Court dismisses appeal against administrative fine for vehicle overloading due to lack of substantive defense.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against an administrative fine of 1,050 EUR imposed for overloading a truck. The applicant argued the fine lacked proper motivation, but the court found no substantive legal defense was raised, only repetitive assertions. Consequently, the court upheld the original decision and ordered the applicant to bear the procedural costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 55bis et seq. of the Budget 1999 Act; The Council of State holds that an administrative fine for overloading is valid if the violation is established, even if the defendant fails to provide a justification or exemption, as mere stylistic criticism of the motivation does not constitute a valid legal ground for annulment.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 237.057 van 17 januari 2017
in de zaak A. 215.388/XII-8020
In zake: de NV TRANSPORT VEYS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4
Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Vanempten
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 18 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing genomen door de Administrateur-Generaal van het Agentschap Wegen en dd. 29 januari 2015 waarbij, in graad van beroep, aan verzoekster een administratieve geldboete van 1.050,00 EUR wordt opgelegd en dit op basis van de artikelen 55bis e.v. van het decreet van 19 december 1998
houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna: het Aslastendecreet) en het Decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur (hierna: het Decreet)”.
XII-8020-1/27
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2016.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Matthias Van Dievel, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 30 januari 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger die bestuurd wordt door een werknemer van de verzoekende partij door de
XII-8020-2/27
wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg E17 te Waregem. Bij de controle wordt vastgesteld dat de trekker van het geleed voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 1419 kg. Er wordt proces-
verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna afgekort: Aslastendecreet).
3.2. Op 13 maart 2014 beslist de procureur des Konings te Kortrijk dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
3.3. Op 26 mei 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1050 euro op te leggen.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partij toegezonden.
3.4. Op 5 juni 2014 tekent de verzoekende partij tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur “verzet” aan.
Op 6 juni 2014 wordt de verzoekende partij uitgenodigd voor een hoorzitting op 15 september 2014. De verzoekende partij is niet aanwezig of vertegenwoordigd op de hoorzitting, maar dient wel haar “besluiten in verzet” in.
Op 9 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1050 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partij toegezonden.
3.5. Op 24 oktober 2014 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 30 oktober 2014 wordt de verzoekende partij uitgenodigd voor een hoorzitting op 4 december 2014.
XII-8020-3/27
Op 29 januari 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1050 euro. Die beslissing wordt op 30 januari 2015
met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partij toegezonden.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 60, §§ 2 en 3, van het Aslastendecreet en van artikel 19, § 2 en 3, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeers-
infrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet Bijzonder Wegtransport), waarin vervaltermijnen voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep worden voorgeschreven. Volgens de verzoe-
kende partij werden die termijnen niet gerespecteerd. Er werd immers aan de verzoekende partij geen oproeping toegezonden voor de hoorzitting in graad van beroep, zodat geen rechtsgeldige hoorzitting kon plaatsvinden en binnen de door het decreet bepaalde termijn geen geldige beslissing werd genomen.
4.2. De memorie van wederantwoord beperkt zich tot de mededeling dat de verzoekende partij “volhardt in het geformuleerde middel”.
4.3. De laatste memorie beperkt zich tot: “Verzoekster volhardt in het eerste middel. De Raad dient het advies van de Auditeur te volgen en de bestreden beslissing te vernietigen.”
XII-8020-4/27
Beoordeling
4.4. In het auditoraatsverslag wordt het eerste middel beoordeeld als volgt:
“1. Ontvankelijkheid van het middel
De verwerende partij voert als exceptie aan dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur in graad van bezwaar, omdat dit onderdeel van het middel niet gericht is tegen de bestreden beslissing.
De memorie van wederantwoord bevat op dit punt geen repliek. Dit is opvallend aangezien de verzoekende partij met betrekking tot de excepties van onontvankelijkheid van sommige middelen meedeelt ‘dat deze excepties bij het betreffende middel zullen worden besproken’.
Verslaggever ziet geen reden om de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet aan te nemen.
2. Gegrondheid van het middel in de mate dit gericht is tegen de beslissing in graad van beroep
Het Aslastendecreet werd opgeheven bij artikel 23 van het Decreet Bijzonder Wegtransport.
Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de infra-
structuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013) bepaalt dat het Decreet Bijzonder Wegtransport in werking treedt op 1 maart 2014.
De bepalingen van het Aslastendecreet waarvan de schending wordt aangevoerd, waren derhalve opgeheven toen de bestreden beslissing in graad van beroep genomen werd.
Volgens de verzoekende partij zou de termijnregeling bepaald in artikel 19, § 3, van het Decreet Bijzonder Wegtransport niet zijn nage-
leefd, omdat zij niet werden uitgenodigd voor de hoorzitting in beroep.
Artikel 19, § 3, zesde lid, van het Decreet Bijzonder Wegtransport bepaalt:
‘De beslissing van de Vlaamse Regering of van de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, moet binnen een termijn van vier maanden nadat de Vlaamse regering of de
XII-8020-5/27
ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, het beroep ontvangen heeft, ter kennis worden gebracht van de overtreder en, in voorkomend geval, van de onderneming. Zo niet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend en wordt de geconsigneerde administratieve geldboete, in voorkomend geval, teruggestort. Als de overtreder of de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt die termijn verlengd tot vijf maanden.’
