te maken van een milieueffectenrapport (project MER).

Vooreerst stelt zich de vraag of de verzoekster wel enig belang heeft bij het opwerpen van dit middel, aangezien zij voor het overige op geen enkele wijze iets expliciteert/klaagt over de gebeurlijke (aanzienlijke) milieu-effecten van het vergunde gebouw.

In het kader van de procedure tegen de verkavelingsvergunning werd evenmin enige melding gemaakt van een gebrek van een screening. De stedenbouwkundige vergunning is een volledige tenuitvoerlegging van de verkavelingsvergunning, zodat er in hoofde van de verzoekende partij geen belang bestaat om zich op dit middel te beroepen.

De verzoekende partij voert evenmin aan, noch concretiseert dat de vergunde werken aanzienlijke milieueffecten voor mens en milieu zouden kunnen meebrengen”.

4.4. Het bestreden arrest stelt onder de rubriek “Standpunt van de partijen” met betrekking tot het tweede middel van de BVBA De Nieuwe Voorhaven:

VII-39.743-5/9

- dat SOGENT onder meer het volgende antwoordt op het middel van de BVBA De Nieuwe Voorhaven:

“…Vooreerst stelt zich de vraag of de [BVBA De Nieuwe Voorhaven] wel enig belang heeft bij het opwerpen van dit middel, aangezien zij voor het overige op geen enkele wijze iets expliciteert/klaagt over de gebeurlijke (aanzienlijke) milieu-effecten van het vergunde gebouw.

In het kader van de procedure tegen de verkavelingsvergunning werd evenmin enige melding gemaakt van een gebrek van een screening. De stedenbouwkundige vergunning is een volledige tenuitvoerlegging van de verkavelingsvergunning, zodat er in hoofde van de [BVBA De Nieuwe Voorhaven] geen belang bestaat om zich op dit middel te beroepen.

De [BVBA De Nieuwe Voorhaven] voert evenmin aan, noch concretiseert dat de vergunde werken aanzienlijke milieueffecten voor mens en milieu zouden kunnen meebrengen.

Middelen vermogen niet „zomaar‟ opgeworpen te worden „voor de sport‟ :

zij dienen te beantwoorden aan een rechtmatig belang in hoofde van de verzoekende partij, wat in casu en in hoofdorde niet voorhanden is.

[...]”;

- vast dat de stad Gent zich aansluit bij het verweer van SOGent en daaraan het volgende toevoegt:

“… Het is niet voldoende dat de verzoekende partijen een rechtens vereist belang hebben bij het ingestelde beroep, de verzoekende partijen moeten ook per middel aantonen dat ze een belang hebben bij het aangevoerde middel [...].

De aangeklaagde onregelmatigheid heeft geen enkele invloed gehad op de bestreden beslissingen en dus werd er aan de verzoekende partijen ook geen nadeel berokkend [...].

In het kader van de verkavelingsvergunning werd er geen melding gemaakt van een screeningsplicht. De huidige stedenbouwkundige vergunning is een volledige uitvoering van de verkavelingsvergunning.

De [BVBA De Nieuwe Voorhaven] toont niet aan dat een MER-screening een voordeel zou hebben voor haar.

Voor de eigen verleende vergunning voor loods 22 werd er evenmin een MER-screening uitgevoerd.

In de bestreden beslissing werd er bovendien een grondig onderzoek gevoerd naar de mobiliteitsproblematiek en het parkeren, de schaal, bouwdichtheid, cultuurhistorische gevolgen, gezondheid, erfgoed, inpasbaarheid …

Uit dit onderzoek blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten voor mens en het milieu te verwachten zijn. De verzoekende partij gaat daar niet op in en dit wordt ook niet weerlegd.

[...]”.

VII-39.743-6/9

4.5. Het bestreden arrest beperkt zich vervolgens na een uiteenzetting van het wettelijk kader met de enkele gegrondverklaring van het tweede middel van de BVBA De Nieuwe Voorhaven, op grond van de volgende overwegingen:

“4.

Het project voorziet in de bouw van drie appartementsblokken met in totaal 72 woonentiteiten.

Het project lijkt, gelet op de aard en ligging van het gebouw als „stadsontwikkelingsproject‟ in de zin van bijlage III van het MER-besluit beschouwd te moeten worden, minstens had hierover een beoordeling in de bestreden beslissing moeten plaatsvinden. Uit het gebrek aan motivering over het “stadsontwikkelingsproject‟ in de zin van de richtlijn 2011/92/EU blijkt dat niet werd onderzocht of de aanvraag een screening noodzaakt naar aanzienlijke milieueffecten.

De beoordeling in de bestreden beslissing omtrent de inpasbaarheid, mobiliteit/parkeren, schaal, bouwdichtheid, cultuurhistorische aspecten, gezondheid, erfgoed, enz. waarnaar de [GSA] en [SOGent en de stad Gent] naar verwijzen, slaan op aspecten van goede ruimtelijke ordening en kunnen niet dienen als beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten.

Uit al het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing geen afdoende motieven bevat waaruit blijkt dat het aangevraagde geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft.

Het gegeven dat de bestreden beslissing een loutere tenuitvoerlegging inhoudt van de verleende verkavelingsvergunning, zoals de [GSA] stelt, belet niet dat de [BVBA De Nieuwe Voorhaven] het ontbreken van een verplichte MER-screening rechtsgeldig kan aanvoeren in het kader van de procedure ingesteld tegen de stedenbouwkundige vergunning.

5. Er kan evenmin ingegaan worden op het in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek van de [GSA] en [SOGent en de stad Gent] om de onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen door toepassing te maken van de bestuurlijke lus zoals voorzien in artikel 4.8.4 VCRO.

Met een arrest van 8 mei 2014 (nr. 74/2014) van het Grondwettelijk Hof werd artikel 4.8.4 VCRO, zoals vervangen bij artikel 5 van het decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de VCRO, vernietigd. Op het verzoek om toepassing te maken van de bestuurlijke lus kan dan ook niet worden ingegaan.

Het middel is gegrond”.

4.6. Het bestreden arrest bevat geen duidelijk en ondubbelzinnig antwoord op de excepties van SOGent en de stad Gent.

VII-39.743-7/9

4.7. Het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en schendt aldus artikel 149 van de Grondwet.

4.8. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond.

4.9. Er is geen grond om het tweede middelonderdeel en de overige middelen te onderzoeken, die niet tot een ruimere vernietiging of vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/A/1516/0686 van 23 februari 2016 in de zaak 1213/0506/SA/7/0473.

2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.

3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

VII-39.743-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.743-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.176