Belgian court dismisses urgent suspension request for prison disciplinary isolation due to lack of urgent necessity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of a prison disciplinary sanction imposing isolation. The applicant argued that the sanction threatened his right to uninterrupted visits and future release prospects, but failed to prove concrete, irreversible harm. The court ruled that general assertions without specific evidence of severe consequences do not satisfy the strict legal requirement of extreme urgency.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; extreme urgency requires proof of concrete, irreversible harm and diligent procedural conduct, which mere general claims of rights infringement without specific factual illustration do not satisfy.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.128 van 24 januari 2017
in de zaak A. 221.256/XIV-37.298
In zake: Idries TARGALI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdend te 8000 Brugge Koolkerkse Steenweg 154
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 januari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing tot tuchtsanctie dd. 16-01-2017, uitgaande van de directie van de gevangenis te Dendermonde”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017, om 10.00 uur.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
XIV-37.298-1/7
Advocaat Mathieu Langerock, die verschijnt voor verzoeker, en attachéXaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
3.2. Op 7 en 13 januari 2017 wordenlastens verzoeker twee rapporten aan de directeur opgemaakt.
3.3. Op 16 januari 2017 - de bestreden beslissing is gedateerd op 11 januari 2017 - wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte” - “14 dagen ATV (van 17.01.2017 tot en met 30.01.2017)”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering:
“De tuchtzitting van betrokkene werd een eerste maal geagendeerd op 11.01.2017. De advocaat van betrokkene werd ervan verwittigd en was aanwezig, doch betrokkene wenste zijn zaak behandeld te zien door een andere advocaat van de firma. Er werd uitstel gevraagd en verkregen; de zitting werd uitgesteld naar 16.01.2017.
Op 16.01.2017 weigerde betrokkene andermaal de aanwezige advocaat. Er werd geen uitstel gevraagd.
Ons inziens kreeg betrokkene voldoende kans om zich te verdedigen en is het enkel door zijn toedoen dat de zitting niet doorging. Beide keren was een advocaat aanwezig.
Uit de twee rapporten blijkt dat betrokkene zich uitdagend opstelde naar het personeel met verwijten en bedreigingen. Dergelijk gedrag kan niet getolereerd worden. Een gepaste sanctie is aangewezen.
Deze beslissing tot het opleggen van bovenvermelde sanctie werd genomen bij verstek.”
XIV-37.298-2/7
Dit is de bestreden beslissing.
IV. De schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V.Uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunt van verzoeker
5. Onder het kopje “uiterst dringende noodzakelijkheid” voert verzoeker aan dat het duidelijk is dat de vordering tot schorsing uiterst dringend is aangezien de sanctie reeds lopende is. Door de sanctie komt bovendien het ongestoord bezoek op 21 januari 2017 tussen verzoeker en zijn vrouw en kinderen in het gedrang terwijl zijn recht op privéleven beschermd dient te worden.
Verzoeker wijst nog op vaste rechtspraak die stelt dat men geacht is diligent te zijn wanneer de vordering wordt ingesteld binnen een termijn van vijf dagen, hetgeen te dezen is gebeurd.
Onder het kopje “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” betoogt verzoeker dat de bestreden tuchtsanctie ontegensprekelijk een negatieve invloed zal hebben op zijn reclassering. Er zou volgens hem eerstdaags een nieuwe aanvraag voor uitgaansvergunningen richting Directie Detentiebeheer vertrekken, na eerdere weigeringen. Gelet op het nakende strafeinde op 1 juli 2018 is dit niet zonder belang, aldus verzoeker. Het is immers uiterst onwenselijk dat hij vrij zou komen zonder enige vorm van reclasseringsplan. Zowel de Directie
XIV-37.298-3/7
Detentiebeheer als de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen verwachten van verzoeker dat hij tuchtvrij blijft. Door de bestreden tuchtsanctie zal zijn nieuwe aanvraag wellicht resulteren in een zoveelste weigering en in de afwezigheid van een uitgewerkt reclasseringsplan. Verzoeker wijst er ten slotte nog op dat op maandag “25-01-201[7]” een personeelscollege staat ingepland waar de nieuwe tuchtsanctie die hij heeft opgelopen, wellicht zal resulteren in een negatief advies.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
XIV-37.298-4/7
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
7. Uit wat voorafgaat volgt dat het argument dat de tuchtstraf uitvoering kent en dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gewone schorsingsprocedure dan ook te laat zou komen, op zich niet volstaat opdat voldaan zou zijn aan de wettelijke voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid.
Voorts is diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste, maar het enkel voldoen aan deze eis volstaat op zich niet.
Verzoeker wijst op het in het gedrang komen van zijn ongestoord bezoek. Te dezen maakt verzoeker evenwel niet in concretoaannemelijk dat hij door de uitvoering van de tuchtstraf zich in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen.Een uiteenzetting, louter beperkt tot de algemene stelling dat de tuchtstraf het ongestoord bezoek in het gedrang brengt en dat zijn recht op privélevenin casu dient te worden beschermd, zonder nadere illustratie of
XIV-37.298-5/7
bijzondere gebeurtenis en zonder ook maar enig licht te doen schijnen op de onherroepelijke schadelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, voldoet te dezen niet. De Raad van Statebemerkt voorts dat uit het door verzoeker bijgebrachte stuk blijkt dat verzoeker over drie ongestoorde bezoeken per maand beschikt, waarbij een gereserveerd ongestoord bezoek onder bepaalde voorwaarden kan worden geannuleerd, zonder dat hij dat gegeven bij zijn uiteenzetting betrekt.
Verzoeker wijstter adstructie van de spoedeisendheid eveneens op de negatieve doorwerking van de bestreden beslissing op zijn latere reclassering en op zijn kans op een uitgangsvergunning. Dat is vooreerst een louter hypothetisch nadeel nu zulks vooralsnog niet aan de orde.Voorts vormt het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank zich desgevallend een mening zal vormen over de omstandigheden en feiten die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtvervolging van verzoeker, geen rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Hetzelfde geldt wat de mogelijke invloed van de bestreden tuchtbeslissing betreft op de opmerkingen van het personeelscollege van de strafinrichting, wiens optreden zich immers situeert in het raam van de procedure tot het toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten.
8. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet in concreto aannemelijk maakt dat hij door de uitvoering van de tuchtstraf zich in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen.
9. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond.
VI. Conclusie
10. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
XIV-37.298-6/7
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.298-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.128