De vervaltermijn van vier maanden voor het nemen van de beslissing in beroep wordt dus berekend vanaf de ontvangst van het beroep. De vraag of de betrokkene al dan niet werd opgeroepen voor de hoorzitting heeft geen weerslag op die termijn. Er valt dan ook niet te begrijpen in welk opzicht het eventueel verzuim om de verzoekende partij op te roepen voor een hoorzitting tot het besluit kan leiden dat de vervaltermijn niet werd nageleefd.
Uit het administratief dossier blijkt overigens dat de uitnodiging voor de hoorzitting op 30 oktober 2014 naar de door de verzoekende partij gekozen woonplaats werd toegezonden en De Post bevestigd heeft dat de aangetekende zending aldaar op 3 november 2014 werd ontvangen.
Het eerste middel dient te worden verworpen.”
4.5. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in haar laatste memorie betoogt stelt de Auditeur in zijn verslag niet voor om het eerste middel gegrond te bevinden. Voorts beperkt de verzoekende partij er zich in deze memorie zonder meer toe te stellen: “Verzoekster volhardt in het eerste middel”.
Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
4.6. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het eerste middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
XII-8020-6/27
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.7. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
De verzoekende partij stelt dat de administratieve geldboete die wordt opgelegd wegens inbreuken op het Aslastendecreet een straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens de verzoekende partij voldoet de bestreden beslissing op verschillende punten niet aan de vereisten van artikel 6 EVRM.
De verzoekende partij is vooreerst van oordeel dat de bestreden beslissing artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM schendt, doordat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor door de wegeninspecteurs niet kon laten bijstaan door een raadsman. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – inzonderheid het arrest van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije – leidt de verzoekende partij af dat de verdachte vanaf het eerste verhoor moet worden bijgestaan door een raadsman en de rechten van de verdediging onherstelbaar geschaad worden wanneer in een strafprocedure gebruik gemaakt wordt van incriminerende verklaringen die zonder de bijstand van een advocaat werden afgelegd. Bovendien had de wegeninspectie de vrachtwagenbestuurder voor het verhoor moeten informeren over zijn recht om te zwijgen en zijn recht op bijstand van een advocaat (“cautieplicht”). De verdachte kan geen afstand doen van zijn recht op bijstand van een advocaat, zonder vooraf over zijn rechten te zijn geïnformeerd. De verzoekende partij wijst er voorts op dat de rechtspraak van het EHRM bindend is en rechtstreekse werking heeft. In een arrest van 13 oktober 2009 in de zaak Dayanan t/ Turkije is het Europees Hof trouwens nog een stap verder gegaan, aangezien het Hof daarin tot een schending van artikel 6, § 3, (c) juncto artikel 6, § 1, EVRM besloot wegens afwezigheid van de toegang tot een advocaat bij het verhoor, hoewel de betrokkene geen voor
XII-8020-7/27
hem belastende verklaringen had afgelegd. Uit dit arrest leidt de verzoekende partij af dat wanneer de vrachtwagenbestuurder zich niet door een advocaat kon laten bijstaan en niet aan de cautieplicht is voldaan, geen administratieve geldboete kan worden opgelegd. De verzoekende partij is bovendien van mening dat de argumenten die in de bestreden beslissing worden aangevoerd om de argumentatie van de verzoekende partij te verwerpen niet overtuigend zijn. In de bestreden beslissing wordt immers ten onrechte gesteld dat de vrachtwagen-
bestuurder niet gearresteerd was of formeel verhoord werd. De rechtspraak van het EHRM maakt immers geen onderscheid tussen verschillende categorieën van verhoor en de vrachtwagenbestuurder legde een verklaring af die in het kader van de strafprocedure en de administratieve procedure als bewijs kon worden gebruikt. Vervolgens is het argument dat de vrachtwagenbestuurder de mogelijk-
heid had om beroep te doen op juridische bijstand onjuist, omdat niet aan de cautieplicht was voldaan en de vrachtwagenbestuurder bijgevolg niet met kennis van zaken een verklaring kon afleggen. Ten slotte wijst de verzoekende partij ook het argument af dat de beslissing niet op de verklaringen van de vrachtwagen-
bestuurder gesteund was, aangezien de vraag of die verklaringen bij de bestreden beslissing hebben doorgewogen in het licht van het arrest Dayanan naast de kwestie is, wanneer blijkt dat het recht op bijstand van een advocaat en de cautieplicht werden geschonden.
Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat artikel 6, § 1, EVRM geschonden werd, doordat haar het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie wordt ontzegd. Uit een arrest van 11 juni 1986
van het Hof van Cassatie moet volgens de verzoekende partij worden afgeleid dat de rechten die door artikel 6 EVRM gewaarborgd worden niet alleen gelden bij het opleggen van de strafsanctie, maar ook tijdens het onderzoek. De wegeninspecteurs kunnen echter niet als onpartijdig en onafhankelijk worden beschouwd. Bovendien zijn ook de wegeninspecteur-controleur en de minister geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Ten slotte kan ook de Raad van State niet als een volwaardige rechtsmacht in de zin van artikel 6
EVRM worden beschouwd, aangezien deze enkel over een vernietigings-
XII-8020-8/27
bevoegdheid beschikt en geen volle rechtsmacht heeft. Zo hierover twijfel bestaat, dient volgens de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.
