Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.155 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.155 Généré par l'IA

Court dismisses police disciplinary suspension request due to lack of urgency and insufficient grounds under administrative law.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.155
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a disciplinary decision against a police inspector. The applicant argued that the decision violated principles of care and motivation, yet the court found no specific arguments supporting these claims. Consequently, the court ruled that the cumulative conditions for granting a suspension order were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension order requires cumulative fulfillment of urgency and other statutory conditions, which are not met if the administrative decision is not sufficiently urgent or if the applicant fails to substantiate procedural violations.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative suspension police disciplinary action urgency requirement duty of care duty of motivation Council of State enforcement suspension abandon de poursuites pénales

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 237.155 van 25 januari 2017

in de zaak A. 219.828/XIV-37.132

In zake: Tom DECALUWÉ

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dimitri Dedecker kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 62

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de POLITIEZONE 5459

ALVERINGEM-LO-RENINGE-VEURNE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 29 augustus 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het politiecollege van de PZ Spoorkin dd. 04/07/2016, betekent aan verzoeker op 07/07/2016, en drager van het uitgiftenummer TU/PZ5459/2014/02, vergezeld van de notulen uit de zitting van het politiecollege Spoorkin zetelend als hogere tuchtoverheid dd. 04/07/2016”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.579 van 2 augustus 2016 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

XIV-37.132-1/24

De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dimitri Dedecker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jente Wouters, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de politiezone Alveringem/ Lo-Reninge/ Veurne (PZ 5459 Spoorkin).

3.2. Uit de notulen van de zitting van het politiecollege van 31 januari 2014 blijkt dat de korpschef aan het politiecollege kennisgeeft van het feit dat verzoeker op 16 januari 2014 in opdracht van het parket Kortrijk tijdens zijn dienst van zijn vrijheid werd beroofd, voor de onderzoeksrechter werd geleid en werd aangehouden en dat die aanhouding door de raadkamer werd verlengd.

XIV-37.132-2/24

Het politiecollege belast zich als hogere tuchtoverheid rechtstreeks “met de vatting van de gerechtelijke feiten waarvoor [verzoeker] onder aanhoudingsmandaat geplaatst werd, in een tuchtdossier lastens [verzoeker].”

3.3. Met een brief van 6 februari 2014 meldt de procureur des Konings te Kortrijk het volgende:

“Ik kan bevestigen dat [verzoeker], in kader van een gerechtelijk onderzoek gekend onder notitienummer KO60.L2.[XXXX]/13 door onderzoeksrechter [J. D.]

werd aangehouden.

[Verzoeker] komt in beeld als goede vriend van [V.A.] […].

[V.A.] laat zich in met verkoop van verdovende middelen (cocaïne en speed).

[Verzoeker] is minstens gebruiker van cocaïne.

In welke mate hij zich ook inlaat met verkoop van verdovende middelen, zal het gerechtelijk onderzoek uitwijzen. Het staat wel vast dat hij een aantal keren heeft rondgereden en hand- en spandiensten heeft verleend.”

3.4. Op 14 februari 2014 brengt het politiecollege verzoeker ter kennis dat het toepassing maakt van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Onder het kopje “2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen” is het volgende vermeld:

“Op 16/01/2014 omstreeks 16:00 u werd u tijdens de dienst in het commissariaat opgepakt en meegenomen voor een verder gerechtelijk onderzoek door de lokale recherche van PZ RIHO nadat voorafgaand de korpschef was verwittigd door CP

[V.]. Uw persoonlijk voertuig geparkeerd op de koer van het commissariaat werd door de recherche met een drughond gefouilleerd.

Op 17/01/2014 werd de korpschef op de hoogte gebracht dat u was aangehouden door de onderzoeksrechter in het kader van een drugszaak zonder dat hierover meer informatie werd vrijgegeven in het kader van het geheim van het onderzoek.

Uw aanhouding werd door de raadkamer op 21/01/2014 verlengd met een maand waardoor u zich bevindt in een administratieve toestand van non-activiteit.

In de pers dd 20/01/2014 (Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad) werd ruchtbaarheid aan deze zaak gegeven met grote krantenkoppen als ‘politie-inspecteur opgepakt in drugszaak’ met verwijzing naar Tom D. van de politiezone Spoorkin die op het commissariaat gearresteerd werd door zijn collega's van de zone RIHO […]

Volgens de Procureur des Konings te Kortrijk werd u door de onderzoeksrechter aangehouden in het kader van een gerechtelijk onderzoek […] voor gebruik van cocaïne en het verlenen van hand- en spandiensten m.b.t. verkoop van verdovende middelen.”

