Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.042 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.042 Généré par l'IA

Court of Cassation annuls foreigner status decision due to violation of six-month statute of limitations.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.042
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation annulled the Council for Foreigners' decision regarding the applicant's residence permit. The applicant argued that the municipal authority violated the six-month statute of limitations by refusing the permit after only three months, citing Article 42 of the Aliens Act. The Court held that the lower-level regulation extending the municipal deadline to three months did not override the mandatory six-month limit in the superior Aliens Act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42, § 1, first paragraph, of the Aliens Act; Article 52, § 3, of the Aliens Decree: A lower-level regulation cannot extend the six-month statute of limitations for granting residence permits to three months if the superior law mandates a six-month period.

Mots-clés

Généré par l'IA
Aliens Act statute of limitations residence permit municipal authority hierarchy of norms

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42, § 1, first paragraph, of the Aliens Act
Article 52, § 3, of the Aliens Decree

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.042 van 17 januari 2017

in de zaak A. 216.038/XIV-36.472

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen : de STAD GENT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

Bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 juni 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 144.509 van 30 april 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.406 van 9 juli 2015.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.472-1/14

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2016.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker dient op 9 mei 2014 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van zijn Belgische echtgenote.

Op 12 november 2014 neemt de burgemeester van de stad Gent in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.

Verzoeker stelt op 24 november 2014 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De

XIV-36.472-2/14

Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 12 november 2014 met een arrest van 30 april 2015. Dit is het bestreden arrest.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota

4. Met een faxbericht van 19 april 2016 dient de verwerende partij een “pleitnota” in.

Het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen wel toegestaan hun antwoorden op de door de Raad van State gestelde vragen die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. Vermits de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke vragen maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.

V. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van de partijen

5. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 42, § 1, eerste lid van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van artikel 52, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het vreemdelingenbesluit).

XIV-36.472-3/14

Uit de ingeroepen bepalingen volgt volgens verzoeker dat de voorziene termijn van zes maanden een vervaltermijn is. Vermits tussen het indienen van de aanvraag op 9 mei 2014 en de aanvankelijk bestreden beslissing van 12 november 2014 meer dan zes maanden liggen, acht verzoeker de ingeroepen bepalingen geschonden. Verzoeker aanvaardt de motivering van het bestreden arrest niet omdat een beslissing op grond van artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van de aanvraag moet worden genomen en dit zonder onderscheid naargelang al dan niet documenten werden meegedeeld of naargelang de beslissing wordt genomen door het gemeentebestuur of de dienst Vreemdelingenzaken. Alle door artikel 52 van het vreemdelingenbesluit voorziene gevallen zijn de uitvoering van artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet en al die beslissingen moeten dan ook binnen de termijn van zes maanden worden genomen. Verzoeker laat gelden dat artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet wordt geschonden met het bestreden arrest door te oordelen dat het gemeentebestuur in de hypothese van artikel 52, § 3, van het vreemdelingenbesluit niet moet beslissen binnen de zes maanden omdat de termijn niet begint te lopen. Ook het voornoemde artikel 52, § 3, wordt geschonden door er een interpretatie aan te geven die onverenigbaar is met een hogere rechtsnorm. Verder acht verzoeker artikel 52, § 4 van het vreemdelingenbesluit geschonden waar in het bestreden arrest wordt gesteld dat de daarin voorziene sanctie niet van toepassing is wanneer het gemeentebestuur de aanvraag weigert.

Verzoeker vervolgt dat zijn interpretatie van de aangevoerde bepalingen overeenstemt met de interpretatie in het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 121/2013 van 26 september 2013. Hierin heeft het Hof beslist dat, alhoewel artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet verwijst naar § 4, tweede lid, dat enkel betrekking heeft op bij het gemeentebestuur ingediende aanvragen, uit de parlementaire voorbereiding en het algemeen opzet van artikel 40 en volgende van die wet blijkt dat de wetgever heeft gewild dat de beslissingstermijn van zes maanden in elk geval moet worden nageleefd. In dat arrest is bovendien sprake van de “bevoegde overheid” en niet over de minister of zijn gemachtigde. Volgens verzoeker blijkt aldus uit de bewoordingen van het Grondwettelijk Hof dat de

XIV-36.472-4/14

termijn van zes maanden “in elk geval” moet worden nageleefd en dat het verblijfsrecht moet worden erkend indien “de bevoegde overheid” geen tijdige beslissing heeft genomen, hetgeen derhalve ook voor het gemeentebestuur geldt.

Het Grondwettelijk Hof verwijst in het voornoemde arrest ook naar artikel 10, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38), waarin wordt bepaald dat de beslissing over de aanvraag van familieleden moet worden genomen binnen een termijn van zes maanden en waarin geen onderscheid wordt gemaakt naargelang het familielid een volledig of een onvolledig dossier indient.

6. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen met toepassing van artikel 52, § 3, van het vreemdelingenbesluit na de vaststelling dat verzoeker drie maanden na het indienen van zijn aanvraag nog steeds niet alle vereiste documenten had overgemaakt. In het bestreden arrest is terecht overwogen dat het gemeentebestuur in dat geval enkel is gebonden door de in die bepaling vermelde minimumtermijn van drie maanden. De regelgever heeft voor het gemeentebestuur nergens een beslissingstermijn van maximum zes maanden voorzien. Volgens de verwerende partij heeft artikel 42 van de vreemdelingenwet iuncto artikel 52, § 1 en § 4, van vreemdelingenbesluit enkel betrekking op de termijn waarbinnen de gemachtigde van de staatssecretaris doch niet het gemeentebestuur een aanvraag ten gronde moet onderzoeken.

De verwerende partij benadrukt dat artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk stipuleert dat het recht op een verblijf van meer dan drie maanden slechts kan worden toegekend onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald. Op zijn beurt schrijft artikel 52 van het vreemdelingenbesluit voor dat alle noodzakelijke bewijsdocumenten moeten

XIV-36.472-5/14

worden voorgelegd aan het gemeentebestuur alvorens dit het dossier kan overmaken aan de gemachtigde van de staatssecretaris. Vermits enerzijds een beslissing over de erkenning van het verblijfsrecht enkel kan worden genomen door de gemachtigde van de staatssecretaris en anderzijds dergelijke beslissing maar kan worden genomen nadat het gemeentebestuur het dossier heeft doorgestuurd, kan het volgens de verwerende partij niet anders dan dat de in artikel 42 van de vreemdelingenwet bedoelde termijn van drie maanden uitsluitend speelt wanneer de aanvrager binnen de drie maanden na het indienen van de aanvraag de vereiste bewijsstukken heeft ingediend en de gemachtigde van de staatssecretaris een beslissing dient te nemen.

De verwerende partij vervolgt dat verzoekers verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 121/2013 van 26 september 2013 niet dienstig is vermits dat arrest slechts het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigt, meer bepaald dat de in artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet vermelde termijn slechts geldt ten aanzien van de instantie die de aanvraag tot gezinshereniging ten gronde moet onderzoeken. Verzoeker gaat er volgens de verwerende partij ook aan voorbij dat artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit integraal betrekking heeft op de situatie waarin de aanvraag reeds door het gemeentebestuur aan de gemachtigde van de staatssecretaris is overgemaakt en waarbij de aanvrager reeds alle vereiste stukken heeft overgemaakt. Verzoeker duidt de wettelijke grondslag niet aan voor de algemene verplichting om binnen de zes maanden een beslissing te nemen en artikel 42 van de vreemdelingenwet voorziet geen sanctie indien een beslissing niet binnen de zes maanden wordt genomen. Volgens de verwerende partij kan het feit dat zij de aanvankelijk bestreden beslissing heeft genomen na een langere periode dan drie maanden, niet impliceren dat het gevraagde verblijfsrecht moest worden toegekend. Verzoeker kan niet dienstig voorhouden dat hij nadeel heeft ondervonden door het tijdstip waarop die beslissing werd genomen vermits een recht op verblijf hoe dan ook niet kon worden vastgesteld.

XIV-36.472-6/14

Wat betreft artikel 10.1 van richtlijn 2004/38, merkt de verwerende partij op dat verzoeker zich niet kan beroepen op de rechtstreekse werking van deze bepaling. Bovendien is op grond van deze bepaling de overlegging van enkele bewijsstukken vereist alvorens een verblijfskaart kan worden afgegeven. Volgens de verwerende partij kan verzoeker niet ernstig voorhouden dat geen onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een aanvrager die een volledig dossier indient en degene die nalaat bepaalde noodzakelijke stukken over te leggen.

Tot slot wijst de verwerende partij erop dat artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet enkel verwijst naar het feit dat de erkenning gebeurt onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, terwijl te dezen het verblijfsrecht werd geweigerd door het gemeentebestuur.

7. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat het verweer als zou hij geen nadeel hebben ondervonden betwistbaar is vermits het te dezen de beoordeling van de wettigheid van een beslissing betreft.

Verzoeker merkt op dat hij zich niet rechtstreeks beroept op artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 doch enkel vraagt dat de interne wetgeving wordt geïnterpreteerd in overeenstemming met het Europese recht. Het voornoemde artikel 10.1 vereist dat de beslissing wordt genomen binnen een bepaalde termijn, ongeacht door welke overheid. Verzoeker acht de stelling dat artikel 42, § 1, van de vreemdelingen enkel betrekking heeft op positieve beslissingen absurd omdat er in die hypothese geen wettelijke grondslag zou zijn voor een negatieve beslissing.

