Belgian State dismissed urgent suspension request regarding title downgrade in tax administration reorganization.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of a royal decree downgrading his title from 'district director' to 'advisor'. The applicant argued this change caused significant professional and organizational consequences, but failed to prove the decree was the direct cause. The court ruled that the applicant did not demonstrate the extreme necessity required to suspend the administrative act.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated laws on the Council of State; An urgent suspension request is only granted if the applicant proves the administrative act is illegal and its execution causes irreparable harm, which the applicant failed to establish.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 237.065 van 17 januari 2017
in de zaak A. 221.173/IX-8997
In zake: Karel ANTHONISSEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Coveliers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Edelinckstraat 17
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B
Koning Albert II-laan 33 bus 15
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 januari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “een K.B. van 18 december 2016 zoals vermeld in de brief van de Minister van Financiën dd 27 december 2016 aan mtr. Hugo Coveliers, advocaat van [Karel Anthonissen]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017, om 10u30.
IX-8997-1/13
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hugo Coveliers, die verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend ad-
vies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten en regelgevend kader
3.1. Verzoeker is bij koninklijk besluit van 22 juni 2009 benoemd in een betrekking waaraan de titel van gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur is verbonden. Hij is vanaf 1 juli 2009 ter beschikking gesteld van de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Gent.
3.2. In het kader van de reorganisatie van de Federale Overheids-
dienst Financiën (hierna: FOD Financiën) worden, luidens artikel 2, § 1, eerste volzin, 28°, van het koninklijk besluit van 19 juli 2013 ‘houdende de benoeming in de gemene loopbaan van de titularissen van een bijzondere titel in het niveau A en de toewijzing aan de personeelsleden van het niveau A van een functie opgenomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende de clas-
sificatie van de functies van niveau A’ de ambtenaren die op datum van inwer-
kingtreding van dit koninklijk besluit (1 september 2013) drager zijn van de titel ‘gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur’, ambtshalve drager van de titel van ‘adviseur’ en worden zij benoemd in de klasse A3 en bezoldigd in de weddeschaal A33.
IX-8997-2/13
In het verslag aan de koning bij dat besluit wordt in dit verband het volgende gesteld:
“De personeelsleden van de klasse A3 worden niet ambtshalve benoemd in de klasse A4. Vermits de definitieve functies verbonden aan de betrekkingen van de klassen A4 en A5 van cruciaal belang zijn voor de organisatie, wordt er de voorkeur aan gegeven om deze toe te kennen na incompetitiestelling, dit laat toe om na verificatie van de competenties van de kandidaten ervoor te zorgen dat de juiste ambtenaar op de juiste plaats zit.
[…]
De toekenning van sommige definitieve functies in de klassen A4 en A5
waarvoor zou blijken dat het wenselijk is om ze ook open te stellen voor kan-
didaten voor bevordering, zal gebeuren via een incompetitiestelling en op basis van een standaard selectieproces. Het selectieproces wordt gerealiseerd op basis van de functiebeschrijvingen en competentieprofielen.”
3.3. Op 22 augustus 2014 beslist de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie om verzoeker met ingang van 1 september 2014 aan te wijzen voor de gewestelijke directie van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Gent.
3.4. In het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2015 wordt de selectiepro-
cedure van betrekkingen in de klasse A4 – adviseur-generaal bij de buitendiensten van de FOD Financiën bekendgemaakt, waaronder vijf betrekkingen waaraan de functie is verbonden van adviseur-generaal – Strijd tegen de fiscale fraude – ge-
westelijk directeur of afdelingshoofd bij de buitendiensten van de algemene ad-
ministratie van de Bijzondere Belastinginspectie.
Verzoeker postuleert niet voor deze betrekkingen.
3.5. Bij de wet van 27 april 2016 ‘tot aanpassing van de bepalingen tot toekenning van titels en graden in de fiscale wetboeken en de wettelijke bepa-
lingen met betrekking tot de douane en accijnzen, en houdende diverse andere bepalingen’ wordt in de fiscale wetboeken en wettelijke bepalingen onder meer de titel van ‘gewestelijke directeur’ vervangen door de titel van ‘adviseur-generaal’.