XIV-37.132-3/24

Voorts is onder het kopje “4. Schorsing van de verjaring inzake de kennisgeving van het inleidend verslag” het volgende gesteld:

“Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2,3 en 32 en 56;

Gezien het bestaan van een gerechtelijk dossier […];

Overwegende dat er geen eigen initiatieven kunnen genomen worden om op basis van een intern onderzoek de wezenlijke elementen te onderzoeken m.b.t. het vaststaan en het toerekenen van feiten die zich in eerste instantie aandienen als ernstige misdrijven het aangewezen is de beoordeling in gewijsde over deze feiten over te laten aan de bevoegde rechtsmacht het bijgevolg wijzer is de uitslag van de strafrechtelijke procedure af te wachten om een duidelijk zicht en bewijs te krijgen van deze feiten alvorens de beslissing te nemen over te gaan tot tuchtrechtelijke vervolging In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid;

stellen wij u in kennis dat ter zake een administratief dossier wordt samengesteld en dat overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de [tucht]wet […], de termijn van zes maanden inzake de kennisgeving van het inleidend verslag voor de feiten die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk dossier […], zal aanvangen op de dag dat wij door de gerechtelijke overheid zullen worden in kennis gesteld dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen. Deze beslissing impliceert dus niet dat de tuchtover-

heid afziet van de tuchtvervolging.”

3.5. Op 30 juni 2015 oordeelt de correctionele rechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk dat de feiten van “herhaaldelijk niet nader te bepalen hoeveelheden cocaïne in bezit te hebben gehad met oog op eigen gebruik”

bewezen zijn in hoofde van verzoeker. Inzake de straf en strafmaat wordt de opschorting van de uitspraak van veroordeling bevolen en dit voor de duur van vijf jaar. De rechtbank motiveert de straf en strafmaat als volgt:

“Ter zitting van 02.06.2015 verzocht [verzoeker] om de gunst van opschorting van de uitspraak, waaromtrent het openbaar ministerie een gemotiveerd negatief advies verleende.

Er zijn redenen om in te gaan op dit verzoek:

Beklaagde verkeert in de wettelijke voorwaarden: hij heeft nog geen veroordeling tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van méér dan zes maanden ondergaan en de feiten zijn niet van dien aard dat zij bestraft moeten worden met een hoofdgevangenisstraf van meer dan vijf jaar correctionele hoofdgevangenisstraf of een zwaardere straf.

Vooral is de rechtbank van oordeel dat een bestraffing de sociale reclassering van de beklaagde in het gedrang kan brengen op een wijze die niet in verhouding staat tot de ernst der feiten.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] vader is van een dochter en inmiddels geen cocaïne meer gebruikt.

XIV-37.132-4/24

Tevens stelt de rechtbank vast dat beklaagde nog nooit eerder door de correctionele rechtbank werd veroordeeld.”

Op 4 augustus 2015 deelt de procureur des Koning mee dat het voormelde vonnis is gewezen en kracht van gewijsde heeft verkregen. Tevens wordt machtiging verleend tot inzage en kopie van het dossier en het vonnis.

3.6. Met het inleidend verslag van 17 oktober 2015 stelt het politie-

college, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het inleidend verslag bevat onder meer een beschrijving en beoordeling van de feiten waarvoor het tuchtdossier werd geopend en van de datum van kennisneming van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de zware tuchtstraf van “het ambtshalve ontslag”.

Voorts is gesteld dat 31 januari 2014 de datum is die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag, doch dat evenwel moet rekening worden gehouden met de schorsing. Gesteld wordt dat de verjaringstermijn geschorst werd “gelet op de strafvordering die lastens u werd ingesteld. De termijn begint bijgevolg dan pas te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen.”

3.7. Na verzoeker te hebben gehoord, formuleert de hogere tuchtoverheid op 30 november 2015 het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

3.8. Verzoeker dient een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad, die in zijn definitief advies van 7 juni 2016 adviseert dat de feiten bewezen zijn en hem dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk

XIV-37.132-5/24

uitmaken en dat de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een aangepaste straf is.

Inzake de tenlasteleggingen stelt het advies onder het punt “5.2.

De tenlasteleggingen” het volgende:

“Uit pagina 4 van het inleidend verslag blijkt dat onder ‘de eerste feiten’ de volgende onderdelen van de ‘strafzaak’ aan de verzoeker als tuchtvergrijpen werden ten laste gelegd:

1. de omgang met criminele individuen;

2. het bezit van drugs en het gebruik ervan;

3. het dealen van drugs.

Naar aanleiding van het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal heeft de tuchtoverheid in haar repliek, zoals neergelegd op de zitting van Tuchtraad van 18 mei 2016, verzocht om enkel het feit van ‘druggebruik’ en de bijhorende strafrechtelijke beoordeling van verzoeker alsook het feit ‘omgang met criminelen’ te weerhouden. Het zijn derhalve enkel deze twee feiten die in de huidige zaak nog aan bod komen.