De verzoekende partij is voorts van oordeel dat artikel 6, § 1, EVRM eveneens geschonden wordt doordat de administratieve procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete niet openbaar is.
Ten slotte stelt de verzoekende partij dat artikel 6, § 3, (d)
EVRM geschonden werd, doordat bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete geen mogelijkheid bestaat om getuigen te ondervragen.
Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing naast de kwestie geantwoord dat niet gevraagd werd om een getuige te horen. Aangezien er daaromtrent niets in het Aslastendecreet geregeld is, is het immers volgens de verzoekende partij niet mogelijk om getuigen te horen.
4.8. In haar memorie van wederantwoord houdt de verzoekende partij staande dat artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM geschonden werd, doordat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor niet door een raadsman kon laten bijstaan. Hoewel de vrachtwagenbestuurder formeel niet gearresteerd werd, is er volgens de verzoekende partij toch minstens sprake van een feitelijke vrijheidsberoving, zodat hem een effectieve toegang tot een raadsman moest worden verleend. Wat de grief betreft dat zij geen toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, merkt de verzoekende partij op dat op grond van artikel 60, § 4, van het Aslastendecreet een vergoeding moet worden betaald om tot het hoger beroep te worden toegelaten en dat aldus een financiële drempel wordt opgeworpen. Bovendien vertraagt de administratieve fase de mogelijkheid om beroep te doen op een onpartijdige en onafhankelijke instantie, waardoor de bescherming die artikel 6
EVRM biedt, wordt uitgehold. De verzoekende partij stelt ten slotte vast dat de verwerende partij niet betwist dat de administratieve procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete, en in het bijzonder de behandeling van de zaak
XII-8020-9/27
tijdens de hoorzitting, niet openbaar verloopt. Het Aslastendecreet voorziet ook niet in de mogelijkheid om getuigen te ondervragen.
4.9. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich ertoe te stellen: “Verzoekster volhardt in het tweede middel”.
Beoordeling
4.10. In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel beoordeeld als volgt:
“1. Onder meer in het arrest nr. 226.858 van 21 maart 2014, BVBA
Koen Hollevoet-Lidou heeft de Raad van State wat het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie betreft, als volgt geoordeeld:
‘15. Aangenomen wordt dat de opgelegde administratieve boete een ‘strafrechtelijk’ karakter heeft, in de zin van artikel 6 EVRM.
Dit betekent dat die verdragsbepaling toepasselijk is op de procedure waarbij de gegrondheid van de tegen de verzoekende partij ingestelde vervolging werd vastgesteld en de boete werd opgelegd. Eén van die voorschriften is dat eenieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, wat volgens de verzoekende partij niet het geval was. Dit tweede onderdeel van het tweede middel wordt hierna in eerste instantie onderzocht.
16. In dit geval is een administratieve boete opgelegd door de wegeninspecteur-controleur, is het verzet daartegen verworpen door dezelfde wegeninspecteur-controleur en is het beroep tegen die laatste beslissing verworpen door de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Geen van deze overheden is een rechterlijke instantie, in de zin van artikel 6, § 1, EVRM.
17. Artikel 6 EVRM bepaalt evenwel niet dat de administratieve instanties die de boete hebben opgelegd of die kennis genomen hebben van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, § 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat (EHRM 17 april 2012, Steiniger t. Oostenrijk, nr.
21539/07, § 46).
XII-8020-10/27
18. Tegen de beslissing van de minister kan de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Er moet dan ook worden onderzocht of de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, § 1, EVRM.
19. Wanneer de Raad van State uitspraak doet in het kader van een beroep tot nietigverklaring, zoals in casu, oefent hij het volgende wettigheidstoezicht uit: hij mag uitspraak doen over de feitelijke zowel als de juridische geschilpunten, hij mag de juistheid, de pertinentie en de toelaatbaarheid van de motieven waarop de bestreden beslissing steunt nagaan en hij mag, specifiek in verband met de administratieve sancties, beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie.
Weliswaar mag de Raad van State zijn beslissing niet in de plaats stellen van die van het bestuur dat de administratieve geldboete heeft opgelegd. Dit neemt echter niet weg dat, wanneer hij de betrokken beslissing vernietigt, het bestuur verplicht is zich te conformeren aan het vernietigingsarrest en het, indien het een nieuwe beslissing neemt, de motieven van het vernietigingsarrest niet mag miskennen.
20. Op grond van die vaststellingen is de Raad van State van oordeel dat hij als rechter met volle rechtsmacht, in de zin van artikel 6 EVRM, over de zaak uitspraak doet. Dat standpunt werd overigens bevestigd door het Grondwettelijk Hof (zie onder meer GwH 18 november 2010, nr. 130/2010; 30 maart 2011, nr.
44/2011, B.10.1; 18 mei 2011, nr. 78/2011, B.6.2 en B.8) en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584).
21. De verzoekende partij vraagt dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld, die zij evenwel niet formuleert. Gelet onder meer op voornoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen.
