Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.032 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.032 Généré par l'IA

Court dismisses annulment appeal as lack of safety certificate makes permit revocation legally necessary.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.032
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the annulment appeal filed by Fauwater Hotel and Van Loon against the Flemish Government's decision to revoke their outdoor recreation park permit. The plaintiffs argued that the revocation was illegal due to a lack of procedural safeguards, but the court found that a valid fire safety certificate is a mandatory prerequisite for operating such a facility. Consequently, the court ruled that annulling the revocation decision would not restore a legally executable permit without the required safety documentation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 4, 1° and 8, 1° of the Decree of 10 July 2008; The revocation of an operating permit for outdoor recreation facilities is legally necessary when the facility lacks a mandatory fire safety certificate, rendering any annulment of the revocation decision ineffective for restoring a valid permit.

Mots-clés

Généré par l'IA
outdoor recreation facilities fire safety certificate permit revocation mandatory prerequisite annulment appeal legal necessity operating license

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4, 1° of the Decree of 10 July 2008
article4
Article 8, 1° of the Decree of 10 July 2008
Article 16, 3° of the Decree of 10 July 2008

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.032 van 13 januari 2017

in de zaak A. 209.354/XIV-35.775

In zake : 1. de NV FAUWATER HOTEL EN CHALETPARK

2. Barnhy VAN LOON

3. de NV VAN LOON

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2260 Westerloo-Oevel Nijverheidsstraat 13

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 28 juni 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 26 april 2013 van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand waarbij het beroep ingediend tegen de beslissing van het departement Internationaal Vlaanderen van 1 februari 2013 tot intrekking van de vergunning V.OT. 1.00166.8.02. voor de exploitatie van het openluchtrecreatief terrein subcategorie verblijfpark Fauwater gelegen Lichtaartsebaan 52 te Kasterlee, ongegrond wordt verklaard en het besluit van 1 februari 2013 wordt bekrachtigd.

XIV-35.775-1/19

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2016.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Stephanie Taelemans, die loco advocaten Cies Gysens en Gitte Laenen verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bert Van Herreweghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

XIV-35.775-2/19

III. Feiten

3.1. De eerste verzoekende partij baat op gronden van de derde verzoekende partij, camping Fauwater uit aan de Lichtaartsebaan 52 te Kasterlee.

Tweede verzoeker is de gedelegeerd bestuurder van de eerste verzoekende partij.

3.2. Op 20 januari 2004 krijgt de eerste verzoekende partij van de burgemeester van Kasterlee een attest van brandveiligheid waarbij wordt verklaard dat het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven voldoet aan de specifieke brandveiligheidsnormen zoals die werden opgenomen in de bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 ‘tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen’.

3.3. Bij beslissing van 4 september 2012 van de secretaris-generaal van het departement Internationaal Vlaanderen is aan de eerste verzoekende partij een vergunning uitgereikt voor de exploitatie van het toeristische logies Fauwater, gelegen Lichtaartsebaan 52 in 2460 Kasterlee, in de categorie Openluchtrecreatief terrein en subcategorie Verblijfpark voor het plaatsen van 107 openlucht-

recreatieve verblijven.

De vergunning werd verleend nadat een deskundige van de dienst Toeristische Vergunningen op 2 februari en 8 juni 2012 inspecties uitvoerde en de vastgestelde tekortkomingen werden verholpen. Het logies is ingedeeld in de comfortclassificatie 3 sterren.

3.4. Op zondag 2 december 2012 heeft vanaf 8 uur op de camping een grootschalige inspectie plaats. Er wordt een proces-verbaal “Staking ‘strijdig gebruik’ van niet-vergunde constructies” opgesteld omdat 44 constructies zonder stedenbouwkundige vergunning werden opgetrokken.

XIV-35.775-3/19

Bij die gelegenheid beslist de burgemeester van de gemeente Kasterlee mondeling tot de onmiddellijke afsluiting van de elektriciteit naar het terrein en de chalets (niet naar het hotel) en tot de keuring van de gastoevoer op uiterlijk 3 december 2012 door een erkend keurder.