Wat de oorspronkelijke tuchtvergrijpen van ‘de eerdere tuchtstraf van 17 februari 2014’ en van ‘de evaluatieprocedure en het evaluatieverslag van 26 april 2013’ wijst de tuchtoverheid er nu zelf, in haar repliek van 18 mei 2016, op dat deze feiten geen tuchtfeiten op zich uitmaken maar wel in overweging moeten worden genomen om de aanhoudende negatieve en onaanvaardbare houding van verzoeker aan te tonen in de huidige tuchtprocedure.”.

Het “bewijs van de feiten en de toerekening ervan” wordt als volgt beoordeeld door de Tuchtraad:

“Beoordeling Tuchtraad Het bewijs van het tweede hiervoor vermelde feit, meer bepaald het bezit en gebruik van drugs, staat vast nu de strafrechter dit feit bewezen verklaard en de verzoeker daaraan schuldig bevond, ook al werd hem door de correctionele rechtbank maar de opschorting van de uitspraak van de veroordeling opgelegd.

De tuchtoverheid is zelfs door deze uitspraak van de strafrechter wat het bewijs van de feiten en de toerekenbaarheid gebonden. Dit feit wordt daarenboven op zich niet betwist door de verzoeker.

Samen met de tuchtoverheid is de Tuchtraad van oordeel dat in deze zij niet gehouden is door het vonnis van de strafrechter wat de tenlastelegging ‘omgang met criminele individuen’ betreft nu deze daaromtrent geen onderzoek gevoerd heeft.

Dit feit op zich kan in deze zaak wel nog een tuchtvergrijp uitmaken nu dit aspect niet hetzelfde is als de verzwarende omstandigheid van de tenlastelegging sub A.3

waarvoor verzoeker oorspronkelijk verzonden was naar de correctionele rechtbank maar die de strafrechter niet aangenomen heeft (en impliciet de verzoeker daarvoor vrijsprak) maar uit de tenlastelegging heeft weggelaten door middel van her-

kwalificatie.

Die verzwarende omstandigheid luidde ‘met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een

XIV-37.132-6/24

vereniging’. Dit impliceerde dat oorspronkelijk werd voorgehouden dat de verzoeker gebruiker/ bezitter van cocaïne was en dat hij dit deed als lid van een vereniging die als hoofd-of bijkomende bedrijvigheid het plegen van dergelijke misdrijven had.

Het aspect ‘omgaan met criminelen’ is ruimer dan voormeld begrip en vereist niet dat men deel uitmaakt van dergelijke vereniging maar het is voldoende dat men in het privéleven contacten heeft met criminelen.

Uit voormelde opgesomde stukken blijkt inderdaad dat de verzoeker zich inliet met de genaamde [A.V.], waarvan de verzoeker wist (zoals hij zelf verklaarde in het kader van het strafonderzoek) dat die dealde in drugs.

Het feit dat hij dit niet van bij het begin geweten zou hebben doet aan het voorgaande geen afbreuk. Hij heeft verklaard zelf drugs aangekocht te hebben van deze persoon maar tevens vervoerde hij deze naar bepaalde adressen, gerelateerd met drugs.

Het komt wel gepast voor om de periode te bepalen van deze beide feiten als volgt ‘in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 januari 2014”.

Terecht gaat de tuchtoverheid uit van de stelling dat zij, ook wat de toerekenbaarheid van de feiten aan de verzoeker, gehouden is door de beslissing van de strafrechter.

Aldus kan de verzoeker zich inzake niet beroepen op zijn ‘verslaving’ als verschoningsgrond maar enkel kan deze nog eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de strafmaat, in zoverre deze als een verzachtende omstandigheid kan worden aangenomen.

Daarenboven blijkt geenszins uit het voorgebrachte medisch attest, waaruit blijkt dat de verzoeker in behandeling is voor zijn verslaving, dat de verzoeker niet wist wat hij deed of dat er omstandigheden waren die hem buiten zijn wil deden handelen.

De ten laste gelegde feiten zijn de verzoeker wel degelijk toerekenbaar.”

3.9. De hogere tuchtoverheid beslist op 4 juli 2016 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

XIV-37.132-7/24

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, van de redelijke termijn en van het recht van verdediging. Hij stelt vast dat de verwerende partij de datum van kennisneming vastlegt op 31 januari 2014 en dat de feiten dan officieel ter kennis zijn gebracht aan het politiecollege. Ook stelt hij vast dat de tuchtoverheid oordeelt dat de termijn van zes maanden pas begint te lopen op de dag dat hij in kennis wordt gesteld dat een gerechtelijke eindbeslissing is genomen, zijnde op 30 juni 2015.