IX-8997-3/13
Bij artikel 2 van de wet van 25 december 2016 ‘tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie’ wordt in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering eveneens de titel van ‘gewestelijk directeur’ ver-
vangen door de titel van ‘adviseur-generaal’.
3.6. Met een brief van 1 juni 2016 deelt de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie aan verzoeker het volgende mee:
“Aanduiding van de heer Karel Anthonissen tot het uitoefenen van be-
voegdheden mbt het dagelijks beheer van de gewestelijke directie Gent van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie De Wet van 27 april 2016 heeft de bepalingen tot toekenning van titels en graden in de fiscale wetboeken en de wettelijke bepalingen met betrekking tot de douane en accijnzen aangepast (B.S. 6 mei 2016).
Met het oog op de continuïteit van de dienst wordt de heer Karel Antho-
nissen aangeduid om alle taken mbt het algemeen beheer van de gewestelijke directie Gent van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastingin-
spectie uit te oefenen.
Die taken hebben zowel betrekking op het beheer van het personeel, het toezicht op de uitvoering van de opdrachten van de genoemde gewestelijke directie als op het uitoefenen van de bevoegdheden die door de fiscale wetge-
ving en door specifieke reglementering aan de titularis met de graad van advi-
seur-generaal worden toegewezen.
Deze aanduiding vangt aan op 1/06/2016 en loopt tot nader order.”
3.7. Met een brief van 1 december 2016 deelt de administra-
teur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie aan verzoeker onder meer het volgende mee:
“Gezien de incompetitiestelling, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2015, binnenkort zal leiden tot de benoeming van een Adviseur-generaal (A4) bij de AABBI onder meer in Gent, zal u met ingang van die datum niet langer uw huidige functie kunnen uitoefenen.
Gelet op uw ruime ervaring binnen de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie en uw uitgebreide kennis inzake de fraudebe-
strijding, wetende dat u houder bent van twee universitaire diploma’s (econo-
mische wetenschappen en rechten), meen ik dat u de aangewezen persoon bent om de hierna genoemde opdracht op te nemen die van groot belang is voor de aanpak van de fraude in het algemeen en voor de AABBI in het bijzonder.
IX-8997-4/13
U za1 hierbij rechtstreeks en uitsluitend onder mijn gezag blijven.
Deze opdracht, met een duurlooptijd van in principe drie jaar, kan al naar gelang van uw wensen uitgeoefend worden te Gent of in enige andere locatie waar de AABBI gevestigd is.”
3.8. Aangezien verzoeker deze opdracht niet aanvaardt, wordt hem bij brief van 8 december 2016 van de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie een andere opdracht gegeven.
Aangezien verzoeker ook deze opdracht weigert, wordt hem bij brief van 20 december 2016 van de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie nogmaals een andere opdracht voorgesteld.
3.9. Bij koninklijk besluit van 18 december 2016 wordt S.V.H. be-
noemd tot adviseur-generaal (klasse A4).
3.10. In antwoord op een brief van 6 december 2016 waarin de raadsman van verzoeker onder meer naar de stand van zaken vraagt in verband met de plaats van verzoeker in de FOD Financiën, deelt de minister van Financiën met een brief van 27 december 2016 aan de raadsman van verzoeker het volgende mee:
“Zoals u wellicht bekend is, heeft mijn departement een reeds jaren geleden aangevatte reorganisatie redelijk recent definitief afgerond. Deze reorganisatie hield niet alleen een herschikking van de diensten in maar tevens een herteke-
ning van de loopbanen.
Ter zake verwijs ik naar het koninklijk besluit van 19 juli 2013 houdende de benoeming in de gemene loopbaan van de titularissen van een bijzondere titel in het niveau A en de toewijzing aan de personeelsleden van het niveau A van een functie opgenomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende de classificatie van de functies van niveau A (B.S. 2 augustus 2013) dat o.a. de ambtshalve benoeming in de gemene loopbaan van de amb-
tenaren van het niveau A die titularis zijn van een bijzondere titel regelt. Op grond van artikel 2 van dit koninklijk besluit werden de gewestelijk directeurs (o.a. uw cliënt) ambtshalve drager van de titel van adviseur (klasse A3).
Ik wens bovendien uw aandacht te vestigen op het Verslag aan de Koning bij voornoemd koninklijk besluit waarin het volgende wordt bepaald:
‘De personeelsleden van de klasse A3 worden niet ambtshalve benoemd in de klasse A4.