Verder laat verzoeker gelden dat op grond van artikel 25/3, § 1, van het vreemdelingenbesluit de vreemdeling die zijn aanvraag om toelating tot verblijf van meer dan drie maanden indient via een Belgisch consulaat, slechts een ontvangstbewijs van zijn aanvraag ontvangt indien hij alle vereiste stukken overlegt en dat de in artikel 12bis, § 2, tweede en derde lid, van de

XIV-36.472-7/14

vreemdelingenwet voorziene beslissingstermijn slechts dan begint te lopen. Hij wijst erop dat een gelijkaardige bepaling niet bestaat voor de in artikel 42 van de vreemdelingenwet en artikel 52 van het vreemdelingenbesluit bedoelde vreemdeling. Om in het bezit te worden gesteld van een bijlage 19, waardoor de termijn begint te lopen, vereist artikel 52 van het vreemdelingenbesluit enkel dat de familieband wordt bewezen, niet dat een volledig dossier wordt ingediend.

Beoordeling

8. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt, hetgeen de partijen niet betwisten, dat de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen meer dan zes maanden na het indienen van verzoekers aanvraag tot verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat de aanvankelijk bestreden beslissing laattijdig is genomen omdat de in artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet voorziene termijn van zes maanden een vervaltermijn zou zijn na verloop waarvan de verwerende partij geen weigeringsbeslissing meer zou kunnen nemen.

In het bestreden arrest wordt in antwoord op verzoekers kritiek overwogen dat “artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet weliswaar bepaalt dat ‘het recht op een verblijf van meer dan drie maanden (…) ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag (…) (wordt) erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden (…)’, maar [dat] in artikel 52, § 3 van het vreemdelingenbesluit, dat de werkelijke grondslag vormt voor de bestreden beslissing […], niet naar deze vervaltermijn [wordt] verwezen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat “uit het door verzoeker zelf in zijn middel aangehaalde artikel 52, § 4 van het vreemdelingenbesluit […] trouwens duidelijk [blijkt] dat de termijn uit artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet slechts van toepassing is ‘indien het familielid alle vereiste documenten heeft overgemaakt’ en het gemeentebestuur de aanvraag aan de gemachtigde van de staatssecretaris heeft bezorgd.” Verder is de Raad voor

XIV-36.472-8/14

Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat “de burgemeester […] enkel aan minimumtermijnen [is] gebonden, met name de ‘termijn van drie maanden’ uit artikel 52, § 3 van het vreemdelingenbesluit, maar [dat] er in de regelgeving geen termijn van verval [is] voorzien indien de vreemdeling de vereiste documenten niet neerlegt.”

9. Artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet luidt:

“Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.”

Artikel 52 van het vreemdelingenbesluit bepaalt:

“§ 1. […]

§ 2. Bij de aanvraag of ten laatste binnen de drie maanden na de aanvraag dient het familielid bovendien de volgende documenten over te maken :

[…]

§ 3. Indien het familielid na afloop van drie maanden niet alle vereiste bewijsdocumenten heeft overgemaakt of indien uit de woonstcontrole niet blijkt dat het familielid op het grondgebied van de gemeente verblijft, weigert het gemeentebestuur de aanvraag door middel van een bijlage 20 dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.

§ 4. Indien het familielid alle vereiste documenten heeft overgemaakt, maakt het gemeentebestuur de aanvraag over aan de gemachtigde van de minister.

Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een " verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 af.

[…]

Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf niet erkent, wordt het familielid van deze beslissing kennis gegeven door de afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 20, dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.”

10. Verzoeker laat gelden dat artikel 42 van de vreemdelingenwet de omzetting vormt in het Belgische recht van artikel 10 van richtlijn 2004/38 en hij

XIV-36.472-9/14

vraagt op grond daarvan een richtlijnconforme interpretatie van de interne wetgeving.

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 omschrijft als “begunstigden” van de daarbij verleende rechten “iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen”. Richtlijn 2004/38 voorziet dus volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend in een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn, wanneer laatstgenoemde zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin HvJ [GK] 12 maart 2014, nr.

C-456/12, punten 38 en 39, O. en B.; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-457/12, S. en G., punt 34). Aan deze richtlijn kan dus voor derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie, geen afgeleid verblijfsrecht worden ontleend in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit (in die zin: HvJ [GK] 12 maart 2014, nr.

C-457/12, S. en G., punt 34; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-456/12, punten 36 en 43).

Waar verzoeker zich als derdelander beroept op de hoedanigheid van echtgenoot van een Belgische onderdaan, voert hij niet aan en blijkt evenmin uit de stukken in het rechtsplegingsdossier dat zijn echtgenote haar recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan België.