Volgens verzoeker had, vooreerst, de hogere tuchtoverheid reeds eerder dan op 30 juni 2015 kennis van de hem ten laste gelegde feiten. Dat zij voordien op de hoogte was van verzoekers privaat druggebruik blijkt volgens hem uit het schrijven van 6 februari 2014 van de procureurs des Konings te Kortrijk, waarin is meegedeeld dat verzoeker minstens gebruiker van cocaïne is; uit het schrijven van 14 februari 2014 inzake de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, waarbij onder punt 2 wordt gesteld dat verzoeker werd aangehouden in het kader van een gerechtelijk onderzoek voor het gebruik van cocaïne, en uit het feit dat hij van bij de aanvang heeft meegewerkt aan het gerechtelijk onderzoek en zijn druggebruik heeft toegegeven. Voorts voert verzoeker aan dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet enkel kan worden ingeroepen als het betrokken personeelslid de feiten betwist of als het niet mogelijk is de feiten te bewijzen op basis van een intern administratief onderzoek. De inspanning die ter zake van het tuchtbestuur wordt gevraagd moet in redelijkheid worden beantwoord, maar moet volgens verzoeker ten minste het verhoor van betrokkene inhouden, minstens om hem te vragen of hij al dan niet de feiten erkent. Verzoeker stelt vast dat de hogere tuchtoverheid geen voorafgaand onderzoeker heeft aangesteld, noch een eigen administratief onderzoek heeft gevoerd, noch hem gehoord, noch enige onderzoeksdaad heeft gestart of uitgevoerd. Verzoeker komt voorts terug op het

XIV-37.132-8/24

standpunt van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de AIG) omtrent de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en stelt zich op het standpunt dat net de passieve houding van de tuchtoverheid in strijd is met de voormelde bepaling. Te dezen heeft de tuchtoverheid zich beperkt tot het versturen van een periodieke standaardbrief naar het parket met de vraag naar de stand van het onderzoek, waarop een bondig standaardantwoord werd ontvangen en is er geen sprake van “intensieve communicatie”. Hij “herhaalt” dat hij nooit de kans kreeg zijn raadsman of vakbondsafgevaardigde te raadplegen vooraleer hem een inleidend verslag werd betekend. Hij verwijst te dezen naar het dossier inzake de ordemaatregel waarbij hem het recht op bijstand door een personeelslid, vakbondsafgevaardigde of advocaat werd geweigerd. Tot slot voert verzoeker aan dat hij, in strijd met wat de AIG stelt, geenszins de plicht had zich onmiddellijk en uitdrukkelijk te verzetten tegen de toepassing van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, en ontneemt dit hem niet het recht om alsnog een miskenning van dit artikel in te roepen.

Beoordeling

De schending van artikel 56 van de tuchtwet en de redelijke termijn

6. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze

XIV-37.132-9/24

bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad

XIV-37.132-10/24

van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

7. Uit wat voorafgaat volgt dat de beoordeling van het eveneens door verzoeker geschonden geachte beginsel van de redelijke termijn zich lijkt aan te dienen indien de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn - en de tuchtoverheid dus niet over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen - en de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen. Beschikt de overheid daarentegen over voldoende gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, dan vergt dit geen beoordeling van de vraag of door dit afwachten er een schending is van het beginsel van de redelijke termijn, maar wel van de vraag of de tuchtvordering alsnog tijdig is ingesteld.

XIV-37.132-11/24

8. Inzake de grief dat de hogere tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen.

Niet wordt betwist dat de tuchtoverheid daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.

Verzoeker van zijn kant, plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij ten onrechte het resultaat van de strafprocedure heeft afgewacht. Volgens hem stond het privaat druggebruik reeds vroeger vast.

Een eerste feitelijk argument dat verzoeker ter staving van zijn standpunt aanvoert is dat de tuchtoverheid door de brief van de procureur des Konings van 6 februari 2014 op de hoogte was van het feit dat hij minstens gebruiker is van cocaïne. Die brief (zie supra, punt 3.3) biedt enige verduidelijking omtrent de aard van de feiten die het voorwerp uitmaken van het lopende gerechtelijk onderzoek en in welk kader verzoeker voorlopig werd aangehouden:

meer bepaald het gegeven dat verzoeker “minstens” cocaïnegebruiker is en de omgang als goede vriend met een andere persoon die zich inlaat met de verkoop van verdovende middelen. Open wordt gelaten de vraag of verzoeker zelf zich inlaat met de verkoop van verdovende middelen, maar het staat luidens die brief wel vast dat hij “een aantal keren heeft rondgereden en hand- en spandiensten heeft verleend”. Los van de vraag of te dezen de hogere tuchtoverheid op grond van de enkele melding dat volgens de procureur des Konings verzoeker “minstens”

cocaïnegebruiker is, aldus reeds over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft van verzoekers druggebruik om hiervoor de tuchtvordering in te stellen, toont verzoeker op het eerste gezicht niet aan dat de hogere tuchtoverheid op grond van die brief alleen over voldoende inlichtingen beschikte met betrekking tot de andere aspecten van de tuchtzaak, zoals het in die brief ook aangehaalde inlaten met de verkoop van verdovende middelen en het omgaan met vrienden die verdacht worden van het zich inlaten met drugsverkoop.