3.5. Op maandag 3 december 2012, neemt de burgemeester twee beslissingen. In de eerste beslissing ‘bevestigt’ hij zijn mondeling bevel van 2 december 2012 tot het afsluiten van de elektriciteit en de keuring van de gastoevoer ten laatste op 3 december 2012. Met de tweede beslissing beslist de burgemeester tot de onmiddellijke afsluiting van de gastoevoer naar het terrein en de chalets van camping Fauwater.

Bij arrest nr. 221.751 van 13 december 2012 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de beide beslissingen. Tegen deze besluiten werd geen annulatieberoep ingediend. De Raad van State gaat in het arrest nr. 222.871

van 15 maart 2013 over tot opheffing van de uitgesproken schorsing van de tenuitvoerlegging van beide beslissingen.

3.6. Op 6 december 2012 beslist de burgemeester van Kasterlee om het brandveiligheidsattest van 20 januari 2004 van het verblijfpark Fauwater in te trekken, omdat het openluchtrecreatief terrein niet meer voldoet aan de geldende brandveiligheidsnormen.

3.7. Op 21 december 2012 stelt de eerste verzoekende partij administratief beroep in tegen deze beslissing bij de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand.

Op 5 februari 2012 gaat de Technische Commissie Brandveiligheid over tot een plaatsbezoek. Deze commissie adviseert vervolgens om het beroep als ontvankelijk, maar ongegrond af te wijzen.

XIV-35.775-4/19

Op 18 februari 2013 verklaart de minister het beroep van de eerste verzoekende partij ongegrond.

3.8. De verzoekende partijen stellen bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, alsook een beroep tot nietigverklaring in tegen dit ministerieel besluit van 18 februari 2013.

Bij arrest nr. 222.854 van 14 maart 2013 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 225.774 van 10 december 2013

verwerpt de Raad van State het beroep tot nietigverklaring omdat de verzoekende partijen geen memorie van wederantwoord hebben toegestuurd.

3.9. Parallel aan de intrekking van het brandveiligheidsattest loopt een procedure tot intrekking van de exploitatievergunning van het logies.

Bij brief van 7 december 2012 brengt het departement Internationaal Vlaanderen de verzoekende partijen op de hoogte dat het verblijfpark Fauwater niet meer aan artikel 4, 1° van het decreet van 10 juli 2008

‘betreffende het toeristische logies’ voldoet zodat het genoodzaakt is een procedure tot schorsing of intrekking van de vergunning met dossiernummer V.OT.1.00166.8.02/VE op te starten.

In zijn advies van 20 januari 2013 stelt het Adviescomité van het toeristische logies dat brandveiligheid een conditio sine qua non is voor het exploiteren van ieder toeristisch logies. Exploiteren zonder geldig brandveiligheidsattest is een niet te nemen risico. Zowel voor de veiligheid van de toerist als voor de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de exploitant zelve. Na onderzoek van het concrete dossier, adviseert een meerderheid van de leden van het adviescomité (12 leden op de 14 aanwezige leden) om de exploitatievergunning voor vier maanden te schorsen.

XIV-35.775-5/19

Op 22 januari 2013 houdt de dienst Toeristische Vergunningen een hoorzitting.

Op 1 februari 2013 beslist de secretaris-generaal van het departement Internationaal Vlaanderen om de exploitatievergunning in te trekken.

Deze beslissing is onder meer op de volgende motieven gesteund:

“Overwegende dat de brandveiligheid van het toeristische logies een essentiële voorwaarde is voor het uitbaten van een toeristisch logies; dat door het ontbreken van een geldig brandveiligheidsattest, de veiligheid van de logerende toeristen niet wordt gegarandeerd; dat het toeristische logies op vandaag niet voldoet aan artikel 4, 1°, van het decreet van 10/07/2008 betreffende het toeristische logies waaraan het hoort te voldoen, dat het in gevaar brengen van de veiligheid van de logerende toerist een zwaarwichtige inbreuk vormt op de bepalingen en uitgangsprincipes van het decreet van 10/07/2008 betreffende het toeristische logies; dat deze inbreuk de sanctie van de intrekking van de toegekende vergunning rechtvaardigt; dat de zwaarwichtigheid van de inbreuk in proportie is met de sanctie van de intrekking van de toegekende vergunning;

