Court dismisses request to suspend subsidy execution due to lack of proven urgency and insufficient evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of the Flemish Government's decision denying operating subsidies. The applicant failed to provide concrete financial data or proof that their organization's survival was in immediate danger without the subsidies. Consequently, the court found the alleged urgency required for suspension was not substantiated by any evidence.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 25 and 26 of the Code of Administrative Justice; A request for suspension of enforcement requires proof of urgency and irreparable harm, which must be substantiated by concrete evidence rather than general assertions.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 237.018 van 12 januari 2017
in de zaak A. 220.257/IX-8921
In zake: de VZW PLATFORM K
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 12 september 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Vlaamse Regering van 29 juni 2016 over de toekenning van de vijfjarige werkingssubsidies 2017-2021, zowel wat betreft het (impliciet) niet toekennen van een (structurele)
werkingssubsidie aan de [vzw Platform K] als het toekennen van (structurele)
werkingssubsidies aan andere aanvragers”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-8921-1/7
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Tom De Sutter, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Ian Arnouts en Alexandre Peytchev, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster dient op 29 september 2015 bij de afdeling Kunsten een aanvraagdossier in voor de toekenning van een werkingssubsidie in het kader van het Kunstendecreet van 13 december 2013, voor de periode 2017-2021 ten belope van 254.000 euro in het eerste jaar, oplopend tot 270.000 euro in het vijfde jaar.
Op 29 juni 2016 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘hou-
dende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013’.
IX-8921-2/7
Dit is het bestreden besluit. Het luidt:
“Gelet op de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepa-
lingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, artikel 11 tot en met 14;
Gelet op het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwen-
ding ervan, en de controle door het Rekenhof, artikel 53 tot en met 57;
Gelet op het Kunstendecreet van 13 december 2013, artikel 25; gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2015;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 28 juni 2016;
Overwegende de motiveringen opgenomen in de nota aan de Vlaamse Regering en in de bijlage 2 bij dit besluit, welke geacht worden integraal deel uit te maken van deze beslissing;
Overwegende dat de subsidieregeling valt onder de toepassing van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108
van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brus-
sel;
Na beraadslaging, Besluit:
Artikel 1. In uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 de-
cember 2013 worden aan 207 organisaties, vermeld in bijlage 1 bij dit be-
sluit, een subsidie toegekend als ondersteuning van een werking die inzet op een of meerdere functies en disciplines voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. De bedragen per werkingsjaar per or-
ganisatie staan vermeld in bijlage 1.
Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.”
Bijlage 2 van het bestreden besluit geeft voor elke aanvrager summier een motivering van de beslissing. Het volgende is te lezen met betrekking tot verzoekster:
“Op voorstel van de minister, bevoegd voor Cultuur, kan de Vlaamse Re-
gering de overwegingen en adviezen van de afdeling Kunsten en de be-
voegde beoordelingscommissie niet volgen omwille van de beperkte budgettaire context. De Vlaamse Regering beslist af te zien van een sub-
sidietoekenning.”
IX-8921-3/7
IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
4. Verzoekster stelt “het (impliciet) niet toekennen” van een wer-
kingssubsidie aan haarzelf te bestrijden. De aangehaalde passus uit bijlage 2 bij het bestreden besluit, die luidens de considerans geacht wordt “integraal deel uit te maken van deze beslissing”, leert op het eerste gezicht dat de Vlaamse regering uitdrukkelijk – en dus niet impliciet – “beslist af te zien van een subsidietoeken-
ning”.
In de huidige stand van de procedure, zo lijkt, is het voorwerp van het beroep dan ook op te vatten als het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 2016 ‘houdende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013’ in de mate waarin de regering, eensdeels, de voormelde werkingssubsidies toekent en, anderdeels, be-
slist om verzoekster geen subsidies toe te kennen.
V. Schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
VI. Spoedeisendheid
6. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerleg-
ging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de
IX-8921-4/7
hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij on-
herroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
7. In haar inleidend verzoekschrift voert verzoekster aan dat het ontzeggen van overheidssteun voor de vijf volgende jaren “met onmiddellijke ingang” haar voortbestaan bedreigt en dat zij haar werking zal moeten stopzetten of deze in die mate zal moeten beperken dat een zinvol voortbestaan in het gedrang komt, dat een ontslag van de medewerkers zich opdringt, dat zij onmogelijk haar werking kan verzekeren met inkomsten uit de privésector, dat zij “huur- of andere overeenkomsten” zal moeten opzeggen en dat de “verworvenheden van de voor-
bije jaren” te grabbel worden gegooid en moeilijk kunnen worden heropgebouwd.
Zij stelt, voor haar werking voor 57% afhankelijk te zijn van deze overheidssteun en voor nog eens 28% van steun van de stad Gent die “eveneens ter discussie staat”.
8. Het inleidend verzoekschrift bevat aldus enkele algemene be-
weringen zonder ook maar enige becijfering.
Aan de Raad wordt geen duidelijkheid verschaft over de aan-
genomen verbintenissen, laat staan over de financiële gevolgen bij de verbreking daarvan. Niet zelfs wordt geëxpliciteerd om welke “huur- of andere overeenkom-
sten” het gaat of hoeveel medewerkers er zijn.
Het enige geconcretiseerde cijfer in het verzoekschrift, namelijk het aandeel van de subsidies in de totale ontvangsten, wordt geponeerd zonder enig stavingsstuk. Verzoekster brengt in het verzoekschrift geen enkele duiding over haar andere bronnen van inkomsten, noch is duidelijk of zij over een kapitaalbuffer
IX-8921-5/7
beschikt. Zij geeft geen enkele inschatting hoelang zij zonder subsidies haar acti-
viteiten kan voortzetten. De stelling van verzoekster dat zij geen “afdoende mid-
delen uit de privésector kan genereren om haar werking en activiteiten alsnog op punt te houden”, is een blote bewering waarvan zij verzuimt enig begin van bewijs te geven.
De inventaris van de stukken van verzoekster omvat enkel de bestreden beslissing, de bijbehorende nota aan de Vlaamse regering en de e-mail met de kennisgeving ervan, het definitief voorstel van beslissing van 18 april 2016, het “draaiboek kwaliteitsbeoordeling van het Kunstendecreet” en de “financiële cijfers bij aanvraagdossier”. Een begroting ontbreekt, evenals een becijfering die inzicht geeft in en onderbouw aan de bewering dat het voortbestaan of de werking van verzoekster ernstig in het gedrang komt. Ten overvloede zij opgemerkt dat de “financiële cijfers” uit het dossier dat een aanvrager opstelt met het oog op de initiële aanvraag van een meerjarige werkingssubsidie niet kunnen doorgaan voor de noodzakelijke becijfering en duiding van de bewering dat het voortbestaan van de rechtspersoon in het gedrang komt indien de afloop van de annulatieprocedure moet worden afgewacht, of dat in diezelfde periode het wegvallen van de subsidies zal leiden tot een vermindering van de activiteiten op een wijze die de niet nader toegelichte “verworvenheden van de voorbije jaren” onherroepelijk of minstens op een zeer ernstige wijze in het gedrang brengt zodat die, naar bewering van ver-
zoekster, niet of bijzonder moeilijk weer heropgebouwd kunnen worden. Hoe dan ook mag in een schorsingsprocedure van de Raad niet worden verwacht dat hij zelf in de bijlagen op zoek gaat naar cijfergegevens die de spoedeisendheid onder-
bouwen en die in het inleidend verzoekschrift niet ter sprake zijn gebracht.
9. Zonder ook maar enig op de zaak concreet toegeschreven en met overtuigingsstukken onderbouwd argument stelt verzoekster de rechter niet in staat om de beweerde spoedeisendheid te verifiëren.
De spoedeisendheid is bijgevolg niet aangetoond.
IX-8921-6/7
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8921-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.018