XIV-37.132-12/24

Hetzelfde geldt voor verzoekers tweede argument gesteund op de hiervoor aangehaalde brief van 14 februari 2014 waarbij de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet werd meegedeeld aan verzoeker (zie supra, punt 3.4). In die brief wordt expliciet verwezen naar verzoekers aanhouding en de kennisgeving ervan aan de korpschef, naar persberichten en naar het hiervoor reeds behandelde standpunt van de procureur des Konings. Evenmin maakt verzoeker aannemelijk dat uit die mededeling de hogere tuchtoverheid op dat ogenblik over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten waarvoor verzoeker vervolgd werd, de tuchtvordering in te stellen. De in de brief van 14 februari 2014 vermelde kennisgeving aan de korpschef op 17 januari 2014 ging immers blijkbaar vergezeld met de mededeling dat over het strafonderzoek niet meer informatie werd vrijgegeven in het kader van het geheim van het onderzoek. Uit die kennisgeving kan aldus niet worden besloten hetgeen verzoeker betoogt. Verzoeker maakt voorts op het eerste gezicht niet aannemelijk dat uit de in die kennisgeving aangehaalde krantenartikelen op waarheidsgetrouwe wijze het bewijs blijkt van de kennisneming van de feiten door de hogere tuchtoverheid. Wat het verwoorde standpunt van de procureur des Konings betreft, volstaat tot slot te verwijzen naar de behandeling hiervoor van verzoekers eerste argument.

Het loutere feit dat verzoeker, zoals hij zelf voorhoudt, goed zou hebben meegewerkt aan het gerechtelijk onderzoek en zijn druggebruik zou hebben toegegeven, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid aldus over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten waarvoor verzoeker vervolgd werd, de tuchtvordering in te stellen.

Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht weliswaar blijk geeft van een eigen feitelijke beoordeling van het tijdstip waarop de hogere tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door te wachten op de kennisgeving door de gerechtelijke overheid van de gerechtelijke eindbeslissing over het geheel

XIV-37.132-13/24

van de feiten waarvoor verzoeker strafrechtelijk werd vervolgd, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan.

9. Inzake de grief dat de hogere tuchtoverheid onvoldoende inspanningen heeft ondernomen.

Verzoeker voert in het middel ook aan dat de hogere tuchtoverheid niets heeft ondernomen, behalve periodiek een standaardbrief te zenden naar het parket met betrekking tot de stand van het onderzoek. Er is geen voorafgaand onderzoeker aangesteld, geen administratief dossier opgestart, geen enkele onderzoekdaad gestart of uitgevoerd, noch werd verzoeker gehoord over de feiten, terwijl volgens hem de hogere tuchtoverheid “met een eenvoudige verklaring van verzoeker het tuchtonderzoek mogelijks [had] kunnen beëindigen”, vermits verzoeker tijdens het strafrechtelijk onderzoek van meet af aan zijn volledige medewerking heeft verleend en zijn druggebruik heeft toegegeven.

Verzoeker geeft evenwel niet aan welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden de tuchtoverheid of de desgevallend aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst - zonder daarbij het gerechtelijk onderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker verwijst te dezen op algemene wijze ook naar de mogelijkheid om hem te horen en naar zijn medewerking in het strafonderzoek. In deze stand van het geding maakt het enkele gegeven dat de tuchtoverheid verzoeker had kunnen horen, noch de enkele, niet door feiten ondersteunde bewering van verzoeker dat hij steeds heeft meegewerkt in het strafonderzoek en zijn druggebruik heeft toegegeven, op zich niet aannemelijk dat verzoeker gedurende het lopende gerechtelijk onderzoek aan de

XIV-37.132-14/24

tuchtoverheid klaarheid heeft willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn - en dat wat de feiten betreft meer omvat dan het louter druggebruik door verzoeker zelf (zie infra, behandeling van het derde middel) -, zodat zijn tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs te dezen een voor de hand liggende onderzoeksdaad was. Voorts blijkt uit het dossier dat de verwerende partij op regelmatige tijdstippen bij de gerechtelijke overheden heeft geïnformeerd naar de stand van zaken, zodat er op dat punt geen sprake lijkt te zijn van een passieve houding in hoofde van de tuchtoverheid. De omstandigheid dat zulks zou zijn gebeurd met standaardbrieven, spreekt die vaststelling niet tegen.

