Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.044 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.044 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed; six-month deadline for residence permit applications does not require public order safety checks.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.044
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the cassation appeal against a decision rejecting a residence permit application for a family member of a EU citizen. The applicant argued that the six-month statutory deadline for processing such applications should only apply if a threat to public order existed, citing EU guidelines. The court found no link between the deadline and public order considerations in the text or preparatory works of the law. Consequently, the lower court's finding that the deadline applies regardless of public order issues was upheld as lawful.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 42 of the Aliens Act; The six-month deadline for processing residence permit applications for family members of EU citizens applies generally and does not require a specific assessment of threats to public order, safety, or health to be triggered.

Mots-clés

Généré par l'IA
residence permit processing public order safety family member of EU citizen statutory deadline cassation appeal dismissal Aliens Act interpretation administrative procedure durée du séjour

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42 of the Aliens Act
Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for cassation at the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.044 van 17 januari 2017

in de zaak A. 215.127/XIV-36.259

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie kantoor houdend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 B

alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 februari 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 138.014 van 6 februari 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.202 van 3 april 2015.

XIV-36.259-1/13

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Barbara Speybrouck heeft een andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker dient op 27 januari 2014 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van zijn moeder die de Belgische nationaliteit heeft.

Op 17 juli 2014 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.

XIV-36.259-2/13

Verzoeker stelt op 10 oktober 2014 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 17 juli 2014 met een arrest van 6 februari 2015. Dit is het bestreden arrest.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota

4. Met een faxbericht van 17 mei 2016 dient de verwerende partij een “pleitnota” in.

Het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen wel toegestaan hun antwoorden op de door de Raad van State gestelde vragen die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. Vermits de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke vragen maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 42, § 1, eerste lid van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) iuncto artikel 10.1 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004

XIV-36.259-3/13

‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38), van artikel 52, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het vreemdelingenbesluit) en van artikel 149 van de Grondwet.

Verzoeker voert aan dat hij voor de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen had betoogd dat de beslissing over de erkenning van een recht op verblijf op grond van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet moet worden genomen en ook ter kennis moet worden gebracht van de vreemdeling binnen een termijn van zes maanden. Verzoeker had voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de schending van artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 ingeroepen maar van het voornoemde artikel 42, § 2, eerste lid, geïnterpreteerd in overeenstemming met die bepaling van de richtlijn. Al verwijst het meergenoemde artikel 42, § 1, eerste lid, naar “de burger van de Unie en zijn familieleden”, volgens verzoeker betreft deze bepaling ook de duur van de termijn waarbinnen de aanvraag van een familielid van een Belg, die een “statische”

Unieburger is, moet worden beoordeeld vermits voor deze laatste situatie geen bijzondere wetsbepaling is voorzien. De bedoelde termijn kan niet verschillend worden geïnterpreteerd naargelang het gaat om burgers van de Unie en hun familieleden die onder de toepassing van richtlijn 2004/38 vallen of om familieleden van statische Belgen. In het bestreden arrest is dus ten onrechte overwogen dat verzoeker zich niet kan beroepen op artikel 10.1 van richt-

lijn 2004/38, ook niet als norm voor de interpretatie van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet.

Verzoeker acht verder de stelling in het bestreden arrest onjuist dat het “bovendien” op grond van artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 volstaat een beslissing te nemen binnen de termijn van zes maanden. Deze bepaling voorziet

XIV-36.259-4/13

immers dat het verblijfsrecht binnen de zes maanden “wordt vastgesteld door de afgifte van een document”. Verzoeker had zijn aanvraag ingediend op 27 januari 2014 en hij kreeg kennis van de bestreden beslissing op 18 september 2014, hetzij na zeven maanden en drie weken en dus na de termijn van zes maanden. Uit artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet gelezen samen met artikel 10.1

van richtlijn 2004/38 volgt dat de termijn van zes maanden voor de afgifte van een beslissing geldt voor zowel positieve als negatieve beslissingen. De termijn kan niet anders zijn naargelang de beslissing gunstig of ongunstig is.

Verder is het volgens verzoeker niet van belang dat in de beide voornoemde bepalingen geen sanctie is voorzien. De doelstelling van de Europese regelgever dat de burger zo snel mogelijk op de hoogte wordt gebracht van een beslissing over zijn aanvraag, kan niet worden bereikt met een eindeloos verlengbare termijn van orde. De Belgische regelgever heeft dit begrepen door in artikel 52, § 4, tweede lid, van het vreemdelingenbesluit te voorzien dat het verblijf wordt toegekend indien binnen de zes maanden geen beslissing is genomen. Al is in deze laatste bepaling enkel sprake van het nemen van een beslissing, zij moet volgens verzoeker samen worden gelezen met artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet en artikel 10.1 van richtlijn 2004/38. In de mate dat artikel 52, § 4, tweede lid, van het vreemdelingenbesluit enkel de situatie vermeldt dat geen beslissing “genomen” is, kan het aldus niet worden toegepast omdat het strijdig is met de Europese regelgeving. Al vermeldt de tekst van het voornoemde artikel 52, § 4, enkel het familielid van een burger van de Unie, deze bepaling is ook van toepassing op familieleden van een Belg vermits eenzelfde tekst niet op twee verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. Dat ook de kennisgeving van de beslissing binnen de termijn van zes maanden moet gebeuren, leidt verzoeker verder af uit de vermelding op het formulier “bijlage 19ter” dat de betrokkene binnen de zes maanden zal worden uitgenodigd om zich bij het gemeentebestuur aan te bieden zodat hem de beslissing over de aanvraag kan worden betekend.