IX-8997-5/13
Vermits de definitieve functies verbonden aan de betrekkingen van de klassen A4 en A5 van cruciaal belang zijn voor de organisatie, wordt er de voorkeur aan gegeven om deze toe te kennen na incompetitiestelling, dit laat toe om na verificatie van de competenties van de kandidaten ervoor te zorgen dat de juiste ambtenaar op de juiste plaats zit.’ Reeds op 22 januari 2015 tijdens een plenaire vergadering van de AABBI
werd een nakende incompetitiestelling van betrekkingen in de klasse A4, ad-
viseur-generaal (o.a. te Gent), in het vooruitzicht gesteld. Uw cliënt heeft toen kennelijk meegedeeld nooit aan deze benoemingsprocedures te zullen deelne-
men, waarvan tevens akte werd genomen door de aanwezigen.
In het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2015 werd de incompetitiestelling van verschillende betrekkingen in de klassen A2, A3, A4 en A5 gepubliceerd, waaronder de incompetitiestelling in de klasse A4 bij de Algemene Admi-
nistratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Gent.
Naar aanleiding van uw bericht van 15 juli 2015 werd u met een brief d.d.
25 augustus 2015 van de heer Voorzitter van het Directiecomité meegedeeld dat de heer Anthonissen zich effectief kandidaat dient te stellen indien hij een be-
noeming wenst te bekomen in de betrekkingen in de klasse A4 die in competitie werden gesteld met de publicatie in het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2015.
Uw cliënt heeft niet gesolliciteerd voor deze betrekkingen noch deelge-
nomen aan de selectieprocedure waardoor hij niet kon benoemd worden in een betrekking in de klasse A4 waaraan de titel van adviseur-generaal is verbonden.
De stelling in uw brief van 6 december 2016 dat de heer Anthonissen advi-
seur-generaal is bij de Algemene Administratie van de Bijzondere Belasting-
inspectie te Gent, is dan ook niet correct.
Voor zover als nodig kan worden opgemerkt dat ook in de andere algemene administraties (Fiscaliteit, Inning en Invordering) vergelijkbare betrekkingen in de klasse A4 in competitie werden gesteld (zie B.S. 9 juli 2015), waaraan kan-
didaten, die zich in exact dezelfde situatie als de heer Anthonissen bevonden, hebben deelgenomen en die nadien werden benoemd in de klasse A4.
Bij dit alles verwijs ik ook nog naar de wet van 27 april 2016 tot aanpassing van de bepalingen tot toekenning van titels en graden in de fiscale wetboeken en de wettelijke bepalingen met betrekking tot de douane en accijnzen, en hou-
dende diverse andere bepalingen (B.S. 6 mei 2016) waarmee in diverse fiscale reglementen het begrip ‘gewestelijk directeur’ werd vervangen door de term ‘adviseur-generaal’.
Ondertussen is de voornoemde selectieprocedure van betrekkingen in de klassen A4 afgesloten. Deze selectieprocedure resulteerde in een koninklijk besluit gedateerd op 18 december 2016.
Dit benoemingsbesluit dateert van een latere datum dan het benoemings-
besluit van de heer Anthonissen van 22 juni 2009. Volgens de hiërarchie der normen heeft een recenter koninklijk besluit voorrang op een ouder tegenstrij-
dig koninklijk besluit (lex posterior derogat priori). In die zin is er dan ook geen sprake van misbruik van gezag zoals in uw schrijven van 6 december 2016 werd aangehaald.
Het is bovendien ook logisch dat wanneer een personeelslid om welke re-
den dan ook beslist om niet deel te nemen aan een bevorderingsprocedure, de administratie ertoe streeft om betrokkene een specifieke functie toe te kennen
IX-8997-6/13
waarin rekening wordt gehouden met diens ervaring en expertise. Met een e-mail van 19 september 2016 heeft mijn kabinetschef trouwens aan de heer Anthonissen meegedeeld dat in zijn situatie de administrateur-generaal hem een nieuwe functie moet toewijzen.
En dit is juist wat [de] administrateur-generaal van de Algemene Admini-
stratie van de Bijzondere Belastinginspectie bij drie verschillende gelegenheden heeft gedaan waarbij rekening werd gehouden met de uitgebreide expertise en ervaring in het domein van de fraudebestrijding waarover de heer Anthonissen ongetwijfeld beschikt.