Overwegende dat op grond van artikel 15 van het decreet van 10/07/2008

betreffende het toeristische logies, het Departement internationaal Vlaanderen binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de datum van de ontvangstmelding van de ingebrekestelling de vergunninghouder op de hoogte moet brengen van de beslissing inzake het voornemen tot schorsing of intrekking van de toegekende vergunning; dat bij het verstrijken van deze termijn, het Departement internationaal Vlaanderen geacht wordt af te zien van de schorsing of intrekking van de vergunning, dat het decreet van 10/07/2008 betreffende het toeristische logies niet voorziet dat deze termijn kan opgeschort worden; dat het Departement Internationaal Vlaanderen deze beslissingstermijn ook niet moet uitputten; dat het bovendien, niet aangewezen is dat het Departement deze termijn uitput gezien de zwaarwichtigheid van de inbreuk, het feit dat de veiligheid van de logerende toeristen niet kan gegarandeerd worden en doordat uit het dossier duidelijk blijkt dat het toeristische logies op vandaag niet voldoet aan de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan het hoort te voldoen”.

Op 18 februari 2013 stellen de verzoekende partijen administratief beroep in tegen het intrekkingsbesluit van 1 februari 2013 bij de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand.

Op 4 maart 2013 was er een hoorzitting van de Beroepscommissie voor het toeristische logies waarbij de verzoekende partijen werden gehoord en op 7 maart 2013 adviseert de Beroepscommissie voor het

XIV-35.775-6/19

toeristische logies unaniem om dit ingediende beroep ontvankelijk te verklaren, maar als ongegrond te verwerpen.

3.10. Op 26 april 2013 beslist de minister om het in punt 3.9. vermelde beroep ontvankelijk te verklaren, maar als ongegrond te verwerpen. Tevens wordt het besluit van de secretaris-generaal van het departement Internationaal Vlaanderen van 1 februari 2013 bekrachtigd. In die beslissing wordt onder meer overwogen dat:

“de vergunning werd ingetrokken op 1 februari omwille van het ontbreken van een geldig brandveiligheidsattest; dat de intrekking van de vergunning wordt gemotiveerd in het niet beschikken over een brandveiligheidsattest omdat dit een essentiële voorwaarde is voor het uitbaten van een toeristisch logies; dat het in gevaar brengen van de veiligheid van logerende toeristen een zwaarwichtige inbreuk vormt op de bepalingen en uitgangsprincipes van het decreet; dat de zwaarwichtigheid van de inbreuk in proportie is met de sanctie van de intrekking van de toegekende vergunning”.

Naast de uitgebreide uiteenzetting van het standpunt van de eerste verzoekende partij en de beroepscommissie wordt er in die beslissing nog op gewezen dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State van het ministerieel besluit van 18 februari 2013 aangaande de intrekking van het brandveiligheidsattest werd verworpen wegens het gebrek aan ernstig middel.

Dit is de bestreden beslissing.

3.11. Om de exploitatie van het verblijfpark opnieuw te kunnen opstarten, doet de eerste verzoekende partij onder meer een aanvraag voor het verkrijgen van een brandveiligheidsattest voor het openluchtrecreatief terrein. Op 21 juni 2013 wordt haar dit door de burgemeester van Kasterlee uitgereikt.

Tevens dient zij een aanvraag in voor het verkrijgen van een brandveiligheidsattest voor haar openluchtrecreatieve verblijven. Dit attest wordt haar op 1 juli 2013 door de burgemeester geweigerd voor 33 chalets, waarna de eerste verzoekende partij beroep instelt bij de minister.

XIV-35.775-7/19

3.12. Op 20 november 2013 beslist de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand om het beroep tegen de beslissing van de burgemeester van de gemeente Kasterlee tot weigering van 33 brandveiligheidsattesten voor 33 chalets van het toeristische logies Fauwater, in de categorie Openluchtrecreatief terrein met subcategorie Verblijfpark ongegrond te verklaren.

De verzoekende partijen stellen tegen de beslissing van 20 november 2013 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een navolgende vordering tot schorsing volgens de gewone procedure alsook een beroep tot nietigverklaring in.

Bij arrest nr. 225.948 van 23 december 2013 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid omdat niet is voldaan aan de grondvoorwaarden van de uiterst dringende noodzakelijkheid en het moeilijk te herstellen nadeel.

Bij arrest nr. 227.439 van 16 mei 2014 wordt de (navolgende)

vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 november 2013 verworpen wegens gebrek aan actueel belang. Immers, op 16 april 2014 reikt de burgemeester voor 32 van de 33 chalets de gevraagde brandveiligheidsattesten uit.

