Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.166 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.166 Généré par l'IA

Court annuls environmental permit decision for failing to conduct required urban planning assessment on neighboring business.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.166
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the provincial deputy's decision granting a partial environmental permit to NV LOTRACO for changing a meat processing facility. The court found the authority failed to subject the neighboring competitor's business to a concrete urban planning test as required by the local planning scheme. Consequently, the decision was voided for violating mandatory procedural and substantive planning obligations.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 11.3 of the Lochristi General Planning Scheme; The authority must conduct a real and concrete urban planning assessment when qualifying a neighboring business under the general provisions of the local planning scheme to ensure compliance with zoning rules and land use limits.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit annulment urban planning assessment neighboring business qualification zoning compliance failure procedural defect in planning prolongation des heures d'ouverture travail du dimanche période mobile

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 11.3 of the Lochristi General Planning Scheme (APA Lochristi)
Article 3, Section 3, Item 21 of the contested decision
article3
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.166 van 26 januari 2017

in de zaak A. 213.612/VII-39.211.

In zake : 1. Remi BRACKE

2. de NV LOTRACO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN OOST-VLAANDEREN

Tussenkomende partij :

de NV BELGIUM GERMAN MEAT COMPANY (BGMC)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups en Kristof Hectors kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8, bus 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 september 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 juni 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi (hierna: college) van 4 februari 2014, houdende het deels verlenen en deels weigeren van de milieuvergunning aan de NV Belgium German Meat Company voor het veranderen van een vleesuitsnijderij, gelegen aan de Ambachtenlaan 16 te Lochristi, deels wordt ingewilligd.

VII-39.211-1/17

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 november 2014. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 december 2016.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Kristof Hectors, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-39.211-2/17

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De tussenkomende partij exploiteert een vleesuitsnijderij aan de Ambachtenlaan 16 in Lochristi. Ze beschikt daarvoor over een milieuvergunning die op 12 november 2002 werd verleend door het college, voor een termijn van 20 jaar. Op 4 oktober 2005 werd een vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting. Een eerste stedenbouwkundige vergunning werd door het college verleend op 15 oktober 2002 en een tweede, voor een uitbreiding van het bedrijfsgebouw, op 8 november 2005.

3.2. De tweede verzoekende partij exploiteert aan de overzijde van de Ambachtenlaan een transportbedrijf. Eerste verzoeker is haar gedelegeerd bestuurder en woont er in een bedrijfswoning.

3.3. Beide bedrijven liggen in de “Zone 1 voor ambachtelijke en kleine ondernemingen” van het bij ministerieel besluit van 30 juni 1994

goedgekeurde APA van de gemeente Lochristi (hierna: APA Lochristi) waarvoor artikel 11 van de stedenbouwkundige voorschriften geldt.

3.4. Op 30 september 2013 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van de inrichting. Zij vraagt i)

een “actualisatie” door het schrappen van vergunde maar niet uitgevoerde rubrieken en door - grotendeels ter regularisatie - het uitbreiden van vergunde rubrieken en het toevoegen van nieuwe rubrieken, ii) het opleggen van afwijkende normen voor het lozen van afvalwater, iii) het schrappen van twee vergunningsvoorwaarden, meer bepaald de voorwaarde om in de wasplaats biologische wasproducten te gebruiken en de niet uitgevoerde voorwaarde inzake groenvoorzieningen en iv) het wijzigen van de vergunningsvoorwaarden inzake de

VII-39.211-3/17

werktijden, door normale activiteiten in de uitsnijderij te laten starten om 4 uur in plaats van om 6 uur, en ze te laten duren tot 18 uur in plaats van tot 16 uur, de reinigingsactiviteiten te laten gebeuren tussen 19 en 24 uur, in plaats van tussen 18 en 23 uur en ook vrachtwagens te laten lossen op zaterdag, van 10 tot 12 uur.

3.5. Op 12 februari 2014 verleent het college een milieuvergunning.

De gevraagde “actualisatie” wordt vergund, met dien verstande dat het lozen van bedrijfsafvalwater wordt vergund voor een termijn op proef tot 3 februari 2016, en onder een aantal voorwaarden. De voorwaarde inzake het gebruik van biologische wasproducten wordt geschrapt. Van de gevraagde wijziging van de werktijden wordt enkel het lossen van vrachtwagens op zaterdag van 10 tot 12 uur toegestaan.