Volgens verzoeker gaat het niet om een onregelmatigheid in de kennisgeving omdat de kennisgeving deel uitmaakt van de procedure zelf, daar

XIV-36.259-5/13

artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 het heeft over de “afgifte” van een document. Hij verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende een inmiddels opgeheven richtlijn.

In ondergeschikte orde stelt verzoeker voor om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat hij zich niet rechtstreeks beroept op artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 doch enkel op een interpretatie van de Belgische regelgeving in overeenstemming met het Europese recht. Verzoeker merkt op dat het formulier “bijlage 19ter” de kracht van een koninklijk besluit heeft vermits het bij koninklijk besluit is vastgelegd en dat de tekst van dat formulier verzoekers stelling bevestigt dat de kennisgeving van de beslissing moet gebeuren binnen de termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag.

Beoordeling

7. Uit de gegevens in het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker op 27 januari 2014 een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend als bloedverwant in neergaande lijn van zijn Belgische moeder.

Het wordt niet betwist en het wordt door geen enkel element uit het rechtsplegingsdossier ontkracht dat het te dezen gaat om gezinshereniging, gevraagd door een derdelander als descendent van een meerderjarige Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij personenverkeer binnen de Unie.

8. Verzoeker liet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gelden dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet enkel moest worden genomen binnen een vervaltermijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag maar ook ter kennis moest worden gebracht binnen die termijn. Hij verwees daartoe naar

XIV-36.259-6/13

artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet, gelezen samen met artikel 10.1 van richtlijn 2004/38.

In het bestreden arrest wordt in antwoord daarop overwogen dat verzoeker niet dienstig naar het Unierecht kan verwijzen bij gebrek aan intracommunautair aspect en dat “bovendien […] noch uit artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet, noch uit artikel 10.1 van de Burgerschapsrichtlijn [blijkt] dat de termijn van zes maanden niet de beslissingstermijn zou zijn volgend op de aanvraag, maar de termijn van betekening van de beslissing”.

9. Artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet luidt:

“Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.”

Artikel 52, § 4 van het vreemdelingenbesluit bepaalt:

“§ 4. Indien het familielid alle vereiste documenten heeft overgemaakt, maakt het gemeentebestuur de aanvraag over aan de gemachtigde van de minister.

Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een “verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie” overeenkomstig het model van bijlage 9 af.

[…]”.

10. Verzoeker betoogt dat artikel 42 van de vreemdelingenwet de omzetting vormt in het Belgische recht van artikel 10 van richtlijn 2004/38 en hij vraagt op grond daarvan een richtlijnconforme interpretatie van de interne wetgeving.

Artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2004/38 omschrijft als “begunstigden” van de daarbij verleende rechten “iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de

XIV-36.259-7/13

nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen”. Richtlijn 2004/38 voorziet dus volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend in een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn, wanneer laatstgenoemde zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-456/12, punten 38 en 39, O. en B.; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-457/12, S.

en G., punt 34). Aan deze richtlijn kan dus voor derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie, geen afgeleid verblijfsrecht worden ontleend in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit (in die zin: HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-457/12, S. en G., punt 34; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-456/12, punten 36 en 43).

Waar verzoeker zich als derdelander beroept op de hoedanigheid van descendent van een Belgische onderdaan, voert hij niet aan en blijkt evenmin uit de stukken in het rechtsplegingsdossier dat zijn moeder haar recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan België.

Het betreft derhalve geen situatie waarop richtlijn 2004/38 van toepassing is, zodat de vraag naar een richtlijnconforme interpretatie van artikel 42 van de vreemdelingenwet niet aan de orde is.

11. Verzoeker is van oordeel desalniettemin te kunnen verwijzen naar artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 omdat eenzelfde tekst niet verschillend geïnterpreteerd zou kunnen worden naargelang hij van toepassing is op familieleden van een Unieburger of op familieleden van een Belg. Hij verwijst daartoe ook naar artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit.

Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de

XIV-36.259-8/13

nationale wettelijke regeling, waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.

Verzoekers aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zgn.

“statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht is een interpretatie van artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet overeenkomstig artikel 10, lid 1 van richtlijn 2004/38, zoals door verzoeker voorgesteld, te dezen niet aan de orde. Om dezelfde reden is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie evenmin aan de orde.

12. Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt als algemene regel dat een beslissing betreffende het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te worden genomen binnen de zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag en dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van het verblijfsrecht bepaalt. Er wordt geen bevoegdheid aan de Koning gegeven voor het bepalen van de termijn waarbinnen het recht op verblijf aan de burger moet worden erkend.