22. De verzoekende partij voert aan dat haar recht om zich tot een rechter te wenden belemmerd wordt door de financiële drempel bepaald in artikel 60, § 4, laatste lid, van het Aslastendecreet en dat de mogelijkheid tot uitoefening van dat recht bovendien vertraagd wordt door de verplichting om vooraf een administratief beroep in te stellen. Daargelaten de vraag of deze grief geformuleerd in de memorie van wederantwoord ontvankelijk is, houdt het door artikel 6, § 1, EVRM gewaarborgde recht van toegang tot een rechter niet in dat een verzoekende
XII-8020-11/27
partij aan geen enkele voorwaarde om in rechte te treden onderworpen mag worden. Een financiële drempel is op zich niet onverenigbaar met dat recht. Blijkens artikel 60, § 4, laatste lid, van het Aslastendecreet is het beroep bij de Vlaamse regering slechts ontvankelijk als blijkt dat de betrokkene een vergoeding voor dossierkosten heeft betaald.(Thans artikel 19, § 4, tweede lid, van het Decreet Bijzonder Wegtransport). Deze vergoeding bedroeg voor de verzoekende partij 75 euro. (Zie thans artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013). Dergelijke vergoeding kan in redelijkheid niet als een financiële drempel worden gezien die de verzoekende partij zal verhinderen haar rechten te doen gelden. Voormelde vergoeding is ook niet buiten verhouding tot het nagestreefde doel: namelijk een vergoeding voor dossierkosten. Het recht op toegang tot de rechter wordt hierdoor geenszins belemmerd.
In het Aslastendecreet wordt voorts in voldoende waarborgen voorzien opdat de administratieve procedure met bekwame spoed zou worden afgehandeld en het recht op toegang tot de rechter niet nodeloos wordt belemmerd. Wanneer tegen de aanvankelijke beslissing van de wegeninspecteur-controleur verzet wordt aangetekend en vervolgens tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur beroep bij de Vlaamse regering wordt ingesteld, wordt de beslissing waarbij de administratieve geldboete werd opgelegd geschorst. De administratieve geldboete vervalt stilzwijgend indien de beslissing van de wegeninspecteur-
controleur niet binnen dertig dagen na de hoorzitting aan de overtreder wordt meegedeeld. Hetzelfde geldt indien de beslissing van de bevoegde minister niet binnen vier maanden na het instellen van het beroep aan de overtreder wordt meegedeeld.
De argumenten van de verzoekende partij in verband met het belemmeren van het recht om zich tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie te wenden, missen bijgevolg feitelijke grondslag.
23. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond.’
Aangezien het tweede onderdeel van het middel in de onderhavige zaak in identieke bewoordingen is geformuleerd kan het volstaan naar de voormelde overwegingen van het arrest nr. 226.858 te verwijzen.
2. In verband met het recht op bijstand door een advocaat oordeelde de Raad van State in het voormeld arrest nr. 226.858 van 21
maart 2014 als volgt:
‘24. De verzoekende partij voert in het eerste middelonderdeel aan dat artikel 6, § 3, c, juncto artikel 6, § 1, EVRM is
XII-8020-12/27
geschonden, doordat de bestuurder zich bij zijn verhoor niet heeft kunnen laten bijstaan door een advocaat.
Daargelaten de vraag of de verzoekende partij zich in casu wel kan beroepen op de miskenning van een recht in hoofde, niet van haarzelf, maar van haar chauffeur, moet in verband met het recht op bijstand erop worden gewezen dat het slechts kan ontstaan bij het effectieve verhoor van een verdachte en niet bij gelijk welke verzameling van inlichtingen en bewijselementen die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen. In casu hebben de wegeninspecteurs bij de redactie van het aanvankelijke proces-
verbaal op 13 maart 2012 inlichtingen verzameld betreffende onder meer de aard van het transport en de identiteit van de vrachtwagenbestuurder. Zij hebben desbetreffend een schriftelijke vragenlijst laten invullen waarin eerder beperkte informatie werd gevraagd en waarbij niet wordt betwist dat de vrachtwagen-
bestuurder op geen enkel ogenblik van zijn vrijheid werd beroofd en na de wegcontrole mocht beschikken en zijn rit met zijn geleed voertuig verder zetten (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, B.5.5).
25. In het Salduz-arrest heeft het EHRM de grenzen afgebakend waarbinnen het recht op bijstand van een advocaat geldt. Het geldt in beginsel vanaf de initiële ondervraging door de politie. Het recht van verdediging wordt onherstelbaar geschonden wanneer bezwarende verklaringen die tijdens het politieverhoor zijn afgelegd zonder dat de betrokkene toegang had tot een advocaat, als bewijs gebruikt worden bij een veroordeling (EHRM 27 november 2008, Salduz t. Turkije, nr. 36391/02, § 52).
Volgens het arrest Dayanan geldt het recht op bijstand ook wanneer een verdachte wordt aangehouden (EHRM 13 oktober 2009, Dayanan t. Turkije, nr. 7377/03, § 1), met die nuancering dat volgens het arrest Zaichenko, een verhoor tijdens een wegcontrole niet als een vrijheidsberoving wordt gezien wanneer de rol van de verbalisanten vrij beperkt is en het strafonderzoek pas geopend werd na de toezending van het verslag of het proces-
verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid (EHRM
18 februari 2010, Zaichenko t. Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 49), wat in casu het geval is (zie ook GwH 14 februari 2013, nr.