Bij arrest nr. 228.427 van 23 september 2014 wordt het beroep tot nietigverklaring verworpen omdat na het verwerpingsarrest van 16 mei 2014

door de verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting werd ingediend.

3.13. Op 16 april 2014 dient de eerste verzoekende partij een aanvraag in voor een nieuwe vergunning voor de uitbating van een toeristische logies voor een bestaand verblijfpark met 118 toeristische openluchtrecreatieve verblijfplaatsen waaronder 88 openluchtrecreatieve verblijfplaatsen (bestaande uit 33 niet-verplaatsbare openluchtrecreatieve verblijven en 55 plaatsen voor mobiele

XIV-35.775-8/19

openluchtrecreatieve verblijven), 28 plaatsen voor kortkampeerders en 2 beheerderswoningen.

Op aangeven van de dienst Toeristische Vergunningen laat de eerste verzoekende partij op 28 mei 2014 de verblijven waarop een stakingsbevel rust, uit de aanvraag halen. De herleide vergunningsaanvraag heeft betrekking op 75 plaatsen waaronder 47 openluchtrecreatieve verblijfplaatsen (33 niet-ver-

plaatsbare openluchtrecreatieve verblijven en 14 plaatsen voor mobiele open-

luchtrecreatieve verblijfplaatsen) en 28 plaatsen voor kortkampeerders.

Hoewel de eerste verzoekende partij in haar brief van 28 mei 2014 argumenten aanhaalt om de verblijven waarop een stakingsbevel rust niet uit de aanvraag te halen, gaat ze hier toch op in. Zij stelt:

“Ondanks voorgaande elementen liet u mij verstaan dat het niet schrappen van de gestaakte verblijven het bekomen van de gehele vergunning in gedrang zou kunnen brengen.

Aangezien we dergelijk scenario omwille van de miserie van de afgelopen jaren financieel echt niet aankunnen, zijn we dan ook genoodzaakt onder alle voorbehoud en zonder nadelige erkenning in te gaan op uw verzoek, zodat wij dan reeds ten aanzien van een aantal verblijven kunnen exploiteren, omdat wij hierdoor nu geen inkomsten hebben.

Ik verklaar dat ook formeel met dit schrijven afstand te doen van onze aanvraag voor de verblijven die in het bijgevoegde plan werden aangeduid en waarop een stakingsbevel rust.”

Op 4 juni 2014 verleent de dienst Toeristische Vergunningen een vergunning met dossiernummer V.OT.1.00166.8.05/VE aan de eerste verzoekende partij voor de exploitatie van het toeristische logies Fauwater, voor 75 openluchtrecreatieve verblijven. Het toeristische logies wordt ingedeeld in de comfortclassificatie 3 sterren.

3.14. Nadat de eerste verzoekende partij op 15 oktober 2015 een aanvraag tot uitbreiding van haar exploitatievergunning voor het plaatsen van 116 openluchtrecreatieve verblijven indient, beslist het departement Internationaal Vlaanderen op 2 december 2015 om haar een gewijzigde vergunning V.OT.1.00166.8.06/VE toe te kennen “voor de exploitatie van het toeristische

XIV-35.775-9/19

logies Fauwater, gelegen Lichtaartsebaan 52 in 2460 Kasterlee, in de categorie Openluchtrecreatief terrein en subcategorie Verblijfpark voor het plaatsen van 116 openluchtrecreatieve verblijven”. Het toeristische logies wordt ingedeeld in de comfortclassificatie 3 sterren.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de verzoekende partijen

4. In hun verzoekschrift verwijzen de verzoekende partijen onder de rubriek “ontvankelijkheid ratione materiae - belang” naar hun hoedanigheid van (1) uitbaatster van Camping Fauwater wat de eerste verzoekende partij betreft, (2) bestuurder van de eerste verzoekende partij wat de tweede verzoekende partij betreft, en (3) naar haar hoedanigheid van eigenaar van het recreatiedomein, die een recht van opstal heeft verleend aan de eerste verzoekende partij op grond waarvan zij een maandelijkse opstalvergoeding ontvangt, wat de derde verzoekende partij betreft. Zij hebben aldus een rechtstreeks belang bij het verder blijven bestaan van de exploitatie waarvan het bestaan door de door het bestuur genomen maatregelen bij de beslissingen van 18 februari 2013 ernstig in het gedrang komt. Zij stellen dat zij “dan ook blijk geven van de vereiste hoedanigheid en het vereiste persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang” bij de bestreden intrekking van de exploitatievergunning V.OT.1.00166.8.02.

