Court dismisses appeal for non-continuation of proceedings after rejected interim relief request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's appeal inadmissible due to a failure to request the continuation of proceedings within thirty days of the rejected interim relief order. The applicant had previously sought urgent suspension of a royal decree placing them on retirement but did not follow up after that request was denied. Consequently, the court applied the statutory presumption of abandonment of the legal action and dismissed the case.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Council of State Rules; Upon rejection of an interim relief request, a thirty-day period follows notification for continuing proceedings, after which a presumption of abandonment arises if no request is filed.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.111 van 23 januari 2017
in de zaak A. 220.531/XIV-37.225
In zake: Frank VAN SAELEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit nr. 1987 van 16 augustus 2016 waarbij verzoeker op datum van 1 juli 2016 op rust wordt gesteld.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 236.336 van 31 oktober 2016 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
Het genoemde arrest is op 3 november 2016 aan verzoeker ter kennis gebracht.
XIV-37.225-1/3
Op 21 december 2016 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
4. Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
5. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toepassing.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
XIV-37.225-2/3
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.225-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.111