7/2013, B.8.2).
De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft de rechtspraak van het EHRM als volgt geduid (Adv.RvS 49.413/AV
van 19 april 2011, Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 53-1279/2, 11):
‘dit recht [moet] niet enkel in het stadium van het proces voor het vonnisgerecht […] worden gewaarborgd, maar reeds […] vanaf de eerste verhoren door de politie, althans indien volgens het toepasselijke nationaal recht bewijswaarde kan worden gehecht aan de verklaringen die
XII-8020-13/27
de verdachte in die eerste stadia aflegt. De redenen voor de toepassing van de bedoelde waarborg in de stadia voorafgaand aan het eigenlijke proces zijn, enerzijds, het belang van de bewijsgaring tijdens het voorafgaand onderzoek voor het onderzoek op het proces zelf en, anderzijds, de bijzondere kwetsbaarheid waarin de verdachte zich aan het begin van de procedure bevindt.’
26. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 23 november 2010 de beginselen die het EHRM geformuleerd heeft, naar het interne recht vertaald. Er is aangenomen dat het recht op bijstand inhoudt dat de verdachte, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet hebben tot een advocaat, dat het recht op een eerlijk proces geschaad is wanneer incriminerende verklaringen, die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, gebruikt worden voor een veroordeling, maar dat zulks niet absoluut geldt, aangezien het eerlijk karakter van het proces gewaarborgd blijft wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond of aan de kwetsbare positie op passende wijze is geremedieerd. Het Hof oordeelt dat de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak moet nagaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor het recht op een eerlijk proces onherstelbaar heeft aangetast en of de afgelegde verklaringen het verloop van het proces zodanig hebben beïnvloed dat dit geen ernstig karakter meer zou vertonen (Cass. 23 november 2010, RW 2011-2012, 308-314, met conclusie van advocaat- generaal P. Duinslaeger).
De Raad van State valt die rechtspraak bij en past ze op de huidige zaak toe.’
In de voorliggende zaak moet rekening gehouden worden met de volgende feiten en omstandigheden.
Uit het aanvankelijk proces-verbaal van 30 januari 2014, opgesteld door de wegeninspecteurs van het Agentschap Wegen en Verkeer, blijkt dat laatstgenoemden de asoverlading hebben vastgesteld met een door de metrologische dienst gecontroleerde asweger. De overlading wordt door de verzoekende partij niet betwist. De wegeninspecteurs vermeldden tevens de identiteit van de vennootschap die burgerlijk aansprakelijk is voor de overlading, zijnde de verzoekende partij, en de identiteit van de vrachtwagenbestuurder die de werknemer was van de verzoekende partij.
XII-8020-14/27
De vrachtwagenbestuurder bevestigde dat hem geen middelen ter beschikking werden gesteld om onmiddellijk het gewicht van de lading na te gaan en dat hij niet op de hoogte was van de overlading. De bestuurder betwistte de inbreuk niet.
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat het de materiële vaststellingen in verband met de overlading zijn en niet de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder die aan de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete ten grondslag liggen.
Bovendien houdt de afwezigheid van een advocaat op het tijdstip van de vaststellingen bij de weging van het voertuig door de asweger en op het moment dat de vrachtwagenbestuurder een verklaring aflegt, geen schending in van artikel 6 EVRM, aangezien uit het aanvankelijk proces-
verbaal van 30 januari 2014 blijkt dat een afschrift van dit proces-verbaal en een vragenlijst aan de verzoekende partij werd toegestuurd. De verzoekende partij had aldus de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen na ontvangst van voornoemde documenten. Zowel tijdens de bewaarprocedure als de beroepsprocedure kon de verzoekende partij zich laten bijstaan door een advocaat van haar keuze.
Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond.
3. Wat betreft het derde onderdeel van het middel kan eveneens verwezen worden naar het voormeld arrest nr. 226.858 van 21 maart 2014:
‘28. In zoverre de verzoekende partij in het derde onderdeel van het middel aanvoert dat artikel 6, § 1, EVRM is geschonden, doordat noch de wegeninspecteurs, noch de wegeninspecteur-
controleur, noch de Vlaamse minister beschouwd kunnen worden als onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instanties, of dat de procedure niet in het openbaar werd gevoerd, wordt erop gewezen dat niet is vereist dat de beslissende instanties in een administratieve procedure moeten voldoen aan alle vereisten die gesteld worden aan een rechterlijke instantie, mits tegen hun beslissing beroep openstaat bij een rechterlijke instantie die wel aan die vereisten voldoet. De Raad van State is een rechterlijke instantie die aan de bedoelde vereisten voldoet en in dit verband wordt bovendien vastgesteld dat de verzoekende partij niet aantoont dat voornoemde instanties hebben doen blijken van partijdigheid en evenmin dat zij niet onafhankelijk zouden zijn opgetreden. Wat voorts de grief betreft dat de administratieve procedure niet in het openbaar werd gevoerd, zij vastgesteld dat bij de Raad van State de openbare behandeling gegarandeerd is.