5. In hun laatste memorie, die is neergelegd na het tussenkomen van de in punt 3.14. genoemde vergunning V.OT.1.00166.8.06/VE, geven de verzoekende partijen een andere invulling aan hun belang bij de nagestreefde nietigverklaring van de bestreden beslissing. In die laatste memorie delen de verzoekende partijen de Raad van State mee dat zij intussen in kennis zijn gesteld van de beslissing van het afdelingshoofd toeristisch ondernemen en strategische goederen van het departement Internationaal Vlaanderen van 2 december 2015

waarbij aan de eerste verzoekende partij vergunning V.OT.1.00166.8.06/VE werd toegekend “voor de exploitatie van het toeristische logies Fauwater, gelegen

XIV-35.775-10/19

Lichtaartsebaan 52 in 2460 Kasterlee, in de categorie Openluchtrecreatief terrein en subcategorie Verblijfpark voor het plaatsen van 116 openluchtrecreatieve verblijven”. Zij stellen evenwel dat die beslissing geen afbreuk doet aan hun belang, dat nog steeds actueel is. Zij verwijzen daartoe naar de argumentatie “reeds aangehaald in het schrijven van 6 februari 2015 van de raadsman van de verzoekende partijen, in antwoord op het schrijven van 27 januari 2015 van de Auditeur” en hernemen in hun laatste memorie de inhoud van die brief van 6 februari 2015.

Die brief strekt tot antwoord op het door het auditoraat gevoerde ambtshalve onderzoek naar aanleiding van de beslissing van 4 juni 2014 van de dienst Toeristische Vergunningen (cfr. punt 3.13.). Bij de beslissing van 4 juni 2014 werd aan de eerste verzoekende partij een vergunning (nr. V.OT.1.00166.8.05/VE) verleend voor de exploitatie van het toeristische logies Fauwater, voor 75 openluchtrecreatieve verblijven. In die brief stellen zij dat hun belang nog steeds actueel is omdat zij slechts beschikken over een exploitatievergunning voor 75 openluchtrecreatieve verblijven in plaats van de (oorspronkelijk) aangevraagde 118 plaatsen.

Zij stellen dat het departement Internationaal Vlaanderen ten onrechte een probleem maakte van 41 verblijven waarop een stakingsbevel rust en dat, in dit kader nog steeds een procedure lopende is voor de correctionele rechtbank te Turnhout. Op aangeven van het departement hebben zij hun aanvraag ingeperkt waarop zij op 4 juni 2014 de exploitatievergunning voor 75 openluchtrecreatieve verblijven hebben verkregen. In de genoemde correctionele procedure staat ter discussie of 45 stacaravans - waaronder de 41 constructies waarop een stakingsbevel rust - al dan niet werden opgericht zonder afzonderlijke stedenbouwkundige vergunningen, terwijl de verzoekende partijen het standpunt innemen dat voor de betrokken stacaravans geen afzonderlijke stedenbouwkundige vergunningen zijn vereist, daar artikel 4.2.1., 5°, c) VCRO bepaalt dat niemand zonder voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunning een grond gewoonlijk mag gebruiken, aanleggen of inrichten voor het

XIV-35.775-11/19

plaatsen van één of meer constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van het kamperen van een vergund of van vergunning vrijgesteld openluchtrecreatief terrein in de zin van het decreet van 10 juli 2008 ‘betreffende het toeristische logies’. Zij verwijzen daartoe ook naar artikel 8.4. van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is’ (hierna: het vrijstellingenbesluit)

dat één en ander naar hun oordeel “verduidelijkt”.

Om die reden is het voor de verzoekende partijen “zeer belangrijk” te kunnen aantonen dat de [eerste verzoekende partij] steeds over een exploitatievergunning in de zin van artikel 2, 10°, van het decreet van 10 juli 2008

beschikte en de exploitatievergunning V.OT.1.00166.8.02. ten onrechte werd ingetrokken. Zij verduidelijken dat de incriminatieperiode met betrekking tot voornoemde tenlastelegging A loopt van 27 november 2007 tot 9 april 2013.