Het betreft derhalve geen situatie waarop richtlijn 2004/38 van toepassing is, zodat de vraag naar een richtlijnconforme interpretatie van artikel 42 van de vreemdelingenwet niet aan de orde is.

11. Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt als algemene regel dat een beslissing betreffende het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te worden genomen binnen de zes maanden vanaf de indiening van de aanvraag en dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van

XIV-36.472-10/14

het verblijfsrecht bepaalt. Er wordt geen bevoegdheid aan de Koning gegeven voor het bepalen van de termijn waarbinnen het recht op verblijf aan de burger moet worden erkend.

Reeds in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 heeft het Grondwettelijk Hof gewezen op de dubbele waarborg voor de betrokken vreemdeling: “enerzijds, wordt de overheid verplicht om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag tot gezinshereniging, zodat de betrokkene niet te lang in het ongewisse blijft over het antwoord op zijn aanvraag; anderzijds, moet de toelating worden verleend indien geen enkele beslissing werd genomen binnen de opgelegde termijn, waardoor de betrokken vreemdeling wordt beschermd indien de overheid de opgelegde termijn niet respecteert of geen enkele beslissing neemt.” Verder heeft het Hof in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 uitdrukkelijk vastgesteld dat zowel uit de parlementaire voorbereiding als uit het algemeen opzet van de artikelen 40 en volgende van de vreemdelingenwet blijkt “dat de wetgever heeft gewild dat de termijn van zes maanden binnen welke over de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht wordt beslist, in elk geval moet worden nageleefd”.

Uit het voorgaande volgt dat de bedoelde termijn van zes maanden een vervaltermijn is. De verwerende partij houdt ten onrechte voor dat artikel 42 , § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet enkel betrekking zou hebben op de situatie waarin de gemachtigde van de staatssecretaris een beslissing zou moeten nemen nadat het gemeentebestuur het dossier heeft overgemaakt. Zij houdt ook ten onrechte voor dat deze bepaling enkel van toepassing zou zijn bij de erkenning van het verblijfsrecht en niet bij een weigeringsbeslissing. Volgens het Grondwettelijk Hof moet de termijn van zes maanden immers “in elk geval”

worden nageleefd. Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het gemeentebestuur dan wel de federale overheid een beslissing neemt, noch naargelang het een erkennings- dan wel een weigeringsbeslissing betreft.

XIV-36.472-11/14

Vervolgens vormt artikel 52 van het vreemdelingenbesluit integraal de uitvoering van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet.

Derhalve moeten alle met toepassing van artikel 52 van het vreemdelingenbesluit genomen beslissingen ook worden genomen binnen de in artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet bepaalde termijn van zes maanden. Het voornoemde artikel 52 kan immers geen afbreuk doen aan hetgeen is bepaald in artikel 42 van de vreemdelingenwet als hogere norm. Dat het gemeentebestuur op grond van artikel 52, § 3, van het vreemdelingenbesluit de aanvraag pas kan weigeren na afloop van de termijn van drie maanden waarbinnen de vreemdeling de vereiste documenten moest overmaken, doet geen afbreuk aan de algemeen bepaalde vervaltermijn van zes maanden in artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet. Ook het feit dat artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit enkel de situatie betreft waarin het gemeentebestuur de aanvraag met de vereiste documenten heeft overgemaakt aan de gemachtigde van de minister (of de staatssecretaris), doet geen afbreuk aan het voorgaande. Artikel 42 van de vreemdelingenwet voorziet geen situatie waarop de vervaltermijn van zes maanden niet van toepassing zou zijn en artikel 52 van het vreemdelingenbesluit vermag er als lagere norm niet mee in strijd te zijn.

Artikel 52, § 4, tweede lid, van het vreemdelingbesluit voorziet als sanctie dat, “indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of indien er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald in artikel 42, van de wet, […] de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een ‘verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’ [geeft]”. Er wordt niet gepreciseerd dat de sanctie bij het uitblijven van een tijdige beslissing enkel zou gelden voor de federale overheid of enkel voor het gemeentebestuur.

Derhalve wordt artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet met het bestreden arrest geschonden door de overweging “dat de termijn uit artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet slechts van toepassing is ‘indien het familielid alles vereiste documenten heeft overgemaakt’ en het gemeentebestuur de aanvraag aan de gemachtigde van de staatssecretaris

XIV-36.472-12/14

heeft bezorgd”. Samen met deze bepaling wordt ook artikel 52, § 3, van het vreemdelingenbesluit met het bestreden arrest geschonden door te stellen dat deze laatste bepaling enkel een minimumtermijn van drie maanden voor de burgemeester voorziet maar dat “in de regelgeving geen termijn van verval [is]

voorzien indien de vreemdeling de vereiste documenten niet neerlegt”.

Het enige middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 144.509 van 30 april 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenver-

melde commissie en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

XIV-36.472-13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.472-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.042