Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124 Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124 · Conseil d'État

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

Het beroep, ingesteld op 6 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van : “1) Het besluit van de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 26 februari 2015 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RUP Zonevreemde Bedrijven Ninove’ met kenmerk RUP/2012/GRUP/42/003;

Regeste Legislator

Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124 · Conseil d'État: Anders dan de verzoekende partij dit ziet, ligt geen schending van artikel 4.4.27 VCRO voor, nu het planologisch attest van 9 oktober 2012 het behoud en de beperkte uitbreiding op korte termijn van haar bedrijf als positief beoordeelt (zie randnummer 3.4). Het attest dient derhalve als een positief planologisch attest te worden beoordeeld. Dat dit attest de langetermijnbehoefte van verzoeksters bedrijf negatief beoordeelt, doet daaraan geen afbreuk, temeer nu verzoeksters aanvraag tot planologisch attest geen langetermijnbehoefte vooropstelt.

Mots-clés

Généré par l'IA
équipement de détail révision du plan d'affectation atteinte grave à un usage futur prévisible féries de poursuite non-renouvellement du contrat expiration du bail
Généré par l'IA
ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.115
Court dismisses appeal due to lack of interest because the applicant failed to submit a counter-memoir within the statutory deadline.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.848
Belgian court annuls municipal closure order due to failure to notify the business operator properly.
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.011
Court dismisses public interest arguments for late filing and dismisses specific means while reopening debates.
ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.182
Court dismisses urgent suspension request due to lack of concrete evidence proving extreme necessity.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.898
Belgian court annulates zoning permit refusal due to insufficient administrative motivation regarding building value versus decay. The court ruled that the administrative act failed to clearly explain why the building's patrimonial value outweighed the engineer's report on its dilapidation and insalubrity. Consequently, the permit refusal was declared void, and procedural costs were awarded to the applicant. The decision establishes that administrative decisions must explicitly justify the weighing of conflicting expert opinions and factual assessments. This case highlights the requirement for adequate motivation in planning decisions involving structural safety versus property value. The court emphasized that vague references to expert reports without specific reasoning constitute a violation of administrative law principles. Ultimately, the ruling ensures that citizens receive clear explanations for regulatory denials affecting their property rights.

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 237.124 van 24 januari 2017

in de zaak A. 216.648/X-16.314.

In zake : de BVBA VAN DEN BROUCK-SUTTER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de STAD NINOVE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 6 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van :

“1) Het besluit van de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 26 februari 2015 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RUP Zonevreemde Bedrijven Ninove’ met kenmerk RUP/2012/GRUP/42/003;

2) Het besluit van de gemeenteraad van de stad Ninove van 27 november 2014 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RUP Zonevreemde Bedrijven’ te Ninove.”

X-16.314-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 december 2016.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Deira Derijcke, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de eerste verwerende partij, en Leen Lippevelde, jurist, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

X-16.314-2/16

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij baat een schroothandel uit op een terrein, gelegen aan de Aalstersesteenweg 364 te Ninove, kadastraal bekend afdeling 1, sectie A, nrs. 207f2, 207k, 207l en 207m.

Dit terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan “Aalst-Ninove-

Zottegem-Geraardsbergen” gelegen in woongebied met landelijk karakter voor wat de eerste 50 meter betreft. Het achterliggende deel is volgens datzelfde gewestplan gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.

3.2. Op 20 december 2006 beslist de stad Ninove tot de opmaak van een BPA ‘Zonevreemde bedrijven’.

3.3. Voor de exploitatie van haar bedrijf beschikt de verzoekende partij over een milieuvergunning, afgeleverd door de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen op 9 augustus 2007.

Deze milieuvergunning bevat als voorwaarde dat de verzoekende partij in overleg met de stad en de beheerders van de wegeninfrastructuur een plan dient uit te werken om de verkeerssituatie ter hoogte van de inrit veiliger te maken. De verzoekende partij verwerft daartoe het naastliggende perceel, met de bedoeling om op dat perceel een parkeerruimte voor auto’s en vrachtwagens in te richten, evenals een uitrit van het bedrijf.