Bovendien, vragen de verzoekende partijen in die correctionele procedure om de toepassing van artikel 2, lid 2, van het Strafwetboek, zijnde de terugwerkende kracht van de mildere strafwet in de mate de strafrechter de mening zou zijn toegedaan dat er ingevolge artikel 4.2.1, 5°, c), VCRO wel een stedenbouwkundige vergunning is vereist. Zij argumenteren dat krachtens artikel 8.4. van het genoemde vrijstellingenbesluit alsnog geen stedenbouwkundige vergunning is vereist voor het plaatsen van mobiele openluchtrecreatieve verblijven zoals stacaravans, zelfs indien zij zijn bestemd om ter plaatse te blijven staan op voorwaarde dat deze zijn geplaatst op een vergund openluchtrecreatief terrein in de zin van artikel 2, 10°, van het decreet van 10 juli 2008. De verzoekende partijen zetten uiteen dat door de bijzondere koppeling tussen de exploitatievergunning voor de stacaravans eensdeels en het gegeven dat de vergunning dd. 4 juni 2014 beperkter is qua plaatsen dan de ingetrokken exploitatievergunning anderdeels, de toestand geenszins als “geregulariseerd” of “opgelost” kan worden beschouwd.

XIV-35.775-12/19

Wat de inmiddels tussengekomen vergunning van 2 december 2015 betreft, die betrekking heeft op 116 openlucht recreatieve verblijven, verwijzen de verzoekende partijen opnieuw naar wat hiervoor is uiteengezet om te besluiten dat zij ook nu nog hun belang behouden dat de Raad van State “vaststelt dat de vergunning van 4 september 2012 voor het plaatsen van 107 openluchtrecreatieve verblijven ten onrechte werd ingetrokken”.

Beoordeling

6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.

Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.

Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert.

Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).

XIV-35.775-13/19

7. In de mate de eerste verzoekende partij als uitbater van het toeristische logies Fauwater, de tweede verzoekende partij als bestuurder van eerst genoemde en de derde verzoekende partij als eigenaar van de grond die een opstalvergoeding ontvangt, hun belang bij de vernietiging van de bestreden intrekkingsbeslissing verbinden aan de onmogelijkheid om, bij gebrek aan vernietiging van de bestreden beslissing, de exploitatie uit te baten voor het geheel of een gedeelte van de openlucht recreatieve bedrijven, dient te worden vastgesteld dat zij geen actueel belang meer hebben ingevolge het tussenkomen van de vergunningsbeslissing van 2 december 2015 voor de exploitatie van 116 openluchtrecretatieve verblijven aangezien zij op dat punt inmiddels geheel voldoening hebben gekregen.

De op 2 december 2015 verleende vergunning komt geheel tegemoet aan de door de eerste verzoekende partij op 15 oktober 2015 ingediende aanvraag tot uitbreiding van de exploitatievergunning voor het plaatsen van 116 openluchtrecreatieve verblijven. Bovendien is die vergunning ruimer – anders dan het geval was met de vergunning van 4 juni 2014 die slechts betrekking had op 75 openluchtrecreatieve verblijven – dan de vergunning nr. V.OT. 1.00166.8.02

(voor 107 openluchtrecreatieve verblijven) waarvan zij de intrekking met het voorliggende beroep bestrijden.

De vernietiging van de bestreden beslissing kan hen in dat opzicht geen enkel (bijkomend) voordeel verstrekken.

8. In hun laatste memorie betrekken de verzoekende partijen hun actueel belang nog uitsluitend op de strafrechtelijke procedure waarvan de eerste en de tweede verzoekende partij voorwerp zijn. Zij stellen dat het voor hen “zeer belangrijk” is om aan te tonen dat de eerste verzoekende partij steeds over een exploitatievergunning in de zin van artikel 2, 10° van het decreet van 10 juli 2008

‘betreffende het toeristische logies’ beschikte en de exploitatievergunning V.OT.1.00166.8.02. van 4 september 2012 voor de exploitatie van het

XIV-35.775-14/19

openluchtrecreatief terrein subcategorie verblijfpark Fauwater, gelegen Lichtaartsebaan 52 te Kasterlee ten onrechte werd ingetrokken.