De voorwaarde van de groenvoorzieningen wordt niet geschrapt, maar wordt wel gewijzigd.

3.6. De tussenkomende partij dient op 13 maart 2014 een bestuurlijk beroep in en vraagt om i) de vergunning voor het lozen van bedrijfsafvalwater niet slechts voor een termijn op proef op te leggen maar definitief, en om de eraan verbonden voorwaarden en lozingsnormen te wijzigen, ii) de toegelaten werktijden te wijzigen zoals gevraagd en iii) de voorwaarde inzake groenvoorzieningen te schrappen.

3.7. Adviezen worden verleend door de afdeling Toezicht Volksgezondheid, de afdeling Ecologisch Toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij, de provinciale milieudeskundige geluid, de afdeling Milieuvergunningen, de provinciale milieudeskundige (algemeen) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie.

3.8. Op 26 juni 2014 wordt de bestreden milieuvergunning verleend.

Over de planologische aspecten van de vergunde aanvraag wordt het volgende overwogen:

“De inrichting is volgens het gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ gelegen in een agrarisch gebied. De voorschriften en bepalingen van het gewestplan

VII-39.211-4/17

werden opgeheven bij inwerkingtreding van het APA ‘Lochristi’ dat op 30 juni 1994 werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

De inrichting is gelegen in een zone 1 voor ambachtelijke en kleine ondernemingen, waarvoor artikel 11 van de stedenbouwkundige voorschriften van het APA geldt. Deze zone is bestemd voor het inrichten van bedrijfsgebouwen en uitrusting voor exploitatie van ambachtelijke bedrijven, kleinbedrijven categorie 1 en 2, en complementaire bedrijven voor de agrarische sector.

De exploitatie is verenigbaar met deze geldende stedenbouwkundige voorschriften.

Binnen een straal van 100 m rond het bedrijf bevinden zich geen particuliere woningen.

Milieuhygiënische aspecten […]

Geluid […]

Volgens het APA Lochristi is de vleesuitsnijderij B.G.M.C. gelegen in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine ondernemingen (KMO-gebied ‘Lozen Boer’). De omwonenden die bezwaar hebben ingediend wonen allen op hun bedrijf en zijn derhalve ook gelegen in dit zelfde KMO-gebied. Het KMO-gebied is omgeven door agrarisch gebied. Ten noordwesten van het KMO-gebied bevindt zich een woongebied met landelijk karakter op zo’n 500m afstand van de vleesuitsnijderij. Echter wordt het woongebied van de KMO-zone gescheiden door een drukke steenweg.

[…]

Transport Het bedrijf is gunstig gelegen in een industriegebied met een vlotte ontsluiting naar de E17 zodat niet dient gevreesd voor verkeersoverlast.

Visueel Het bedrijf is gelegen in een industriegebied en wordt enkel omgeven door andere bedrijven.

[…]

Conclusie De gevraagde exploitatie is milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving; [...]”.

IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de partijen

4.1. De verzoekende partijen stellen dat de exploitatie van de tussenkomende partij hinder en overlast veroorzaakt voor de omgeving die door de bestreden beslissing nog zal toenemen. Zij leiden hieruit af dat zij “er belang bij [hebben] om de bestreden beslissing vernietigd te zien”.

VII-39.211-5/17

4.2. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het annulatieberoep.

Zij stelt vooreerst dat het annulatieberoep onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen het georganiseerd administratief beroep niet hebben uitgeput.

Vervolgens betwist de tussenkomende partij het belang van de verzoekende partijen bij hun annulatieberoep. Eerste verzoeker omschrijft niet concreet zijn belang. Uit het geldende bestemmingsvoorschrift van het APA

Lochristi volgt dat van bedrijven en bedrijfsleiders in de omgeving een grote mate van tolerantie kan worden verwacht. Louter nabuurschap volstaat niet. Er moet blijken dat de verzoekende partijen daadwerkelijk milieuhygiënische hinder ondervinden. Het belang van de verzoekende partijen is te vaag en algemeen omschreven. De ingeroepen hinder is op zijn minst merkwaardig omdat de tweede verzoekende partij een transportbedrijf is dat geen beperkingen werd opgelegd inzake werkuren. Er is geen causaal verband tussen de aangevoerde hinder en de bestreden beslissing. De verzoekende partijen gaan voorbij aan de waarborgen in de bestreden beslissing om de hinder te beperken en zij verduidelijken niet waarom deze waarborgen niet zouden volstaan.