Verzoeker voegt “voor de volledigheid” in het middel ook zijn repliek op het standpunt van de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde voor de Tuchtraad in zijn hoedanigheid van deskundige, aangaande de toepassing van artikel 56 van de tuchtwet. Dat standpunt bindt op geen enkele wijze de Raad van State bij de uitoefening van zijn wettigheidsonderzoek of de bestreden beslissing die bepaling heeft miskend. In deze stand van het geding is er dan ook geen reden om de wettigheid van dat standpunt ter zake te toetsen op zijn merites.

10. Het is aan verzoeker die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorge-

schreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht dat bewijs niet levert.

De Raad van State is in deze stand van het geding eveneens van oordeel dat de tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door geen eigen administratief onderzoek uit te voeren en door te wachten op de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing om de werkelijke toedracht van het tuchtfeit te achterhalen.

11. Het eerste middel is in die mate niet ernstig.

XIV-37.132-15/24

Schending van het recht van verdediging

12. Verzoeker beroept zich in het middel ook op de schending van het recht van verdediging in die zin dat hij “herhaalt” dat hij nooit de kans kreeg zijn raadsman of vakbondsafgevaardigde te raadplegen vooraleer hem een inleidend verslag werd betekend. Te dezen verwijst hij naar het dossier inzake de ordemaatregel waar hem het recht op bijstand door een personeelslid, vakbonds-

afgevaardigde of advocaat geweigerd werd.

Zonder dat in de huidige stand van het geding de Raad van State moet onderzoeken of het recht van verdediging zou eisen dat tijdens het aan de tuchtregeling voorafgaand administratief onderzoek verzoeker de kans moet hebben een raadsman of een vakbondsafgevaardigde te raadplegen vooraleer hem een inleidend verslag wordt betekend, blijkt op het eerste gezicht uit de aan de Raad van State voorgelegde gegevens van het tuchtdossier niet dat op enig ogenblik in het raam van de voorbereiding en totstandkoming van de bestreden beslissing, aan verzoeker de kans werd ontzegd zijn raadsman of vakbondsafgevaardigde te raadplegen. Verzoeker verwijst ter zake weliswaar naar de oproeping op 14 februari 2014 om te worden gehoord met het oog op het opleggen van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel en waarin hem het recht op bijstand werd geweigerd. Die oproeping heeft evenwel betrekking op de voorlopige schorsing bij ordemaatregel die aan verzoeker op 20 februari 2014

werd opgelegd. Die maatregel die definitief is geworden, is te onderscheiden van de bestreden tuchtbeslissing. De eventuele gebreken die de voorlopige schorsing bij ordemaatregel zou vertonen, tasten de wettigheid niet aan van de tuchtregeling.

13. Het eerste middel is niet ernstig.

XIV-37.132-16/24

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het tweede middel

14. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling door de strafrechter impliceert dat het niet meteen duidelijk en vanzelfsprekend is dat de tuchtoverheid de weliswaar bewezen feiten met de op één na zwaarste sanctie beteugelt. Volgens verzoeker dient de tuchtoverheid dan ook aan te tonen waarom zij deze zware tuchtstraf oplegt, terwijl de strafrechter hem een gunst heeft verleend. In tegenstelling tot de strafrechter houdt de tuchtoverheid evenmin rekening met zijn sociale reclassering en verzoekers vraag om zijn werk te kunnen behouden, zijn gezinssituatie en met het feit dat hij volledig afkickte van het gebruik van cocaïne. Ze houdt volgens verzoeker dan weer wel volledig ten onrechte rekening met het zwaarwichtige feit van het dealen van drugs, terwijl hij hiervoor juist vrijgesproken is. Verzoeker wijst tevens op rechtspraak van de Tuchtraad waaruit volgens hem blijkt dat voor feiten van druggebruik bijna altijd een schorsing van één tot drie maanden wordt geadviseerd.

Volgens verzoeker is het voorts merkwaardig dat de tuchtoverheid de zware sanctie van het ontslag van ambtswege handhaaft niettegenstaande heel wat van de feiten die zij aanvankelijk in aanmerking nam, niet weerhouden werden. Hij merkt daarbij op dat het enige weerhouden feit, met name het druggebruik in de privésfeer, bovendien minder ernstig is dan de andere feiten die hem verweten werden, zoals het dealen van drugs. Verzoeker concludeert dat zijn ontslag buitenproportioneel is, nu de ernst van de feiten niet onoverkomelijk is en doorgaans worden bestraft met een schorsing, het druggebruik geen weerslag had op de werking van de dienst - minstens is dit niet aangetoond -, de feiten eenmalig zijn, de rechterlijke macht de feiten als minimaal beoordeelde en er geen gevolgen verbonden waren aan de feiten (geen slachtoffers, materiële schade, ...).