Zij verwijzen daartoe naar de op de eerste en de tweede verzoekende partij rustende tenlastelegging, namelijk het oprichten zonder stedenbouwkundige vergunning van 45 niet-vergunde constructies op de perceelnummers 21, 22, 24, 25, 27, 28, 29, 35, 37, 38, 45, 46, 48, 50, 51, 53, 55, 56, 59, 62, 63, 64, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 86, 87, 88 en 91 en dit “tussen 27 november en 9 april 2013, de feiten de voortdurende en achtereenvolgende uiting zijnde van eenzelfde opzet, het laatste feit gepleegd zijnde op 25 september 2012” (cfr. punt 3.4.). De eerste en de tweede verzoekende partij betwisten in die strafrechtelijke procedure dat een afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van die constructies was vereist omdat die constructies zijn “geplaatst” op een vergund openluchtrecreatief terrein in de zin van artikel 2, 10°, van het decreet van 10 juli 2008.

Los van die vraag die niet aan de orde is binnen het kader van het voorliggende beroep en dus hier ook geen antwoord behoeft, moet vooreerst worden vastgesteld zoals blijkt uit het door de verwerende partij bijgebrachte arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 september 2015 dat het laatste feit is gepleegd op 25 september 2012.

9. De eerste verzoekende partij is van een uitbatingsvergunning voor het openluchtrecreatief terrein, gelegen te Kasterlee, Lichtaartsebaan 52, verstoken gebleven vanaf 1 februari 2013 (zijnde de datum waarop het departement Internationaal Vlaanderen de vergunning V.OT. 1.00166.8.02 voor de exploitatie van het openluchtrecreatief terrein subcategorie verblijfpark Fauwater intrekt) tot 4 juni 2014, zijnde de datum waarop aan de eerste verzoekende partij, gevolg gevend aan haar nieuwe aanvraag van 16 april 2014, een nieuwe exploitatievergunning wordt toegekend voor het toeristische logies Fauwater in de categorie Openluchtrecreatief terrein en subcategorie Verblijfpark (zij het, op dat ogenblik, voor 75 verblijven). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de eerste

XIV-35.775-15/19

verzoekende partij toch reeds vanaf 21 juni 2013 opnieuw over een brandveiligheidsattest voor het terrein beschikt. Hoe dan ook, vóór 1 februari 2013

- datum die zich situeert nadat het laatste feit (25 september 2012) van tenlastelegging A waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, is gepleegd - was de uitbating van het openluchtrecreatief terrein toegestaan. De “intrekking” van de uitbatingsvergunning is immers geen intrekking die terugwerkt in de tijd zoals dat het geval is bij de intrekking van een onregelmatige rechtshandeling. Een “intrekking” zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 10 juli 2008 is een bestuurlijke maatregel waarbij een einde wordt gesteld aan de uitbatingsmachtiging die een voorwaarde is tot het uitoefenen van een welbepaalde (economische) activiteit, te dezen de exploitatie van een openluchtrecreatief terrein respectievelijk van toeristische logies. Dergelijke bestuurlijke maatregel moet worden beschouwd als een onderdeel van de toepasselijke regelgeving inzake de uitoefening van een economische bedrijvigheid in die zin dat tot intrekking alleen kan worden besloten indien de (wettelijke) voorwaarden waarvan de verkrijging van de vergunning afhankelijk is, niet langer zijn vervuld. Een dergelijk “intrekking” houdt in dat de vergunning niet langer toegekend is (cfr. Parl. St., 2007-2008, nr. 1547/1, p. 24). Zij krijgt slechts uitwerking vanaf de kennisgeving ervan.

10. Wat de nog overblijvende “incriminatieperiode” betreft die volgens de uiteenzetting van de verzoekende partijen loopt tot 9 april 2013 (zie hoger punt 8.) wijl geen exploitatievergunning meer voorlag vanaf 1 februari 2013, ziet de Raad van State niet in hoe krachtens het decreet van 10 juli 2008 een (uitvoerbare) vergunning voor de exploitatie van een openluchtrecreatief terrein in de zin van artikel 2, 10° van dat decreet kan gelden of voorliggen zonder het daartoe vereiste brandveiligheidsattest.