De tussenkomende partij betwist tenslotte de rechtmatigheid van het belang van de verzoekende partijen omdat zij in het eerste middel aanvoeren dat de tussenkomende partij het eerder opgelegde groenscherm rond haar terrein niet heeft aangelegd terwijl zijzelf het/de in de stedenbouwkundige vergunning opgelegde groenscherm/-buffer niet hebben aangelegd.

4.3. De verzoekende partijen verwijzen naar rechtspraak waaruit blijkt dat het volstaat dat de bestreden beslissing in laatste aanleg naar aanleiding van het administratief beroep van een derde, werd genomen. Daarbij komt dat de bestreden beslissing de in eerste aanleg genomen beslissing niet louter bevestigt

VII-39.211-6/17

maar toestaat dat de hinderlijke exploitatie nog verder wordt uitgebreid en een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden schrapt.

Zij stellen voorts dat de impact van de bestreden exploitatie voldoende blijkt uit hun verzoekschrift en bijgevoegde stukken.

Tot slot antwoorden zij dat de aantijgingen betreffende de vergunningstoestand van de tweede verzoekende partij niet bewezen en niet relevant zijn.

4.4. De tussenkomende partij betwist in de laatste memorie bovendien het actueel belang van de verzoekende partijen omdat zij een nieuwe, wijzigende milieuvergunning heeft bekomen op 5 mei 2015. Deze vergunning is definitief geworden “en kan autonoom de verdere exploitatie gronden”. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing kan “geen enkele invloed hebben op de onaantastbare rechtsgevolgen” van deze nieuwe vergunning.

4.5. De verzoekende partijen antwoorden in de laatste memorie dat zij nog steeds een actueel belang hebben omdat er slechts sprake is van een beperkte verandering, de vergunning van 5 mei 2015 “niet in de plaats [is]

gekomen van de thans bestreden beslissing” die niet is opgeheven, en de bijzondere vergunningsvoorwaarden in de bestreden beslissing niet werden hernomen in de vergunning van 5 mei 2015.

Beoordeling

4.6. De Raad van State kan niet worden gevat wanneer het georganiseerd administratief beroep niet is uitgeput. Het volstaat evenwel dat een beslissing in laatste administratieve aanleg is genomen, ongeacht door wie het beroep werd ingesteld. Te dezen is het bestreden besluit in laatste aanleg genomen.

De exceptie kan niet worden aangenomen.

VII-39.211-7/17

4.7. Om belang te hebben bij het bestrijden van een milieuvergunning moet een verzoeker aantonen of minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de vergunde exploitatie en niet dat die hinder onaanvaardbaar is.

Met het bestreden besluit wordt een vergunning verleend voor de verandering (randnr. 3.4) van een hinderlijke inrichting. Zonder het bestreden besluit mag de veranderde hinderlijke exploitatie van de betrokken inrichting niet plaatsvinden.

De onmiddellijke overbuur van zo’n hinderlijke inrichting beschikt over een voldoende belang om de milieuvergunning voor de verandering van die inrichting te bestrijden.

De omstandigheid dat de stedenbouwkundige vergunning van het transportbedrijf niet conform zou zijn uitgevoerd of dat het transportbedrijf zonevreemd zou zijn, maakt het belang van de verzoekende partijen niet ongeoorloofd.

Met de verzoekende partijen moet worden aangenomen dat de milieuvergunning van 5 mei 2015 geen invloed heeft op het belang van de verzoekende partijen. Zij is niets meer dan een wijziging van de bestreden vergunning.

De excepties met betrekking tot het belang van de verzoekende partijen kunnen niet worden aangenomen.

