Belgian court dismisses administrative appeal due to failure to submit counter-memoir within strict statutory deadline.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's administrative appeal because he failed to submit a counter-memoir within the mandatory sixty-day period. Although the applicant cited computer issues and claimed a personal interest in the case, the court found no valid excuse for the delay. Consequently, the court determined that the applicant lacked the requisite legal interest to pursue the annulment of the decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 21, second paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State; Article 14bis, § 1 of the General Rules of Procedure: Failure to submit a counter-memoir within the prescribed term results in the loss of legal interest, barring the appeal unless force majeure or irresistible error is proven.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 237.098 van 19 januari 2017
in de zaak A. 218.833/IX-8846
In zake: Tomas VANDEN BUSSCHE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Compernolle kantoor houdend te 8340 Damme Damse Vaart Oost 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B
Koning Albert II-laan 33 bus 15
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 maart 2016, strekt tot de nietigver-
klaring van “een beslissing van de Federale Overheidsdienst Financiën d.d. 29 januari 2016 waarbij een cumulatiemachtiging wordt geweigerd, en tegen het dispositief en een aantal daarin opgelegde voorwaarden en verboden, door diezelfde overheid opgelegd bij een beslissing van 29 januari 2016 waarbij een cumulatiemachtiging wordt verleend”.
IX-8846-1/6
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend.
De verzoekende partij heeft op 1 september 2016 een memorie van wederantwoord ingediend.
Respectievelijk op 23 september 2016 en 21 september 2016
heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
„tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedurereglement).
De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Koenraad Compernolle, die verschijnt voor de ver-
zoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973.
IX-8846-2/6
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van zijn gecoördineerde wetten stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederant-
woord niet eerbiedigt.
4. Bij het verzenden van de memorie van antwoord van de verwe-
rende partij aan verzoeker heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het voor-
melde artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement.
Verzoeker wordt geacht die melding op 1 juli 2016 te hebben ontvangen.
5. Verzoeker heeft pas op 1 september 2016 een memorie van wederantwoord ingediend, dit wil zeggen ná het verstrijken van de termijn van zestig dagen waarover hij krachtens artikel 7 van het algemeen procedureregle-
ment daarvoor beschikte.
6. In een brief van 10 oktober 2016, waarin hij de Raad van State vraagt om te worden gehoord, stelt verzoeker het volgende:
“Ik ontving in goede orde uw brief van 13 september 2016, waarbij wordt medegedeeld dat de memorie van wederantwoord niet tijdig werd ingediend.
Wegens het ontbreken van de nuttige browser voor kennisname van de brief, kon hiervan pas op 30 september 2016, en na vervanging en volledige updating van de PC-installatie van de raadsman van Verzoeker, kennis worden genomen.
Verzoeker vraagt u hierbij om te worden gehoord in deze procedure, waarvan het belang dat hij in zijn verzoekschrift liet gelden ontegensprekelijk vaststaat. Het is verzoeker trouwens bekend dat meerdere ambtenaren, net zo-
als hij tewerkgesteld bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, een gelijkaardig verzoekschrift hebben ingediend bij de Raad van State, handelend over gelijkaardige beslissingen van de admi-
nistratie, die door hen worden betwist. Zijn vraag om gehoord te worden ka-
IX-8846-3/6
der[t] bijgevolg niet alleen in zijn belang, maar ook in het belang van de rechtszekerheid.
Verzoeker verontschuldigt zich tegenover de Raad van State uitdrukkelijk voor de laattijdige kennisname van de brief van 13 september 2016.”
Ter terechtzitting verklaart verzoeker dat de pc-problemen waarvan hij melding heeft gemaakt in de voormelde brief van 10 oktober 2016
ook hebben verhinderd dat hij tijdig zijn memorie van wederantwoord heeft inge-
diend.
7. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 oktober 1990, waarbij huidig artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State initieel tot stand is gekomen, blijkt dat de wetgever “stringente”
gevolgen wenste te verbinden aan het niet respecteren van de termijn en dat onder geen beding een excuus voor het niet of het niet tijdig indienen van een memorie van wederantwoord zou worden aanvaard.
Dit komt neer op het instellen van een onweerlegbaar vermoe-
den, dat enkel door het bewijs van overmacht of onoverkomelijke dwaling onge-
daan kan worden gemaakt.
8. De uitleg van verzoeker in zijn brief van 10 oktober 2016 met betrekking tot de pc-problemen die hij heeft ondervonden om kennis te nemen van de brief van de griffie van de Raad van State van 13 september 2016 vermag alleszins niet te verklaren waarom hij de voorgeschreven termijn om een memo-
rie van wederantwoord in te dienen, die voor hem reeds verstreek op 30 augustus 2016, niet heeft kunnen respecteren.
Voor zover verzoeker ter terechtzitting laat gelden dat de pc-
problemen waarvan sprake in de voormelde brief, ook voordien al aanwezig wa-
ren en hem hebben verhinderd tijdig een memorie van wederantwoord in te die-
nen, moet erop worden gewezen dat deze loutere bewering niet in het minst is gestaafd. Hoe dan ook kan de noodzakelijk gebleken “vervanging en volledige IX-8846-4/6
updating van de PC-installatie van de raadsman van Verzoeker” niet worden be-
schouwd als overmacht – te weten een gebeurtenis die niets van doen heeft met verzoeker en die niet voorzien, verhinderd of overwonnen kon worden – noch als onoverkomelijke dwaling. Verzoeker heeft immers zelf voor de elektronische procedure gekozen en het blijkt helemaal niet dat het buiten zijn mogelijkheden lag om de bedoelde pc-installatie, zo nodig, tijdig daarvoor aan te (laten) passen.
9. Dat verzoeker in zijn voormelde brief van 10 oktober 2016 stelt “ook in het belang van de rechtszekerheid” op te treden, doet niets af aan de toe-
passing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Niet alleen immers vermag deze verzoeker het voorliggende beroep slechts te steunen op een persoonlijk belang, bovendien maakt artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij het bepalen van het gevolg van het laattijdig toesturen van de memorie van wederantwoord, geen onder-
scheid al naargelang de aard van het ingeroepen belang.
10. Er blijkt derhalve geen grond om de in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde sanctie niet toe te passen.
Krachtens deze wetsbepaling moet dan ook worden vastgesteld dat bij verzoeker het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
IX-8846-5/6
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bert Thys
IX-8846-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.098