Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.047 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.047 Généré par l'IA

Court dismisses appeal for lack of standing regarding unaffected land parcels in expropriation case.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.047
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicants' appeal for annulment of a Flemish minister's expropriation decision. While the applicants owned two parcels, the court ruled they lacked standing to challenge the specific parcels taken, as their potential value loss was too indirect. Consequently, the appeal was declared inadmissible for the unaffected land, and costs were split between the parties.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 19, first paragraph, of the Rules of Procedure of the Council of State; standing requires a direct, personal, certain, and actual interest; mere potential value loss of unaffected property does not constitute sufficient standing.

Mots-clés

Généré par l'IA
expropriation standing direct interest requirement indirect damage annulment appeal personal interest procedural admissibility value diminution

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 19, first paragraph, of the Rules of Procedure of the Council of State

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 237.047 van 17 januari 2017

in de zaak A. 215.369/X-16.187.

In zake : 1. Johan DEKEMPE

2. Joris DELEENHEER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Lambert kantoor houdend te 9620 Zottegem Meersstraat 64

bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 23 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het Besluit van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, van 7 oktober 2014, betreffende onteigeningen ten algemenen nutte van gronden in de gemeente Herzele […]. Het besluit heeft onder meer betrekking op de percelen 442C

(inneming 33) en 1055A (inneming 21)”.

X-16.187-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Luc Lambert, die in eigen naam en loco advocaat Gwijde Vermeire verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Annelies Geerts, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Met de bestreden beslissing van 7 oktober 2014 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en

X-16.187-2/8

Dierenwelzijn dat in het algemeen belang voor de realisatie van de primaire gewestweg N42 Wetteren-Geraardsbergen, in het bijzonder de rechttrekking Sint-

Lievens-Esse, de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Herzele die op de bij de beslissing gevoegde plannen geel zijn ingekleurd onmiddellijk in bezit worden genomen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’.

4. Eerste verzoeker is onverdeeld mede-eigenaar van twee percelen gelegen te Herzele, gelegen aan de Venaertstraat (perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 442/c – voorheen nr. 439/b) en aan de Bauwenskauter (perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 1055/a). Deze percelen worden blijkens het bij het bestreden besluit gevoegde plan “Bijkomende onteigeningen Zuid”

gedeeltelijk onteigend (innemingen nrs. 33 en 21).

Daarnaast is eerste verzoeker ook eigenaar van een perceel met woonhuis gelegen te Herzele, Leugenstraat 8, kadastraal bekend sectie A, nr. 415/d. Dit perceel wordt niet ingenomen. Het grenst wel aan inneming nr. 33

zoals aangeduid op het plan “Bijkomende onteigeningen Zuid”.

5. Tweede verzoeker is onverdeeld mede-eigenaar van een perceel met woonhuis gelegen te Herzele, Leugenstraat 10, kadastraal bekend sectie A, nr. 414/d en van een aangrenzend weiland, kadastraal bekend nr. 416/e. Geen van deze percelen wordt ingenomen. Deze percelen grenzen wel aan inneming nr. 34

zoals aangeduid op het plan “Bijkomende onteigeningen Zuid”.

IV. Rechtsmacht van de Raad van State

6. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962

‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’ heeft de vrederechter, wanneer de onteigenende overheid de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van die overheid zowel op hun interne als op

X-16.187-3/8

hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State, gelet op de residuaire aard ervan, uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen; de bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben.

7. Op 9 juni 2016 heeft de verwerende partij aan eerste verzoeker de dagvaarding laten betekenen om te verschijnen voor de vrederechter van het kanton Zottegem-Hersele.

8. Gelet op deze dagvaarding heeft de Raad van State de rechtsmacht verloren om zich uit te spreken over het beroep tot nietigverklaring in zoverre dit beroep betrekking heeft op de onteigening van de percelen waarvan eerste verzoeker onverdeeld mede-eigenaar is, namelijk de percelen kadastraal bekend sectie A, nr. 442/c en sectie C, nr. 1055/a.

V. Ontvankelijkheid van het beroep voor het overige

Standpunt van de partijen

9. In het verzoekschrift situeren de verzoekers hun persoonlijk belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit in de waardevermindering die hun woning en percelen, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het te realiseren project, zouden lijden ingevolge de onteigening voor de aanleg van een weg.

10. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord onder meer op dat de aangevoerde waardevermindering van percelen en woningen die niet worden onteigend, geen nadeel uitmaakt dat rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit.