4.8. Het annulatieberoep is ontvankelijk.

VII-39.211-8/17

V. Onderzoek van het eerste middel

Standpunt van de partijen

5.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 11

van het APA Lochristi, de artikelen 21, § 2, 1° en 2°, en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3

van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Zij betogen in een eerste onderdeel dat de vergunde inrichting strijdig is met het bestemmingsvoorschrift van het APA Lochristi en onverenigbaar met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De verzoekende partijen wijzen erop dat de inrichting is gelegen in de zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine ondernemingen waarvoor de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 11 van het APA Lochristi gelden. In deze zone zijn enkel ambachtelijke bedrijven, kleinbedrijven categorie 1 en 2 en complementaire bedrijven voor de agrarische sector toegelaten. De vergunde inrichting, een vleesuitsnijderij die jaarlijks 30.000 ton varkensvlees produceert en 95 mensen tewerkstelt, is geen ambachtelijk of kleinbedrijf maar een industrieel bedrijf dat niet thuishoort in de zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine ondernemingen en is niet verenigbaar met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

De vergunde inrichting is strijdig met het stedenbouwkundig voorschrift inzake de maximale bezettingsgraad in artikel 11.3 van het APA

Lochristi gelet op het feit dat “het terrein nagenoeg helemaal is volgebouwd”. De vergunde inrichting is tevens strijdig met het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 11.4 gelet op het feit dat het terrein geen groenzone heeft.

VII-39.211-9/17

In een tweede onderdeel argumenteren de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing niet motiveert dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de voorschriften van het APA Lochristi en met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

5.2. De verwerende partij antwoordt dat men “bezwaarlijk [kan]

stellen dat het hier om een grootse uitbreiding gaat” en dat “de verandering voor de omgeving […] nihil” is. De gevraagde afwijking voor het groenscherm werd terecht toegestaan. Zij stelt voorts dat, gelet op het feit dat “in eerdere dossiers […]

er zich nooit een probleem [heeft] gesteld met betrekking tot de ruimtelijke ordening”, zij er “terecht [mocht] van uitgaan dat er zich geen probleem stelde op het vlak van de ruimtelijke ordening en […] hier niet verder [diende] op in te gaan”.

5.3. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel. Het belang van de verzoekende partijen is ongeoorloofd omdat zij “hun eigen vergunningsvoorwaarde inzake groenvoorziening hebben geschonden” en “gebouwd hebben en thans exploiteren op grond van een onwettige stedenbouwkundige vergunning”. Het belang van de verzoekende partijen wordt verder betwist omdat de verzoekende partijen de eerder verleende milieu- en stedenbouwkundige vergunningen niet hebben aangevochten en de bestreden vergunning geen betrekking heeft op “stedenbouwkundige handelingen” die eerder werden vergund. “De terreinbezetting blijft beperkt tot 65% en de aanvraag voldoet aan de bestemmingsvoorschriften, niettegenstaande de uitbreiding van de exploitatie en activiteiten”. De verzoekende partijen lichten bovendien niet toe welke hinder zij zouden ondervinden door het niet aanplanten van een groenscherm.

De tussenkomende partij wijst er verder op dat het APA

Lochristi wel definieert wat een ambachtelijk en kleinbedrijf is. De vergunde inrichting is een ambachtelijk bedrijf omdat de hoofdzakelijke activiteit bestaat “in het handmatig verwerken en inpakken van vleesproducten”. Zoniet is het een

VII-39.211-10/17

kleinbedrijf “omdat de bruto-oppvervlakte van de site groter is dan > 1.000m²”. De tussenkomende partij ziet dan ook niet in “welk nut dit middel de [verzoekers] zou opleveren”. Zij betoogt voorts “dat in de bestreden beslissing wel degelijk een beknopte, doch wel voldoende toetsing is gebeurd aan de planologische voorschriften” omdat er niets wordt gewijzigd “aan de vergunde gebouwen en de vergunde verhardingen op de site”. Dit laatste brengt mee dat is voldaan aan artikel 11.3 van het APA Lochristi. De tussenkomende partij stelt dat de groenindex in artikel 11.4 van het APA Lochristi niet op perceelsniveau geldt maar op het niveau van de bestemmingszone en dat dit voorschrift niet geschonden wordt. De bestreden beslissing werd voorts correct getoetst aan de goede ruimtelijke ordening en op dat punt afdoende gemotiveerd.

5.4. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij ten onrechte de impact van de gevraagde uitbreiding minimaliseert. Bij de toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening in 2005

ging het om een bedrijf met een jaarproductie van 15.000 ton versneden varkensvlees, wat inmiddels is verdubbeld. Dit is net de reden voor de gevraagde uitbreiding. De bestreden beslissing staat een forse uitbreiding van de exploitatietijden, reinigingsactiviteiten tot middernacht en een uitbreiding van de totale geïnstalleerde drijfkracht en de opslagcapaciteit toe.