3.4. Bij besluit van 28 februari 2008 keurt de gemeenteraad van de stad Ninove de omvorming van het onder randnummer 3.2 vermelde, voorgenomen BPA naar een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zonevreemde bedrijven’ (hierna: het GRUP) goed.

X-16.314-3/16

Het bedrijf van de verzoekende partij is één van de bedrijven waarvoor het voorontwerp van het GRUP in een wijziging van de bestaande gewestplanbestemming voorziet.

3.5. De door de verzoekende partij voorgestane oplossing van de verkeersproblematiek met betrekking haar perceel, vereist een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning. Zij vraagt daaromtrent begin 2012 een planologisch attest aan.

3.6. Op 9 oktober 2012 verleent de stad Ninove een planologisch attest, dat met betrekking tot het behoud van verzoeksters bedrijf op de huidige locatie het volgende stelt:

“Standpunt met betrekking [tot] het behoud van het bedrijf op de huidige locatie Men wenst een bestendiging van de bestaande toestand.

Het huidige bedrijf is al tientallen jaren gevestigd op deze locatie, waarvoor de nodige bouw- en milieuvergunningen verkregen zijn.

Een volledige verplaatsing is momenteel niet haalbaar, gezien er geen geschikt bedrijventerrein beschikbaar is.

Bovendien wordt het geheel, in relatie met de uitbreiding die men op korte termijn vraagt, beter ingekleed en ingepast in de ruimtelijke omgeving.

De bedrijfsbestendiging kan gunstig geadviseerd worden.”

Wat de kortetermijnbehoefte van verzoeksters bedrijf betreft, stelt het planologisch attest:

“Standpunt met betrekking tot de uitbreiding op korte termijn:

Op korte termijn wenst men een uitbreiding van de bestaande toestand.

[...]

Door de herinrichting en de uitbreiding van het bedrijf wordt getracht een antwoord te geven aan enkele huidige problemen, waar het bedrijf mee kampt [...]

De voorgestelde uitbreiding op korte termijn overschrijdt de plaatselijke ruimtelijke draagkracht niet. [...]

• Een volledige verplaatsing van het bedrijf is op korte termijn bedrijfseconomisch moeilijk haalbaar, gezien er momenteel geen geschikte industriegrond beschikbaar is. Uiteraard is een herlokalisatie op lange termijn, wanneer de mogelijkheid zich voordoet, wel aangewezen.

Deze visie past in het beleidskader, dat bepaald is in het GRS voor zonevreemde bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden: de

X-16.314-4/16

maximale uitbreiding wordt bepaald door de draagkracht van het gebied, er zijn geen beperkingen voor de aard van de aktiviteiten in zoverre de ruimtelijke draagkracht niet overschreden wordt.

De kortetermijnbehoefte kan daarom gunstig geadviseerd worden, rekening houdende met de voorwaarden, gesteld door de adviesinstanties.”

Inzake de langetermijnbehoefte stelt het planologisch attest:

“Standpunt met betrekking tot de uitbreiding op lange termijn:

Een duidelijke langetermijnvisie ontbreekt. De aanvragers geven evenwel aan dat een herlocalisatie wenselijk/mogelijk is, wanneer de mogelijkheid zich voordoet.

Ook voor de Gecoro en voor de gewestelijke ambtenaar is het aangewezen dat het bedrijf zich op lange termijn herlocaliseert. Vandaar is het wenselijk een RUP op te maken dat de korte termijnuitbreiding vastlegt en dat eveneens op lange termijn een nieuwe nabestemming aan het terrein geeft, wanneer het bedrijf zich herlocaliseert.

De lange termijnbehoefte wordt negatief geadviseerd.”

3.7. Bij beslissing van 5 november 2013 verleent de stad Ninove een stedenbouwkundige vergunning aan de verzoekende partij voor het bouwen van een opslagloods overeenkomstig het eerder genoemde planologisch attest.