Bovendien is het bestreden onteigeningsbesluit erop gericht om bijkomend een aantal noodzakelijke milderende maatregelen mogelijk te maken,

X-16.187-4/8

zoals het plaatsen van geluidsschermen en de aanleg van buffergrachten. Deze maatregelen worden net doorgevoerd ten behoeve van de eigendommen van de verzoekers.

11. In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekers naar het arrest nr. 202.029 van 18 maart 2010, inzake het beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen een eerder onteigeningsbesluit door de vorige eigenaar van de woning van tweede verzoeker. Dit beroep werd wel ontvankelijk verklaard. Ze werpen op dat ook andere rechtspraak van de Raad van State het belang aanvaardt van een eigenaar van een perceel dat grenst aan datgene waarvan de onteigening wordt bevolen.

De verzoekers beklemtonen verder dat een herbeoordeling na vernietiging perspectieven biedt op een persoonlijk voordeliger situatie, gelet op het gebrek aan voldoende rechtszekere en actuele planologische basis. Voorts wensen de verzoekers hun belang te vrijwaren voor het geval ze de stedenbouwkundige vergunning zouden willen aanvechten voor de weg die in de onmiddellijke nabijheid van hun woning is gepland.

12. In de laatste memorie stellen de verzoekers nog dat het tot de feitelijke appreciatie van de Raad van State behoort of het bestreden besluit al dan niet gericht is op milderende maatregelen. Het is alleszins duidelijk dat de milderende maatregelen op zichzelf, los van de aanleg van de weg, totaal zinloos zijn. Deze maatregelen zijn onlosmakelijk verbonden met de aanleg van een weg.

Verder verduidelijken ze dat ze een beroep tot nietigverklaring tegen het bestreden besluit hebben ingesteld omdat “deze onteigeningen enerzijds noodzakelijk zijn om de weg in kwestie te kunnen aanleggen en anderzijds dat indien de onteigening uitgevoerd wordt, de weg er hoe dan ook zal komen”.

Aangezien de verzoekers zich verzetten tegen de aanleg van deze weg, menen zij wel degelijk het vereiste belang te hebben bij het beroep tot nietigverklaring.

X-16.187-5/8

Beoordeling

13. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Er moet een rechtstreeks causaal verband bestaan tussen de door de verzoekende partij aangevoerde benadeling en het bestreden besluit.

14. Uit hetgeen voorafgaat (randnummers 6 tot en met 8) volgt dat de Raad van State zich enkel kan uitspreken over het beroep in zoverre het betrekking heeft op de percelen van de verzoekers die niet door de bestreden onteigening worden getroffen.

De mogelijke waardevermindering die de verzoekers aanvoeren te zullen ondergaan, volstaat niet om aan te nemen dat zij, als eigenaars van de laatstgenoemde percelen, toch geacht kunnen worden de vereiste hoedanigheid en een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang te hebben bij een beroep tegen de voorliggende onteigening. Het aangevoerde nadeel vloeit immers in wezen voort uit de wegaanleg en vertoont een onvoldoende rechtstreeks verband met het bestreden besluit. Ook het gegeven dat zij hun belang wensen te vrijwaren voor het geval zij de stedenbouwkundige vergunning voor de weg willen aanvechten, is te onrechtstreeks om te kunnen worden aangenomen.

15. De exceptie is gegrond.

16. Het beroep is onontvankelijk.

X-16.187-6/8

VI. Kosten en rechtsplegingsvergoeding

17. Ten gevolge van de dagvaarding die werd betekend op verzoek van de verwerende partij heeft de Raad van State zijn rechtsmacht verloren om zich uit te spreken over het beroep voor wat betreft de percelen van eerste verzoeker die middels het bestreden besluit worden onteigend.

Voor wat betreft de andere percelen is het beroep onontvankelijk bij gebrek aan belang.

18. In de gegeven omstandigheden past het de ene helft van de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij, en de andere helft ten laste van de verzoekers.

Tot die kosten behoort één rechtsplegingsvergoeding, vastgesteld op het basisbedrag, ten laste van de verwerende partij, aangezien het beroep dat de verzoekers gezamenlijk hebben aangespannen slechts één en hetzelfde geschil betreft.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij, voor de helft, en de verzoekende partijen, elk voor een vierde, worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro.

De verwerende partij wordt veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.

X-16.187-7/8

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.187-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.047