De verzoekende partijen gaan eraan voorbij dat de burgemeester van Kasterlee, met toepassing van artikel 5, §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2009 ‘tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan het toeristische logies moet voldoen’, op

XIV-35.775-16/19

6 december 2012 het door artikel 4, 1°, van het decreet van 10 juli 2008 vereiste brandveiligheidsattest van 20 januari 2004, heeft ingetrokken. Na het tegen die beslissing ingestelde georganiseerd administratief beroep, heeft de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand op 18 februari 2013 de beslissing van de burgemeester tot intrekking van het brandveiligheidsattest bekrachtigd. Die beslissing is inmiddels definitief geworden nu de Raad van State het beroep tot nietigverklaring van die beslissing bij arrest nr. 225.774 van 10 december 2013 heeft verworpen, overigens omdat de verzoekende partijen niet tijdig een memorie van wederantwoord in die zaak hadden neergelegd. Het gevolg daarvan is dat definitief vaststaat dat met ingang van 6 december 2012 de verzoekende partijen niet langer beschikten over enig brandveiligheidsattest noodzakelijk voor de uitbating van hun economische activiteit, te dezen de uitbating van een toeristisch logies.

Er kan naar het oordeel van de Raad van State redelijkerwijze niet worden aangenomen dat, zonder de vereiste brandveiligheidsattesten, een toeristische logies kan worden vergund. Dat het voorhanden zijn van een brandveiligheidsattest een essentiële, zelfs een noodzakelijke voorwaarde is tot het verkrijgen en, derhalve, tot het behoud van een uitvoerbare exploitatievergunning blijkt alleen reeds uit artikel 10, § 3, 3°, van het decreet van 10 juli 2008. Krachtens die bepaling moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vergunningsaanvraag, het attest waaruit blijkt dat het toeristische logies voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 4, 1°, aan de aanvraag worden toegevoegd. Dat krachtens artikel 8, eerste lid, van het decreet de Vlaamse Regering de vergunning “kan” schorsen of intrekken als een of meer verplichtingen of voorwaarden die overeenkomstig dat decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan zijn opgelegd, niet of niet meer worden nageleefd, leidt niet tot een ander besluit. Immers, ook ingeval van schorsing (i.p.v.

intrekking) van de exploitatievergunning ligt niet langer een uitvoerbare exploitatievergunning voor. Weliswaar is krachtens artikel 16, derde lid, van het decreet van 10 juli 2008 het beroep tegen de beslissing tot schorsing of intrekking

XIV-35.775-17/19

van de vergunning opschortend, doch dat is volgens diezelfde bepaling niet het geval indien de beslissing wordt genomen omdat het toeristische logies niet of niet meer beschikt over een geldig attest als vermeld in artikel 4, 1°, van datzelfde decreet. Bij afwezigheid van een brandveiligheidsattest kan een intrekking of een schorsing van de uitbatingsvergunning worden bevolen doch een derde mogelijkheid is er niet precies omdat - om evidente redenen - het brandveiligheidsattest een noodzakelijke voorwaarde voor uitbating is.

In die omstandigheden kan de vernietiging van de thans bestreden beslissing de verzoekende partijen niet tot voordeel strekken. De gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing waarbij de exploitatievergunning voor het toeristische logies Fauwater wordt ingetrokken mag dan wel tot gevolg hebben dat deze beslissing met terugwerkende kracht uit de rechtsordening verdwijnt, doch niet dat zonder brandveiligheidsattest een (uitvoerbare) exploitatievergunning kan worden bekomen of behouden.

11. Daargelaten nog de vraag of het nagestreefde belang, te dezen aantonen dat, ondanks de afwezigheid van enig brandveiligheidsattest, een uitvoerbare exploitatievergunning voorhanden is, een wettig belang is, moet in de geschetste omstandigheden worden vastgesteld dat het belang dat erin bestaat de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren om, vervolgens, op grond van deze, met gezag van gewijsde beklede uitspraak, een strafrechtelijke procedure voor de gewone rechter richting te geven of te kunnen ondersteunen, een belang is dat niet aan de nietigverklaring verbonden is. Een belang dat er slechts in bestaat een middel gegrond te horen verklaren, is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen of te handhaven.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

XIV-35.775-18/19

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro, elk voor een derde.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-35.775-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.032