3.8. Op 23 januari 2014 vindt de plenaire vergadering over het voorontwerp van het GRUP plaats.

Deelplan 6 van dit voorontwerp heeft betrekking op het eigendom van de verzoekende partij. Het deelplan wijzigt de bestemming van het terrein van de verzoekende partij van ‘woongebied met landelijk karakter’ en ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ naar ‘zone voor bedrijfsgebouwen’ (artikel 6.1), ‘zone voor bedrijfsgebonden buitenruimte’ (artikel 6.2) en ‘zone voor buffer’ (artikel 6.3). Tevens krijgt het terrein in overdruk als nabestemming deels ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ (artikel 6.4) en deels ‘woongebied met landelijk karakter’ (artikel 6.5).

Het deelplan voorziet niet in een bepaling wanneer de nabestemmingen effectief gerealiseerd moeten worden.

X-16.314-5/16

3.9. In een advies van 23 januari 2014 dat ter gelegenheid van de plenaire vergadering wordt uitgebracht, stelt de dienst Ruimtelijke Planning van de provincie Oost-Vlaanderen met betrekking tot het deelplan 6 uitdrukkelijk de vraag “wanneer [...] de nabestemming [dient] gerealiseerd te worden”. Ruimte Vlaanderen wijst er in haar advies van diezelfde datum op dat “[u]it de praktijk blijkt” dat nabestemmingen “zelden of nooit worden gerealiseerd als er effectief bebouwing aanwezig is”, en dat “[b]epaalde nabestemmingen [...] in die zin niet haalbaar [lijken] te zijn”, waarbij onder meer uitdrukkelijk naar verzoeksters bedrijf wordt verwezen.

3.10. Op 24 april 2014 stelt de gemeenteraad van de stad Ninove het ontwerp-GRUP voorlopig vast, waarbij het volgende amendement ten aanzien van het voorontwerp met betrekking tot het deelplan 6 wordt aangenomen:

“In het deelplan 6 : Van Den Broeck/De Sutter, er wordt voorgesteld om bij voorschriften toe te voegen op pagina 61 bij punt 5.3.4.4 : De nabestemming gaat ten laatste in op 1/01/2025. Indien de kans zich voordoet voor herlokalisatie op een ander bedrijventerrein dienen de bedrijfsactiviteiten in de huidige zone te worden stopgezet van zodra de exploitatie op de nieuwe locatie van start gaat. Na de herlokalisatie dient de huidige zone volledig ontruimd en gesaneerd te worden in functie van de nabestemming.

De artikelen 6.1.1 en 6.2.1 worden in die zin gewijzigd. De onder randnummer 3.8 vermelde nabestemmingen gaan volgens de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften van het ontwerp-GRUP derhalve uiterlijk op 1 januari 2025 in.

3.11. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dat van 10 juni 2014 tot en met 8 augustus 2014 over het ontwerp-GRUP wordt gehouden, worden vier bezwaarschriften ingediend en vijf adviezen verstrekt.

Ook de verzoekende partij dient een bezwaarschrift in. Zij bekritiseert onder meer het feit dat het ontwerpplan een onvoorwaardelijke verplichting tot herlocalisatie van het volledige bedrijf tegen 1 januari 2025

inhoudt, met daaraan gekoppeld een tegen die datum verplicht te realiseren nabestemming. Zij meent dat de opname in de stedenbouwkundige voorschriften

X-16.314-6/16

van een datum voor een nabestemming tegen het verleende positief planologisch attest indruist en vraagt om de kwestieuze datum te schrappen.

3.12. Op 18 september 2014 verleent de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Ninove (hierna: de Gecoro), na bespreking van onder meer de bezwaren van de verzoekende partij, een advies over het ontwerp-GRUP. Met betrekking tot het deelplan 6 adviseert de Gecoro om het bezwaar van de verzoekende partij betreffende de datum van de te realiseren nabestemmingen in te willigen en dienvolgens de concrete datum uit de stedenbouwkundige voorschriften te schrappen. Meer bepaald adviseert zij wat volgt:

“Akkoord te gaan met het bezwaar van Agrius Advocatenkantoor i.v.m.

de aantasting van het rechtsbeginsel, waarbij voorgesteld wordt alle data te schrappen uit de stedenbouwkundige voorschriften. De GECORO blijft hier bij haar vorige advies, gegeven bij de plenaire vergadering van het RUP, waarbij zij geen bezwaar hadden tegen de ontwikkelingen op korte termijn en de nabestemming op lange termijn zonder dat hierbij een concrete datum vermeld werd.”