XIV-37.132-17/24

Beoordeling

15. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.

Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheids-

beginsel miskent.

16. Bij de behandeling van het derde middel is vastgesteld dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid het ontslag van ambtswege heeft opgelegd omwille van het bezit en gebruik van drugs en de omgang met criminelen. In de mate dat verzoeker zich ter adstructie van zijn middel op het standpunt plaatst dat hij enkel is gestraft voor het privaat gebruik van drugs, gaat het middel derhalve uit van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing.

XIV-37.132-18/24

Verzoekers argumentatie gesteund op de lichtere bestraffing van gelijkaardige feiten faalt bijgevolg, nu verzoeker op het eerste gezicht ter zake enkel verwijst naar feiten betreffende druggebruik, zonder dat blijkt dat die gelijkaardige tenlaste-

leggingen als de voorliggende betreffen.

De strafmaat wordt in de bestreden beslissing als volgt verantwoord:

“5. De strafmaat Het advies van de Tuchtraad m.b.t. ‘de strafmaat’ wordt in onderhavige beslissing eveneens door de hogere tuchtoverheid bijgetreden en bevestigd.

Dat in het advies van de Tuchtraad wordt gesteld dat duidelijk blijkt dat de tuchtoverheid van oordeel is dat het bewijs van de voorgehouden eventuele ziektetoestand van [verzoeker] niet aangetoond wordt;

Dat het medisch attest te vaag is en dat daarin zelfs geen sprake is van enige ‘verslavingsproblematiek’, zoals door de verdediging wordt voorgehouden en dat de behandeling zelf op het ogenblik van dat attest nog moest worden aangevat;

Dat de tuchtoverheid terecht stelde dat het medisch attest aldus niet bij de verzachtende omstandigheden diende betrokken te worden, bij gebrek aan bewijs;

Dat er pas een schending is van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing berust op feitelijk juiste en op zich rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, hetgeen inzake niet het geval is.

Dat de Tuchtraad van oordeel dat de tuchtoverheid terecht rekening hield met de volgende elementen bij het bepalen van de op te leggen straf:

- het gegeven dat deze feiten manifest zwaarwichtig zijn;

- dat het absoluut ontoelaatbaar is dat een politieambtenaar, die onder andere zou moeten instaan voor de opsporing van drugsdelicten, zelf een pleger van inbreuken en een gewoontegebruiker is;

- dat een politieambtenaar zich moet onthouden van het plegen van strafbare feiten;

- dat de vastgestelde feiten afbreuk doen aan zijn voorbeeldfunctie t.a.v. andere (jonge) collega's;

- dat het gedrag van verzoeker getuigt van manifest gebrek aan rudimentaire verantwoordelijkheidszin en gezond verstand;

- de onmogelijkheid voor de PZ Spoorkin om nog vertrouwen te hebben in de beroepsingesteldheid van de verzoeker nu er een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan;

- het feit dat bijna alle personeelsleden in de PZ Spoorkin op de hoogte van de gepleegde feiten zijn, waardoor deze onvermijdelijk een weerslag hebben op de werking van de dienst, op het werkklimaat alsook op de houding van de collega's van de verzoeker;

- de zeer belangrijke imagoschade die het belang van het korps geleden heeft door de media-aandacht die deze tuchtvergrijpen in de pers genoten;

- het gebrek aan vertrouwen dat de bevolking heden heeft in de PZ Spoorkin.

Meer in het bijzonder wordt het advies van de Tuchtraad eveneens bijgetreden daar waar wordt gesteld dat de door de tuchtoverheid voorgestelde straf van ontslag

XIV-37.132-19/24

van ambtswege, in redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de bewezen tuchtfeiten. Dat de Tuchtraad niet twijfelt aan het feit dat elke overheid in dezelfde omstandigheden zou hebben besloten tot een straf die net zo zwaar is als het ambtshalve ontslag, zijnde de grondslag voor de toetsing van de proportionaliteit van de straf.

Dat de voorgehouden kennelijke onredelijkheid van de voorgestelde straf ook niet wordt aangetoond door het feit dat de strafrechter slechts een ‘opschorting van de uitspraak van de veroordeling’ voor het bewezen misdrijf van bezit/gebruik van drugs zou hebben uitgesproken;

Dat daarbij verwezen wordt naar een arrest van de Raad van State […].

Dat zowel druggebruik als het zich inlaten met criminele individuen ernstige zaken zijn en het zeker niet onredelijk is dat politiediensten niet geneigd zijn daar tolerantie voor te betonen;

Dat deze feiten op zich de verwijdering van [verzoeker] uit de politieorganisatie verantwoorden;

Dat ook beklemtoond moet worden dat geenszins sprake is van een blanco tuchtstraffenblad nu een zware tuchtstraf werd opgelegd bij tuchtbeslissing van 17 februari 2014.