In zoverre de verzoekende partij ten slotte aanvoert dat artikel 6, § 3, d, EVRM is geschonden, doordat zij tijdens de
XII-8020-15/27
administratieve procedure niet in de gelegenheid is gesteld om getuigen te ondervragen, wordt opgemerkt dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 13 maart 2012 van de wegeninspecteurs, de persoon die verhoord wordt, om een getuigenverhoor kan vragen.
Uit het dossier blijkt niet dat de bestuurder of de verzoekende partij heeft verzocht om het horen van een getuige, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen.
Het derde onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen.’
Te dezen wordt in het proces-verbaal van 30 januari 2014 van de wegeninspecteurs eveneens vermeld dat de betrokkene kan vragen dat een getuigenverhoor wordt afgenomen. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de verzoekende partij of de bestuurder van het voertuig heeft gevraagd om een getuige te horen, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen.
4. Het tweede middel is niet gegrond.”
4.11. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoekster volhardt in het tweede middel”. Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
4.12. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het tweede middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
4.13. In een derde middel voert de verzoekende partij aan dat de inbreuk niet aan haar toerekenbaar is. Als rechtspersoon kan zij zich immers niet op de openbare weg bevinden, zodat niet valt in te zien hoe zij een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet kan hebben begaan. Volgens de verzoekende
XII-8020-16/27
partij wordt in de bestreden beslissing ten onrechte verwezen naar artikel 5 van het Strafwetboek. Die bepaling kan immers niet worden toegepast in het kader van een administratieve procedure en is door het Aslastendecreet niet toepasselijk verklaard.
De verzoekende partij laat voorts gelden dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat zij als rechtspersoon aanspreekbaar zou zijn in het kader van het Aslastendecreet, het moreel bestanddeel van het misdrijf moet worden bewezen. Ter zake wordt in de bestreden beslissing gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om overlading te vermijden.
Volgens de verzoekende partij wordt de bewijslast aldus op onwettige wijze omgekeerd.
De verzoekende partij vervolgt dat in de bestreden beslissing ten onrechte gesteld wordt dat zij nalatig was omdat zij de vrachtwagen-
bestuurder geen middelen ter beschikking heeft gesteld om de massa van het voertuig te meten. Er bestaat immers geen wettelijke of reglementaire verplichting om de vrachtwagenbestuurder weegmiddelen ter beschikking te stellen. Het niet ter beschikking stellen van weegmiddelen kan dan ook niet als een bewijs van haar nalatigheid worden beschouwd.
4.14. De memorie van wederantwoord en de laatste memorie beperken zich tot de mededeling dat de verzoekende partij “volhardt in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.15. In het auditoraatsverslag wordt het derde middel beoordeeld als volgt:
‘1. Onder meer in het arrest nr. 226.858 van 21 maart 2014 inzake BVBA Koen Hollevoet–Lidou heeft de Raad van State een vergelijkbaar middel als volgt beoordeeld:
XII-8020-17/27
‘31. Luidens artikel 55bis, 5°, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij artikel 144 van het decreet van 12 december 2008, dient onder een ‘overtreder’ te worden verstaan de “natuurlijke of rechtspersoon die een inbreuk op artikel 56 begaat of in voorkomend geval als opdrachtgever of verlader optreedt”.
In de memorie van toelichting bij het wijzigend decreet van 12
december 2008 werd de wijziging van artikel 55bis, 5°, van het Aslastendecreet als volgt verduidelijkt (Parl.St. Vlaams Parlement 2007-08, nr. 1816/1,38):
‘Deze wijziging verbetert de definitie van ‘overtreder’ in die zin dat naast de natuurlijke persoon, die als materiële dader van het misdrijf wordt aanzien, ook eventueel de werkgever als rechtspersoon als overtreder kan bestraft worden. Overeenkomstig artikel 5 Sw. kunnen immers ook rechtspersonen strafrechtelijk verantwoorde-
lijk gesteld worden voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van hun doel of de waarneming van hun belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor hun rekening zijn gepleegd.
Tijdens de redactie van het wijzigingsdecreet van juni 2005 werd de definitie van overtreder, ten onrechte, beperkt tot natuurlijke personen. Voor deze wijziging was het wel mogelijk om een administratieve geldboete op te leggen aan rechtspersonen. Het is nooit de bedoeling van de decreetgever geweest dit in te perken. Hierover is immers niets terug te vinden in de voorbereidende werken van het decreet van 24 juni 2005.’
Uit het voorgaande blijkt duidelijk de wil van de decreetgever om een regeling uit te werken waarbij, benevens natuurlijke personen, ook rechtspersonen gesanctioneerd kunnen worden wegens het overtreden van de bepalingen van het Aslastendecreet. Het Aslastendecreet zelf voorziet in het voormelde artikel 55bis, 5°, zoals gewijzigd bij artikel 144 van het decreet van 12 december 2008, uitdrukkelijk dat een rechtspersoon een ‘overtreder’ kan zijn in de zin van het Aslastendecreet. De sanctionering berust, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, dan ook niet op artikel 5 van het Strafwetboek, maar op het Aslastendecreet zelf.