3.13. Het college van burgemeester en schepenen neemt op 7 en 23 oktober 2014 kennis van het advies van de Gecoro.

Naar aanleiding van dit advies stelt het college van burgemeester en schepen voor om het voorlopig vastgestelde GRUP met betrekking tot deelplan 6 aan te passen, in die zin dat de datum van ingang van de nabestemmingen behouden blijft op 1 januari 2025, maar met een eenmalige mogelijkheid tot verlenging tot 8 augustus 2027, zijnde de datum tot wanneer de lopende milieuvergunning geldig is.

3.14. Op 27 november 2014 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het GRUP definitief vast, overeenkomstig het voorstel van het college van burgemeester en schepenen.

Dit is het eerste bestreden besluit.

X-16.314-7/16

3.15. Bij besluit van 26 februari 2015 keurt de tweede verwerende partij het GRUP goed, doch onder meer met uitzondering van de mogelijkheid voorzien in de stedenbouwkundige voorschriften 6.1.1, 6.2.1 en 6.3.1 van deelplan 6 om de datum van ingang van de nabestemmingen eenmalig te verlengen tot 8 augustus 2027.

Dit is het tweede bestreden besluit.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4.1. De verzoekende partij roept in haar eerste middel de schending in van de artikelen 4.4.26, § 1 en 4.4.27 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: de VCRO), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook het redelijkheids-, vertrouwens-, zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel en het beginsel ‘patere legem quem ipse fecisti’.

Zij betoogt dat het bestreden GRUP verder gaat dan het haar op 9 oktober 2012 verleende gunstige planologisch attest. Immers acht dit attest de realisatie van een nabestemming wenselijk wanneer een alternatieve locatie beschikbaar is en de herlocalisatie uitgevoerd is. Het bestreden GRUP verplicht daarentegen de herlocalisatie tegen uiterlijk 1 januari 2025, waarbij ook de nabestemming dient gerealiseerd te zijn. Dit houdt in dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse ruimschoots voor eind 2024 moeten worden stopgezet. Het GRUP

houdt bovendien geen rekening met het bestaan van een herlocalisatiemogelijkheid, noch geeft het enige aanwijzing omtrent het voorhanden zijn daarvan, en dit ondanks het feit dat zij deze problematiek reeds in haar bezwaarschrift heeft aangekaart. Dit gaat volgens verzoekster in tegen artikel 4.4.27 VCRO.

X-16.314-8/16

Nu het bestreden GRUP afwijkt van het beleid dat uit het planologisch attest en de stedenbouwkundige vergunning van 5 november 2013

blijkt, acht de verzoekende partij ook het vertrouwens-, rechtszekerheids-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel miskend.

Voorts wijst de verzoekende partij erop dat haar bedrijf het enige bedrijf binnen de categorie 3 is, waaraan een verplichting tot herlocalisatie wordt opgelegd. Bij gebrek aan redelijke verantwoording voor dit verschil in behandeling, is ook het gelijkheidsbeginsel geschonden.

4.2. In haar memorie van wederantwoord betwist de verzoekende partij dat volgens het planologisch attest een herlocalisatie steeds vereist is, zelfs bij een ongewijzigde uitbating. De bedrijfsbestendiging en kortetermijnbehoefte werd gunstig geadviseerd, niet alleen omdat er geen geschikte mogelijkheid tot herlocalisatie zou zijn, maar ook omdat het geheel in de ruimtelijke ordening beter werd ingepast. Wel is het volgens verzoekster correct dat de realisatie van de langetermijnbehoefte ter plaatse niet mogelijk werd geacht, maar dit betekent volgens haar nog niet dat zij haar bedrijfsactiviteiten in 2025 sowieso moet herlocaliseren. Integendeel bevat het planologisch attest geen enkele voorwaarde die een herlocalisatie tegen een bepaalde datum veronderstelt.