XIV-36.259-9/13

Reeds in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 heeft het Grondwettelijk Hof gewezen op de dubbele waarborg voor de betrokken vreemdeling: “enerzijds, wordt de overheid verplicht om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag tot gezinshereniging, zodat de betrokkene niet te lang in het ongewisse blijft over het antwoord op zijn aanvraag; anderzijds, moet de toelating worden verleend indien geen enkele beslissing werd genomen binnen de opgelegde termijn, waardoor de betrokken vreemdeling wordt beschermd indien de overheid de opgelegde termijn niet respecteert of geen enkele beslissing neemt.” Verder heeft het Hof in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 uitdrukkelijk vastgesteld dat zowel uit de parlementaire voorbereiding als uit het algemeen opzet van de artikelen 40 en volgende van de vreemdelingenwet blijkt “dat de wetgever heeft gewild dat de termijn van zes maanden binnen welke over de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht wordt beslist, in elk geval moet worden nageleefd”.

Uit het voorgaande volgt dat de bedoelde termijn van zes maanden een vervaltermijn is en dat het enkel gaat om een termijn voor het nemen van de “beslissing”. Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken, noch in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komt de termijn van de kennisgeving aan bod.

13. Ook in artikel 52, § 4 van het vreemdelingenbesluit, dat mede uitvoering geeft aan artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet, is enkel sprake van de situatie “waarin geen enkele beslissing is genomen” binnen de in het voornoemde artikel 42 bepaalde termijn. In deze uitvoeringsbepaling is evenmin sprake van een termijn voor de kennisgeving van de beslissing. Hoe dan ook zou deze uitvoeringsbepaling geen afbreuk kunnen doen aan artikel 42 van de vreemdelingenwet als hogere norm.

Tot slot kunnen ook de in het formulier “bijlage 19ter”

voorziene bewoordingen geen afbreuk doen aan het voorgaande.

XIV-36.259-10/13

14. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op wettige wijze geoordeeld “dat artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet niet voorziet in een vervaltermijn die inhoudt dat de laattijdige kennisgeving van een tijdig genomen beslissing recht geeft op de afgifte van de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie”.

Het eerste middel is ongegrond en kan niet tot cassatie leiden.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

15. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet iuncto artikel 10.1 van richtlijn 2004/38.

Verzoeker voert aan dat hij voor de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen had laten gelden dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd ge-

nomen na een termijn van vijf maanden en 21 dagen terwijl een termijn van bijna zes maanden enkel gewettigd is indien er een probleem van openbare orde is, hetgeen voor verzoeker niet wordt beweerd. De Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen volgt deze redenering niet en beslist ten onrechte dat verzoeker zich voor de interpretatie van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet niet kan beroepen op artikel 10.1 van richtlijn 2004/38. Met verwijzing naar de historiek van artikel 42 van de vreemdelingenwet, naar richtlijn 2004/38 en de eraan voorafgaande en inmiddels opgeheven richtlijnen, naar de visie van bepaalde auteurs en naar een “Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG van 2 juli 2009” betoogt verzoeker dat de in het meergenoemde artikel 42 voorziene termijn van zes maanden enkel is bedoeld indien er een gevaar is voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Het hoge aantal aanvragen waarmee de verwerende partij werd

XIV-36.259-11/13

geconfronteerd vormt volgens verzoeker geen argument om een termijn van zes maanden te hanteren.

In ondergeschikte orde stelt verzoeker voor om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

16. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt eraan toe dat hij verwijst naar de “Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG van 2 juli 2009” als een gezaghebbende interpretatie van de rechtsnorm en niet als rechtsnorm op zich.

Verzoeker ziet niet in waarom hij niet dienstig zou kunnen verwijzen naar de door hem geciteerde rechtsleer.

Beoordeling

17. Bij de behandeling van het eerste middel is reeds vastgesteld dat er te dezen geen aanknopingspunt is met het Unierecht, zodat verzoeker zich niet dienstig kan beroepen op een interpretatie van artikel 42 van de vreemdelingenwet conform richtlijn 2004/38 noch op rechtspraak betreffende deze richtlijn of de eraan voorafgaande richtlijnen.

18. Noch uit de wettekst zelf noch uit de voorbereidende werken blijkt enig verband tussen de in artikel 42 van de vreemdelingenwet bepaalde termijn van zes maanden en een onderzoek naar mogelijk gevaar voor de openbare orde in hoofde van de aanvrager. Dergelijk verband kan alleszins niet worden afgeleid uit de formulering in de wettekst “zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van de aanvraag”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve wat betreft artikel 42 van de vreemdelingenwet zonder schending van de wet in het bestreden arrest vaststellen dat nergens wordt bepaald dat “enkel in de gevallen waarbij in het raam van de behandeling van de aanvraag tot afgifte van een verblijfskaart van een familielid

XIV-36.259-12/13

van een burger van de Europese Unie een openbare orde-problematiek in aanmerking moet worden genomen de beslissingstermijn van zes maanden zou gelden”.

Het tweede middel is ongegrond en kan niet tot cassatie leiden.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.259-13/13

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.044