32. De fysieke onmogelijkheid voor een rechtspersoon om zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden staat er niet aan in de weg dat aan een rechtspersoon een administratieve geldboete wegens een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet wordt opgelegd. Immers worden de aan de
XII-8020-18/27
chauffeur ten laste gelegde feiten aan de rechtspersoon toegerekend. Te dezen wordt niet betwist dat de chauffeur van het overladen voertuig op het ogenblik van de feiten ‘handelde in naam en voor rekening van de rechtspersoon’.
33. Evident kan een overtreding ook aan een rechtspersoon slechts worden toegerekend indien zowel het materieel als het moreel bestanddeel van het misdrijf in zijn hoofde bewezen wordt.
Wel heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest aangenomen dat de schuld kan afgeleid worden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt (arrest nr. P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 van 8 oktober 2002).
De Raad van State valt deze rechtspraak bij.
34. Wat de inbreuk bedoeld in artikel 56 van het Aslastendecreet betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat nagegaan moet worden of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan verweten worden.’
Zoals hiervoor werd vermeld, is het Aslastendecreet sinds 1 maart 2014
vervangen door het Decreet Bijzonder Wegtransport.
Artikel 2, 3° van het Decreet Bijzonder Wegtransport bepaalt dat in dit decreet onder overtreder wordt verstaan: de ‘natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan’.
Die bepaling werd in de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet als volgt verduidelijkt:
‘Een aantal begrippen wordt gedefinieerd. Een aantal definities wordt overgenomen uit het Aslastendecreet inzake de strafbepalingen, het toezicht, de administratieve geldboete en procedure.
Met betrekking tot de definitie van overtreder dient te worden verduidelijkt dat onder overtreder zowel de chauffeur van het in overtreding zijnde voertuig als zijn werkgever als de opdrachtgever en de verlader begrepen kan worden.’
Zoals onder het Aslastendecreet kan ook onder het Decreet Bijzonder Wegtransport de inbreuk die door de chauffeur werd begaan, aan de rechtspersoon worden toegerekend.
XII-8020-19/27
2. Wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft, bevat de bestreden beslissing de volgende motivering:
‘Het misdrijf omschreven in artikel 56 van voornoemd decreet bestaat, net als alle andere misdrijven, uit een materieel en een moreel element;
Wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval, bestaat de schuld uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm heeft uitgesloten, wat hij in casu niet deed;
De ondergrens inzake het moreel element bestaat bijgevolg uit onachtzaamheid;
De schuld kan afgeleid worden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van recht-
vaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt;
Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat er een dergelijke rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond aanwezig is;
Het moreel element van het misdrijf is bewezen.’
Aangezien de verzoekende partij geen grond van rechtvaardiging of een schulduitsluitingsgrond heeft aangevoerd, heeft de verwerende partij uit het feit zelf van de overtreding de schuld van de verzoekende partij kunnen afleiden.
3. Het derde middel is niet gegrond.”
4.16. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoekster volhardt in het geformuleerde middel”.
Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
4.17. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het derde middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
XII-8020-20/27
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
4.18. In een vierde middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de artikelen 10
en 11 van de Grondwet schendt. Daarnaast voert zij de schending aan van artikel 56 van het Aslastendecreet.
De verzoekende partij is van oordeel dat artikel 56 van het Aslastendecreet het legaliteitsbeginsel in strafzaken schendt, doordat uit de tekst van die bepaling niet blijkt wat onder het begrip “het bij de goedkeuring vastgestelde maximum” moet worden verstaan en de rechtsonderhorige niet kan weten waarop dit begrip slaat.
Vervolgens stelt de verzoekende partij dat er ten nadele van de Belgische voertuigen en hun bestuurders een discriminatie bestaat, aangezien het mogelijk is dat in België buitenlandse voertuigen rijden met hogere asgewichten dan die waarvoor zij in het land van herkomst ingeschreven zijn.
De verzoekende partij is ten slotte van mening dat de wegeninspecteurs het bij de goedkeuring vastgestelde maximum niet op correcte wijze hebben nagekeken, aangezien uit het proces-verbaal blijkt dat zij dat gegeven hebben overgenomen van de technische fiche van het voertuig, het identificatieverslag, het identificatieplaatje of het inschrijvingsbewijs, terwijl het correcte document, namelijk het proces-verbaal van goedkeuring, nergens vermeld wordt en de verbalisanten dat document niet hebben nagekeken.
4.19. De memorie van wederantwoord en de laatste memorie beperken zich tot de mededeling dat de verzoekende partij “volhardt in het geformuleerde middel”.
XII-8020-21/27
Beoordeling
4.20. In het auditoraatsverslag wordt het vierde middel beoordeeld als volgt:
‘1. Wat betreft de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken
De Raad van State is niet bevoegd om artikel 56 van het Aslastendecreet te toetsen aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken.
De naleving van het wettigheidsbeginsel in strafzaken kan wel worden beoordeeld door het Grondwettelijk Hof. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken wordt immers gewaarborgd door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof oordeelt daarover als volgt:
“B.9.3. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwettelijke en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.
Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien
XII-8020-22/27
nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.
Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden.’