De rechtspraak volgens dewelke het planologisch attest geen zekerheid biedt dat een vergunningsaanvraag zal worden ingewilligd, is volgens verzoekster in casu niet pertinent, aangezien zij de vereiste stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen. De rechtspraak die stelt dat de afgifte van een planologisch attest geen resultaatsverbintenis vormt voor het bekomen van een ruimtelijk uitvoeringsplan waarin de gevraagde bestemming wordt vastgelegd, kan niet verantwoorden dat de plannende overheid zich op geen enkele wijze door het planologisch attest gebonden acht en zelfs bestemmingen vastlegt die lijnrecht tegen het attest ingaan. Zulke afwijkende bestemmingen vereisen een wettelijke grondslag, minstens dienen er adviezen te zijn die een herlocalisatieplicht tegen een specifieke datum kunnen verantwoorden. Te dezen ontbreken beide.

X-16.314-9/16

Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, benadrukt de verzoekende partij dat zij wel degelijk met andere categorie 3-bedrijven te vergelijken is, nu haar bedrijf zelf als een categorie 3-bedrijf werd aangemerkt, zijnde een bedrijf met beperkte uitbreidingsmogelijkheden, en waarvoor een echte schaalvergroting niet toegelaten is. Het is discriminatoir om haar een verplichting tot herlocalisatie op te leggen, en de overige categorie 3-

bedrijven niet. Voor een dergelijk onderscheid bestaat volgens verzoekster geen redelijke verantwoording.

4.3. De verzoekende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat het GRUP geen concretisering van het planologisch attest doorvoert, maar een stap verder gaat en toevoegt dat zij de nabestemming tegen de vooropgestelde datum onvoorwaardelijk dient te realiseren. Zij betoogt dat noch in het planologisch attest, noch in het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, van een op voorhand vastgelegde datum sprake is. Er kan niet op ongemotiveerde wijze van het planologisch attest worden afgeweken.

Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, volgt volgens verzoekster uit de categorisering van bedrijven in het GRS

zelf, dat haar bedrijf met andere categorie-3 bedrijven vergelijkbaar is.

In zoverre “het tijdelijk behoud veronderstelt dat het bedrijf niet kan [...] behouden blijven na de vooropgestelde datum”, diende volgens de verzoekende partij artikel 4.4.27 VCRO te worden toegepast.

Beoordeling

5.1. De toentertijd geldende artikelen 4.4.26, § 1 en 4.4.27 VCRO

luiden:

‘“Artikel 4.4.26. § 1. Indien het planologisch attest besluit dat het bedrijf behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is, al dan niet met ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden, en als dat behoud of die ontwikkelingsmogelijkheden de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg veronderstellen, dan is het betrokken

X-16.314-10/16

bestuursorgaan ertoe verplicht om binnen het jaar na de afgifte van het planologisch attest een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg op te maken.

Indien het betrokken bestuursorgaan dat nalaat, dan wordt voor dat bestuursorgaan de mogelijkheid tot het voorlopig vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of tot het voorlopig aannemen van een plan van aanleg voor een ander bestaand bedrijf of voor een nieuw bedrijventerrein opgeschort, totdat alsnog voldaan is aan de rechtsplicht, vermeld in het eerste lid, tenzij het attest inmiddels vervallen is.’ ‘Artikel 4.4.27. Bij de afgifte van een attest dat het behoud van het bedrijf op de plaats waar het gevestigd is, uitsluit, bevestigt het bevoegde bestuursorgaan op het eerste verzoek van het bedrijf of er al dan niet een mogelijkheid tot herlocalisatie voorhanden is’.”

5.2. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, ligt geen schending van artikel 4.4.27 VCRO voor, nu het planologisch attest van 9 oktober 2012 het behoud en de beperkte uitbreiding op korte termijn van haar bedrijf als positief beoordeelt (zie randnummer 3.4). Het attest dient derhalve als een positief planologisch attest te worden beoordeeld. Dat dit attest de langetermijnbehoefte van verzoeksters bedrijf negatief beoordeelt, doet daaraan geen afbreuk, temeer nu verzoeksters aanvraag tot planologisch attest geen langetermijnbehoefte vooropstelt.