Dat [verzoeker] ten onrechte de voorgehouden onevenredigheid afleidt uit een overzicht van tuchtsancties, die zouden zijn toegepast op gelijkaardige feiten (druggebruik). Gelet op het feit dat nergens uit blijkt dat het om ‘gelijkaardige feiten’ ging, alsook dat elke zaak in concreto beoordeeld dient te worden, rekening met alle aan een zaak eigen elementen.

Dat de voorgehouden schending van het evenredigheidsbeginsel evenmin wordt aangetoond.”

De argumenten die verzoeker aanreikt leiden op het eerste gezicht niet tot de conclusie dat de hogere tuchtoverheid, door op grond van de aangehaalde overwegingen te besluiten tot de zware straf van het ontslag van ambtswege voor de feiten van bezit en gebruik van drugs en de omgang met criminelen, het evenredigheidsbeginsel schendt. Het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid bij haar keuze van de straf het standpunt van de strafrechter inzake de strafmaat voor één van de thans tuchtrechtelijk ten laste gelegde vergrijpen niet heeft gevolgd, maakt op het eerste gezicht op zich de keuze van de straf niet onredelijk, te meer dat de strafrechter zich niet heeft uitgesproken over de redelijkheid van de op te leggen tuchtstraf voor de ten laste gelegde feiten, wat overigens zijn bevoegdheid niet zou zijn. Hetzelfde geldt op het eerste gezicht voor het niet-bijtreden van en het niet hetzelfde gewicht geven als de strafrechter aan het gevaar voor sociale reclassering, aan verzoekers gezinssituatie en het volgen van een behandeling en de kans op recidive. Maakt evenmin de keuze voor de straf onredelijk, de omstandigheid dat de tuchtoverheid een ander gewicht geeft aan de

XIV-37.132-20/24

ernst van de feiten dan verzoeker door te besluiten dat de feiten van druggebruik en het omgaan met criminelen op zich de verwijdering van verzoeker uit de politieorganisatie verantwoorden. Verzoeker is een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van de ten laste gelegde tuchtvergrijpen. Uit de voorts door verzoeker in het middel aangehaalde feiten en appreciaties ervan ter adstructie van zijn standpunt dat de opgelegde straf het evenredigheidsbeginsel schendt, volgt dat verzoeker weliswaar een andere mening is toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid inzake de zwaarwichtigheid van de feiten en van de weerslag ervan, maar dat maakt in deze stand van het geding op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat, tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken.

17. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

18. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. Hij doet gelden dat in het inleidend verslag volkomen ten onrechte wordt gesteld dat uit het gerechtelijk dossier kan worden afgeleid dat hij drugs dealde. Dat dit pertinent onwaar is, blijkt volgens verzoeker uit het vonnis van 30 juni 2015 van de correctionele rechtbank.

Hem beschuldigen van feiten waarvoor hij niet veroordeeld werd na het gerechtelijk onderzoek en stellen dat hij hiervoor een vonnis opliep, maakt, aldus verzoeker, op zich een strafrechtelijk feit van laster en eerroof uit. Verzoeker kan voorts niet aanvaarden dat de hogere tuchtoverheid feiten waarvoor reeds een tuchtstraf werd opgelegd, gebruikt om tot de voorliggende straf te komen.

XIV-37.132-21/24

Beoordeling

19. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

20. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de enige feiten die verzoeker worden toegerekend en waarvoor hij wordt gestraft, het “bezit en gebruik van drugs” en de “omgang met criminelen” zijn. Niet blijkt dat in de bestreden beslissing het dealen van drugs als tuchtfeit is in aanmerking genomen.

De omstandigheid dat in het inleidend verslag is gesteld dat uit het gerechtelijk dossier en uit het veroordelend vonnis het dealen van drugs kan worden afgeleid, leidt op het eerste gezicht dan ook niet tot de conclusie dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig te werk is gegaan bij de voorbereiding van de bestreden beslissing, vermits duidelijk uit de bestreden beslissing blijkt dat dit feit

XIV-37.132-22/24

hem niet is ten laste gelegd. Uit de bestreden beslissing blijkt overigens dat de hogere tuchtoverheid in de loop van de navolgende tuchtprocedure uitdrukkelijk aan deze tenlastelegging heeft verzaakt.

Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat verzoeker de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht, het niet ernstig is.

21. In de mate dat verzoeker in het middel ook de schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht wordt er op het eerste gezicht geen specifieke argumentatie opgebouwd die betrekking heeft op dat beginsel, zodat deze grief geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.

22. Het derde middel is niet ernstig.

VI. Conclusie

23. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

VII. Rechtsplegingsvergoeding

24. Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

XIV-37.132-23/24

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-37.132-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.155