Zij stellen dat ze wel degelijk belang hebben bij het middel. De beweerde onwettigheid van de stedenbouwkundige vergunning van de tweede verzoekende partij “heeft geen belang”. Het feit dat de eerder aan BGMC

verleende vergunningen niet werden aangevochten “doet daar geen afbreuk aan”.

Gelet op de verdubbeling van de productie is de toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften voor deze vergunningen “niet dienstig ter beoordeling van de huidige conformiteit aan de stedenbouwkundige voorschriften”. Dat er thans geen stedenbouwkundige handelingen werden vergund neemt niet weg dat de verleende milieuvergunning diende te worden getoetst aan de stedenbouwkundige voorschriften en aan de goede ruimtelijke ordening.

VII-39.211-11/17

Ze stellen vervolgens dat de verwerende partij niet verwijst naar de definities in het APA Lochristi waaraan de vergunde inrichting ook niet voldoet.

De tussenkomende partij toont niet aan dat is voldaan aan artikel 11.3 van het APA

Lochristi wat betreft de bezettingsgraad der gebouwen. Wat betreft artikel 11.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het APA Lochristi stelt de tussenkomende partij ten onrechte dat de groenindex op het niveau van de hele bedrijvenzone moet worden bekeken en niet per perceel.

De verzoekende partijen betogen voorts dat de verwerende partij niet weerlegt dat “de stedenbouwkundige toetsing” in de bestreden beslissing “niet afdoende gemotiveerd” werd maar zich beperkt tot het verweer dat er zich in eerdere dossiers op dat punt nooit een probleem heeft gesteld. Dit argument overtuigt niet. De verwerende partij had moeten nagaan of de inrichting op het ogenblik van de beoordeling van de aanvraag nog steeds verenigbaar was met de omgeving en de goede plaatselijke ordening. Beoordelingen uit de periode 2002-2005 zijn niet afdoende. Bovendien is het bedrijf sterk gegroeid sinds 2005.

Ook de tussenkomende partij weerlegt niet dat de motivering van de bestreden beslissing gebrekkig is. Ook zij beperkt zich hoofdzakelijk tot een verwijzing naar eerdere beslissingen. In een repliek op beide onderdelen van het eerste middel stelt de tussenkomende partij tenslotte dat er op grond van de artikelen 4.4.1 en 5.6.7, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan worden afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften. Er wordt in de bestreden beslissing op geen enkele manier verwezen naar deze bepalingen en de aanvraag wordt ook niet getoetst aan de voorwaarden van die bepalingen. Alleszins kan achteraf geen motivering worden toegevoegd aan het dossier.

5.5. In de laatste memorie volhardt de tussenkomende partij in haar exceptie van onontvankelijkheid van het middel. Zij stelt dat de vergunde inrichting volgens een moderne interpretatie van het begrip een ambachtelijk bedrijf is volgens het APA Lochristi. Het gebruik van machines impliceert niet dat haar “bewerkingactiviteiten niet als ‘handwerk’ zouden kunnen worden

VII-39.211-12/17

beschouwd”. Zij is in elk geval een kleinbedrijf dat voldoet aan de oppervlaktenorm van een categorie 1 kleinbedrijf.

Beoordeling

5.6. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, moet een verzoeker belang hebben bij de nietigverklaring op grond van dat middel, in de zin dat een voor hem nadelig rechtsgevolg van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt. De omstandigheid dat de stedenbouwkundige vergunning van de tweede verzoekende partij niet conform zou zijn uitgevoerd of dat eerder, in het kader van een beperktere exploitatie, aan de tussenkomende partij verleende vergunningen niet werden bestreden door verzoekers, maakt het eerste middel dat strijdigheid van de thans vergunde hinderlijke inrichting met het APA Lochristi aanvoert, niet onontvankelijk. De opmerkingen van de tussenkomende partij dat de bestreden beslissing geen “stedenbouwkundige handelingen” vergunt en conform is aan de bestemmingsvoorschriften van het APA Lochristi en in verband met het niet aanplanten van een groenscherm houden verband met de gegrondheid van het eerste middel.

De exceptie van de tussenkomende partij wordt verworpen. Het eerste middel is ontvankelijk.