5.3. Verder kan het bestreden GRUP niet als strijdig met het planologisch attest van 9 oktober 2012 worden beschouwd, nu ook dit attest blijkt uit te gaan van een herlocalisatie van verzoeksters bedrijf op lange termijn en van de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan waarin een “nieuwe nabestemming” voor het terrein wordt vastgesteld (zie randnummer 3.4). Dat het bestreden GRUP de vereiste van herlocalisatie van verzoeksters bedrijf op lange termijn en de daarmee verbonden nabestemming aan een vaste datum - te dezen 1

januari 2025 - verbindt, houdt, anders dan de verzoekende partij dit ziet, geen strijdigheid maar een nadere concretisering van het planologisch attest in.

Bovendien houdt de afgifte van een positief planologisch attest, anders dan de verzoekende partij dit ziet, enkel een “middelenverbintenis” in om de procedure tot opmaak of herziening van een plan op te starten en geen

X-16.314-11/16

resultaatsverbintenis om de gevraagde nieuwe bestemming ook definitief vast te stellen.

Bijgevolg was er, anders dan de verzoekende partij dit ziet, ook geen uitdrukkelijke normatieve bepaling of advies vereist om in het GRUP de kwestieuze vaste datum voor herlocalisatie en nabestemming in te schrijven.

5.4. Verzoeksters betoog dat de met de stedenbouwkundige vergunning van 5 november 2013 vergunde werken en constructies aanzienlijke investeringen veronderstellen, en dat één en ander gelet op de verplichte herlocalisatie tegen 1 januari 2015 economisch onhaalbaar zou zijn, vermag de onwettigheid van het bestreden GRUP evenmin aan te tonen, en dit alleen al nu aan verzoekster sedert het planologisch attest van 9 oktober 2012 bekend was dat het behoud van haar bedrijf op de kwestieuze locatie enkel op korte termijn mogelijk was. Ook de stedenbouwkundige vergunning van 5 november 2013

vermeldt ten andere het tijdelijke karakter van de huidige localisatie.

5.5. Gelet op het voormelde, toont de verzoekende partij met haar uiteenzetting geen schending van het in het middel aangevoerde redelijkheids-, vertrouwens-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, materiëlemotiverings-, en ‘patere legem quem ipse fecisti’-beginsel aan.

5.6. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld, zonder dat er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor deze ongelijke behandeling. Het komt de verzoekende partij toe om dit in haar verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen, maar zij slaagt daar te dezen niet in. Integendeel beperkt zij zich in haar verzoekschrift tot de loutere vermelding dat deze andere bedrijven net als haar tot de categorie 3 behoren, zonder enige toelichting of concretisering.

Overigens heeft deze laatste categorie weliswaar beperkte uitbreidingsmogelijkheden, maar blijkt uit niets dat ze onbeperkt in de tijd zouden moeten gelden en dat een verplichte herlocalisatie op lange termijn is uitgesloten.

X-16.314-12/16

In zoverre de verzoekende partij een en ander nader toelicht in haar memorie van wederantwoord en laatste memorie, is dit laattijdig.

5.7. Het middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

6.1. In een tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 2.2.14, §§ 5 en 6, VCRO, alsook van het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel.

Zij betoogt vooreerst dat het bestreden GRUP, zoals zij in het eerste middel heeft uiteengezet, sterk afwijkt van het gunstig planologisch attest.

Ook wijst zij erop dat het bezwaar dat zij in dit verband heeft ingediend, door de Gecoro gegrond werd bevonden, en dat de Gecoro haar voorstel om de kwestieuze datum te schrappen, heeft aanvaard. De plannende overheid is daar volgens verzoekster zonder enige motivering aan voorbijgegaan.

Verzoekster besluit dat de verplichting tot herlocalisatie nochtans “in strijd is met 1) het planologisch attest [...], 2) de [in 2013] verleende stedenbouwkundige vergunning [...], 3) het advies van de GECORO n.a.v. de plenaire vergadering, 4) het advies van de GECORO na afsluiting van het openbaar onderzoek én 5) de door de verwerende partijen gehanteerde categorisering van bedrijven bij opmaak van het [GRUP] aan de hand waarvan kon worden bepaald of er al dan niet tot herlocalisatie van het bedrijf diende overgegaan te worden”.