De verzoekende partij vraagt niet dat in verband met dit onderdeel van het middel een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. In haar uiteenzetting komt zij trouwens niet verder dan tot het formuleren van een aantal opmerkingen bij het artikel van K. Vanschoren, ‘Het Aslastendecreet – Materieel element van het misdrijf’, VAV 2006, afl. 3, 478, zonder die opmerkingen op pertinente wijze te betrekken op de bestreden beslissing. De verzoekende partij geeft overigens geen repliek op de exceptie van de verwerende partij dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is. Verslaggever is dan ook van oordeel dat er geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
2. Wat betreft de discriminatie ten aanzien van bestuurders van buitenlandse voertuigen
In zover de verzoekende partij aanklaagt dat de bestuurders van in België ingeschreven voertuigen gediscrimineerd worden ten opzichte van de bestuurders van buitenlandse voertuigen, dient te worden opgemerkt dat voor beiden het verbod geldt om het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt.
Artikel 32bis 1.4. van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (afgekort: KB Technische Eisen) bepaalt de maximaal toegelaten massa en asdruk voor voertuigen.
Wat betreft de in het buitenland ingeschreven voertuigen bepaalt artikel 2, § 4, van het KB Technische Eisen:
‘§4. De in het buitenland ingeschreven motorvoertuigen moeten, om in België tot het verkeer op de openbare weg te worden toegelaten, voldoen aan de technische eisen opgenomen in de Internationale conventie inzake het wegverkeer.
XII-8020-23/27
Dit geldt eveneens voor de buitenlandse aanhangwagens die erdoor getrokken worden of die getrokken worden door een in België ingeschreven motorvoertuig.
Op gebied van massa's en afmetingen moeten deze voertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 32bis.’
Het tweede onderdeel van het middel gaat er bijgevolg ten onrechte van uit dat artikel 56 van het Aslastendecreet wat betreft de maximaal toegelaten massa een onderscheid maakt naargelang het voertuig in België of in het buitenland ingeschreven is.
3. Wat betreft de vaststelling van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum van de massa onder de assen
De weegbon die als bijlage 1 bij het aanvankelijk proces-verbaal van 30 januari 2014 is gevoegd vermeldt de MTM (maximaal toegelaten massa) van de trekker, de oplegger en de totale sleep, en bovendien ook de MTM onder elk van de assen. Het proces-verbaal vermeldt onder het opschrift ‘inlichtingen met betrekking tot de weegbon’ eveneens:
‘* De maximale toegelaten massa (cfr. eerste kolom van de weegbon) van de assen, van het voertuig en eventueel van de sleep, zijn overgenomen van de technische fiche, of van het identificatieverslag, of van het inschrijvingsbewijs van het voertuig.
* De maximale toegelaten massa van de assen worden ingevoerd indien deze voorkomen op één van de vorige documenten of op het identificatieplaatje.’
De verzoekende partij toont niet aan dat de verbalisanten door uit te gaan van één van die gegevens het bij de goedkeuring vastgestelde maximum van de massa onder de assen onjuist hebben bepaald. Zij legt geen enkel document voor waaruit zou blijken dat het voertuig niet de maximale toegelaten massa heeft die bij het opstellen van het proces-verbaal door de verbalisanten in aanmerking werd genomen.
4. Het vierde middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.”
4.21. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoekster volhardt in het geformuleerde middel”.
Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
XII-8020-24/27
4.22 De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het vierde middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
4.23. In een vijfde middel voert de verzoekende partij aan dat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet deugdelijk gemotiveerd is, maar in de motivering van de bestreden beslissing alleen een aantal stijlformules worden gehanteerd “dewelke niet voldoen aan de materiële motiveringsplicht, zoals opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”.
4.24. De memorie van wederantwoord en de laatste memorie beperken zich tot de mededeling dat de verzoekende partij “volhardt in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.25. In het auditoraatsverslag wordt het vijfde middel beoordeeld als volgt:
“1. Zoals bij de bespreking van het derde middel is uiteengezet heeft de verwerende partij, rekening houdend met het feit dat de verzoekende partij geen grond van rechtvaardiging of een schulduitsluitingsgrond heeft aangevoerd, uit het feit zelf van de overtreding de schuld van de verzoekende partij kunnen afleiden. Het middel bevat geen enkele inhoudelijke kritiek op de desbetreffende overwegingen, die door de verzoekende partij ten onrechte als ‘stijlformules’ worden afgedaan.
2. Het vijfde middel dient te worden verworpen.”
XII-8020-25/27
4.26. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoekster volhardt in het geformuleerde middel”.
Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
4.27. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het vijfde middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
V. De vraag tot het bevelen van een deskundig onderzoek
5.1. In de conclusie van haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij “een deskundigenonderzoek te bevelen naar de diverse factoren die meespelen bij het ontstaan van wegdekbeschadiging door overlading”.
5.2. In het auditoraatsverslag wordt omtrent deze vraag gesteld:
“De verzoekende partij verduidelijkt niet en verslaggever begrijpt niet in welk opzicht dit onderzoek relevant kan zijn voor de beoordeling van de aangevoerde middelen.
Op de vraag tot het bevelen van een deskundig onderzoek kan dan ook niet worden ingegaan.”
5.3. In de laatste memorie noch ter terechtzitting wordt omtrent deze vraag tot het bevelen van een deskundigenonderzoek enige verduidelijking verstrekt.
De vraag tot het bevelen van een deskundigenonderzoek wordt verworpen.
XII-8020-26/27
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 januari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8020-27/27
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.057