5.7. De artikelen 21, § 2, en 25, van Vlarem I vereisen ondermeer een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt. Milieuvergunningsaanvragen moeten aldus worden getoetst aan de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, alsmede aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

Uit het bestreden besluit en uit het door het bestuur gevoerde onderzoek moet blijken dat de verwerende partij de overeenstemming met het APA Lochristi terdege heeft onderzocht en dat de minister in redelijkheid heeft

VII-39.211-13/17

kunnen beslissen dat de aangevraagde inrichting in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van het APA Lochristi.

5.8. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.

5.9. Titel III van de stedenbouwkundige voorschriften van het APA Lochristi onderscheidt ondermeer “industriegebieden” en “bedrijvengebieden”. Het voorziet onder bedrijvengebieden een “zone 1 voor ambachtelijke en kleine ondernemingen” waarvan de voorschriften zijn opgenomen in artikel 11, en een “zone 2 voor ambachtelijke en kleine ondernemingen” waarvan de voorschriften in artikel 12 zijn opgenomen. Onder industriegebieden voorziet het een “zone voor industrie” waarvoor de voorschriften van artikel 14 gelden.

Blijkens de inhoud van de aangehaalde stedenbouwkundige voorschriften wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds ambachtelijke en kleinbedrijven en anderzijds industriële bedrijven. Ambachtelijke en kleinbedrijven worden planologisch in bedrijvengebieden ondergebracht en industriële bedrijven in industriegebieden.

Volgens de definitie in artikel 1.4.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het APA Lochristi is de hoofdactiviteit van een ambachtelijk bedrijf het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken, herstellen of installeren van goederen.

Een kleinbedrijf heeft volgens de definitie van artikel 1.4.20 van de stedenbouwkundige voorschriften van het APA Lochristi een distribuerende,

VII-39.211-14/17

producerende of verwerkende activiteit “waarvan men drie categorieën kan onderscheiden in functie van de bruto-bebouwde bedrijfsoppervlakte of de netto toegankelijke oppervlakte voor het publiek inzake verkoop of tentoonstellen van de produkten”.

5.10. Het onderscheid in het APA Lochristi tussen de voormelde bestemmingszones en tussen ambachtelijke, klein- en industriële bedrijven die planologisch in de daartoe bepaalde bestemmingszones van het APA moeten worden ondergebracht, brengt mee dat het aan de milieuvergunningverlende overheid toekomt om het bedrijf van de tussenkomende partij te kwalificeren met toepassing van de algemene bepalingen van het APA Lochristi teneinde de aanvraag aan een reële en concrete stedenbouwkundige toetsing te kunnen onderwerpen.

5.11. De bestreden beslissing komt bij de stedenbouwkundige toetsing niet verder dan de vaststelling dat “de inrichting” in een zone 1 voor ambachtelijke en kleine ondernemingen is gelegen en de stijlformule dat “de exploitatie”

verenigbaar is met de voorschriften die gelden in de voormelde zone.

De verwerende partij heeft aldus nagelaten de toelaatbaarheid van het bedrijf van de tussenkomende partij aan een daadwerkelijke stedenbouwkundige toetsing te onderwerpen. Daarbij komt dat bij het onderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt de ene keer wordt uitgegaan van de ligging in een bedrijvengebied en de andere keer van de ligging in een industriegebied. De lacune in het verplichte stedenbouwkundige onderzoek geldt des te meer voor het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 11.3 van het APA Lochristi dat een maximale bezetting van 65% van de bruto-terreinoppervlakte oplegt, gelet op het feit dat in de stedenbouwkundige vergunning van 8 november 2005 van de tussenkomende partij wordt overwogen dat de “terreinbezetting circa 65% zal bedragen” en artikel 3, § 3, 21, van de bestreden beslissing thans de bijzondere vergunningsvoorwaarde oplegt om een bepaald lokaal van het bedrijf van de tussenkomende partij uit te breiden binnen een termijn van twee jaar.

VII-39.211-15/17

5.12. De bestreden beslissing schendt de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen.

Het eerste middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 juni 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi van 4 februari 2014, houdende het deels verlenen en deels weigeren van de milieuvergunning aan de NV Belgium German Meat Company voor het veranderen van een vleesuitsnijderij, gelegen aan de Ambachtenlaan 16 te Lochristi, deels wordt ingewilligd.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verzoekende partijen.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

VII-39.211-16/17

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.211-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.166