6.2. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij nog op dat geen van de verwerende partijen ontkracht dat haar bezwaar onvoldoende werd beantwoord. Anders dan de eerste verwerende partij dit ziet, houdt zij in het middel niet voor dat zij verkeerdelijk in categorie 3 is ingedeeld.

X-16.314-13/16

Waar het om gaat is dat alleen zij de verplichting krijgt opgelegd om tegen een concrete datum te herlocaliseren. De eerste verwerende partij geeft toe dat het voorontwerp van het GRUP deze verplichting niet bevatte, maar stelt verkeerdelijk dat de “deadline” is opgenomen ingevolge adviezen en het planologisch attest zelf.

6.3. De verzoekende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat de bedrijven die behoren tot de categorie 0 verplicht moeten herlocaliseren, maar dat de bedrijven van categorie 3 een bestaansrecht op de huidige locatie met beperkte uitbreidingsmogelijkheden hebben. Zij wijst er ook op dat de “bindende deadline” niet is opgenomen ingevolge adviezen en het planologisch attest zelf, en betwist dat het bestreden GRUP een en ander zou motiveren. Ook stelt zij dat er geen concrete mogelijkheid tot herlocalisatie is.

Beoordeling

7.1. Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat het bestreden GRUP niet strijdig is met het planologisch attest, waar dit een vaste datum aan de vereiste van herlocalisatie van verzoeksters bedrijf en de daarmee verbonden nabestemming verbindt, maar dat dit integendeel als een nadere concretisering van het planologisch attest moet worden gezien.

7.2. De verzoekende partij toont verder niet aan dat de verplichting die het GRUP haar oplegt om tegen 1 januari 2025 te herlocaliseren, in strijd zou zijn met de stedenbouwkundige vergunning van 5 november 2013, waarin tevens op het tijdelijke karakter van verzoeksters huidige localisatie wordt gewezen, of met de indeling van haar bedrijf als een categorie 3-bedrijf. Deze laatste categorie heeft weliswaar beperkte uitbreidingsmogelijkheden, en kent geen beperkingen inzake de aard van de activiteiten in zoverre de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden, maar zoals gezien blijkt uit niets dat deze mogelijkheden onbeperkt in de tijd zouden moeten gelden en een verplichte herlocalisatie op lange termijn is uitgesloten.

X-16.314-14/16

7.3. Waar verzoekster erop wijst dat de Gecoro haar bezwaar, waarin zij heeft aangevoerd dat het GRUP strijdig is met het planologisch attest in zoverre dit een vaste datum voor de herlocalisatie en de nabestemming oplegt, gegrond heeft bevonden, en dat de Gecoro haar voorstel om een concrete datum te schrappen, heeft aanvaard, dient er vooreerst op gewezen dat verzoeksters standpunt ter zake, blijkens de beoordeling van het eerste middel, onterecht is, zodat het daarop gesteunde advies van de Gecoro evenzeer onterecht is.

De plannende overheid had dan ook goede gronden om aan het advies van de Gecoro voorbij te gegaan, en een vaste datum voor herlocalisatie en nabestemming te behouden. In dit verband kan bovendien gewezen worden op de adviezen van de dienst Ruimtelijke Planning van de provincie Oost-Vlaanderen en van Ruimte Vlaanderen, waaruit een vraag tot nadere concretisering in verband met de realisatie van de nabestemming op verzoeksters perceel mag blijken (zie randnummer 3.9). Het standpunt van de plannende overheid ter zake vindt voldoende steun in het dossier.

7.4. In zoverre verzoekster betoogt dat er thans geen concrete mogelijkheid tot herlocalisatie voorhanden is, is dit evenmin van aard het bestreden GRUP te vitiëren, gelet op de verplichting tot herlocalisatie tegen 1 januari 2025. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de keuze voor voormelde datum niet op goede gronden zou steunen.

7.5. Het middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij.

X-16.314-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.314-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.124