Voor de volledigheid wens ik nog te benadrukken dat de stelling dat de nieuwe graad van adviseur-generaal geen enkele verhoging inhoudt (noch in wedde noch in bevoegdheden), niet relevant en niet van toepassing is op de situatie van uw cliënt.
Tot slot zal u het met mij eens zijn dat in een grootschalige reorganisatie zoals die doorgevoerd bij de FOD Financiën onmogelijk kan gewacht worden op de definitieve opruststelling van alle personeelsleden die zich in een be-
paalde situatie bevinden.”
3.11. Bij beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 4 januari 2017 wordt S.V.H. vanaf 1 januari 2017 aangewezen in een betrekking bij de algemene administratie van de Bijzondere Belastingin-
spectie en wordt hem de standplaats Gent toegekend.
3.12. Met een missiebrief van de administrateur-generaal van de al-
gemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van 9 januari 2017
wordt S.V.H. belast met de algemene leiding van de gewestelijke directie van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Gent.
3.13. Met een brief van 10 januari 2017 van de administra-
teur-generaal van de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie wordt verzoeker met een nieuwe “missie” belast waarbij hij rechtstreeks en uit-
sluitend onder het gezag van de administrateur-generaal zal blijven. Die “missie”
luidt als volgt:
“U zal de functie van Adviseur managementondersteuning algemeen beheer (code ISA005) toegewezen krijgen. De functiebeschrijving vindt u in bijlage en zal het voorwerp uitmaken van een functiegesprek in het kader van de evalua-
tiecyclus. De specifieke taken en gedetailleerde doelstellingen worden opge-
nomen in het planningsgesprek. Beide gesprekken zullen in Brussel (North
IX-8997-7/13
Galaxy A05) plaatsvinden op 19 januari 2017 om 11h00. Uitnodigingen hiertoe vertrekken eerstdaags via elektronische weg. Mocht deze datum u niet schik-
ken, leggen we in gemeen overleg een andere afspraak vast.
In het algemeen zal uw missie erin bestaan om een allesomvattende studie te maken, waarin alle mogelijke elementen voor een geïntegreerde aanpak van de grootschalige fraude in ongeacht welk domein (fiscaal, sociaal, economisch, ...) aan bod zullen komen, en dit met het oog op de eventuele oprichting van een autonoom agentschap.
Hierna vindt u reeds een eerste insteek van de in het kader van uw bij-
zondere opdracht te behalen doelstellingen :
31.03.2017: inventaris en evaluatie van alle mogelijke thans bestaande sa-
menwerkingsverbanden tussen alle departementen die elk, vanuit hun eigen invalshoek, belast zijn met de aanpak van de georganiseerde fraude.
31.05.2017 : studie van de in de onderscheiden wetboeken opgenomen proce-
dureregels met concrete voorstellen tot maximale gelijkschakeling ervan.
31.07.2017 : studie van de in elk van de desbetreffende domeinen bestaande mogelijkheden inzake de internationale samenwerking.
30.09.2017 : studie van in twee van onze buurlanden toegepaste methoden van de vooropgestelde geïntegreerde aanpak.
31.12.2017 : oplevering van een werkdocument waarin, op grond van de eerder gedane opzoekingen, alle vereiste elementen (personeelsbestand, kwalificatie medewerkers, wetgeving, werkkader, structuur, hiërarchische aansturing, op-
volging, verantwoording, ...) detailmatig worden uiteengezet.
31.01.2018 : eindverslag omtrent de al dan niet opportuniteit voor de op-
richting van zulk een autonoom agentschap.”
IV. Nadere precisering van het voorwerp van het beroep
4. In zijn verzoekschrift omschrijft verzoeker zijn beroep als ge-
richt tegen “een K.B. van 18 december 2016 zoals vermeld in de brief van de Minister van Financiën dd 27 december 2016 aan mtr. Hugo Coveliers, advocaat van verzoeker”.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt en dit is op de terechtzitting door verzoeker uitdrukkelijk beaamd, dat het beroep gericht is tegen het koninklijk besluit van 18 december 2016 waarbij S.V.H. wordt benoemd tot adviseur-generaal (klasse A4).
Dat koninklijk besluit is het bestreden besluit.
IX-8997-8/13
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver-
werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een on-
derzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
7. Verzoeker voert ter staving van de uiterst dringende noodzake-
lijkheid aan dat hij “door de voorliggende beslissing dreigt […] onmiddellijk zonder titel en zonder bevoegdheid te vallen”. De gevolgen daarvan zouden “zowel voor hem als voor zijn medewerkers als voor de perceptie van de fraudebestrijding bijzonder ernstig zijn”. Ook stelt hij dat hij een positieve reputatie en gezag heeft opgebouwd als gewestelijk directeur binnen de algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Gent en dat “een nieuwe en definitieve defene-
stratie […] helemaal niet meer te herstellen[zou] zijn”.
IX-8997-9/13
Beoordeling
8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven.
Op verzoeker die aldus meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust te dezen de be-
wijslast om aan te tonen dat hij niet alleen bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden, maar hij moet tevens aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift wordt uiteengezet en gestaafd.
9.1. Verzoeker voert ter staving van de uiterst dringende noodzake-
lijkheid aan, dat hij ingevolge het bestreden besluit “onmiddellijk” zijn titel en zijn bevoegdheden zal verliezen.
9.2. Die uiteenzetting van verzoeker overtuigt niet. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, wordt met dit besluit geenszins geraakt aan zijn titel en zijn bevoegdheden. Door het bestreden besluit wordt enkel S.V.H. benoemd tot adviseur-generaal (klasse A4). Een andere draagwijdte heeft dat benoemingsbe-
sluit niet.
Verzoeker heeft niet deelgenomen aan de selectieprocedure die geleid heeft tot de benoeming van S.V.H.
IX-8997-10/13
Hij gaat er bovendien aan voorbij dat, zoals hiervóór reeds is vermeld, door het voornoemde koninklijk besluit van 19 juli 2013 de ambtenaren, die drager zijn van de titel ‘gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur’ ambts-
halve drager zijn geworden van de titel van ‘adviseur’. Het is dus ingevolge dat koninklijk besluit dat verzoeker drager is geworden van de titel ‘adviseur’ en daardoor zijn titel van gewestelijk directeur principieel heeft “verloren” en bij-
gevolg niet door het bestreden besluit.
Dat verzoeker op grond van artikel 4, eerste lid, van het ko-
ninklijk besluit van 19 juli 2013 tijdelijk de titel van ‘gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur’ behield als bijkomende titel bij de titel van adviseur, was enkel – zoals in die bepaling trouwens uitdrukkelijk wordt vermeld – met het oog op de uitoefening van de aan de titel van “gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur”
verbonden wettelijke en reglementaire bevoegdheden.
Bij de voornoemde wet van 27 april 2016 is echter in de fiscale wetboeken en wettelijke bepalingen de titel van ‘gewestelijk directeur’ vervangen door de titel van ‘adviseur-generaal’, waardoor de bevoegdheden die eertijds wa-
ren toegewezen aan een gewestelijk directeur na de inwerkingtreding van deze wet (16 mei 2016), voortaan zijn toegewezen aan een ‘adviseur-generaal’ en niet langer aan een ‘gewestelijk directeur’. Eenzelfde wijziging is trouwens doorgevoerd bij artikel 2 van de voornoemde wet van 25 december 2016 in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.
Het verlies van de bevoegdheden verbonden aan de titel van gewestelijk directeur, is derhalve evenmin een gevolg van het bestreden besluit.
10. Verzoeker voert ook nog aan dat het bestreden besluit ernstige gevolgen zal hebben voor zijn medewerkers en voor de perceptie van de fraude-
bestrijding, alsook dat een nieuwe en definitieve defenestratie niet meer te her-
stellen zou zijn.
IX-8997-11/13
Daargelaten de vraag of verzoeker dit alles als een persoonlijk belang kan inroepen, blijft verzoeker in gebreke aan te tonen dat voormelde ge-
volgen, voortvloeien uit het bestreden besluit en dat alleen een eventuele schorsing van dit besluit, deze gevolgen kan verhelpen.
11. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont.
12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin-
gende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro.
IX-8997-12/13
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bruno Seutin
IX-8997-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.065