Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.017 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.017 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request due to failure to prove urgency with concrete financial data.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.017
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Justice of the Flemish Community rejected the applicant's request to suspend the execution of a subsidy decision. The applicant argued that denying the subsidy threatened the organization's survival, but provided no specific financial figures or concrete evidence of imminent harm. The court ruled that the applicant failed to meet the burden of proof required to demonstrate urgency, as the claim lacked verifiable data and precise details.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Law of 12 January 1973 on the Council of State; Urgency in suspension proceedings requires concrete, precise, and verifiable data proving irreparable harm, which is not presumed based on the nature of the decision.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution urgency requirement burden of proof concrete evidence subsidy decision irreparable harm verifiable data

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Law of 12 January 1973 on the Council of State, Title VI, Chapter II
Law of 16 May 2003 on budgetary provisions and control
Decree of 8 July 2011 on budget and subsidy allocation
Arts. 10 and 11 of the Law of 12 January 1973

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 237.017 van 12 januari 2017

in de zaak A. 220.256 /IX-8920

In zake: de VZW KUNST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 september 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Vlaamse Regering van 29 juni 2016 over de toekenning van de vijfjarige werkingssubsidies 2017-2021, zowel wat betreft het (impliciet) niet toekennen van een (structurele)

werkingssubsidie aan de [vzw Kunst] als het toekennen van (structurele) wer-

kingssubsidies aan andere aanvragers”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-8920-1/6

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Tom De Sutter, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Ian Arnouts en Alexandre Peytchev, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoekster dient op 1 oktober 2015 bij de afdeling Kunsten een aanvraagdossier in voor de toekenning van een werkingssubsidie in het kader van het Kunstendecreet van 13 december 2013, voor de periode 2017-2021 ten belope van 475.000 euro in het eerste jaar, aflopend tot 375.000 euro in het vijfde jaar.

Op 29 juni 2016 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘hou-

dende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013’.

IX-8920-2/6

Dit is het bestreden besluit. Het luidt:

“Gelet op de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepa-

lingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, artikel 11 tot en met 14;

Gelet op het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwen-

ding ervan, en de controle door het Rekenhof, artikel 53 tot en met 57;

Gelet op het Kunstendecreet van 13 december 2013, artikel 25; gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2015;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 28 juni 2016;

Overwegende de motiveringen opgenomen in de nota aan de Vlaamse Regering en in de bijlage 2 bij dit besluit, welke geacht worden integraal deel uit te maken van deze beslissing;

Overwegende dat de subsidieregeling valt onder de toepassing van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014

waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108

van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brus-

sel;

Na beraadslaging, Besluit:

Artikel 1. In uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 de-

cember 2013 worden aan 207 organisaties, vermeld in bijlage 1 bij dit be-

sluit, een subsidie toegekend als ondersteuning van een werking die inzet op een of meerdere functies en disciplines voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. De bedragen per werkingsjaar per or-

ganisatie staan vermeld in bijlage 1.

Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.”

Bijlage 2 van het bestreden besluit geeft voor elke aanvrager summier een motivering van de beslissing. Het volgende is te lezen met betrekking tot verzoekster:

“Op voorstel van de minister, bevoegd voor Cultuur, maakt de Vlaamse Regering zich de overwegingen en adviezen van de afdeling Kunsten en de bevoegde beoordelingscommissie volledig eigen. De Vlaamse Regering beslist af te zien van een subsidietoekenning.”

IX-8920-3/6

IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep

4. Verzoekster stelt “het (impliciet) niet toekennen” van een wer-

kingssubsidie aan haarzelf te bestrijden. De aangehaalde passus uit bijlage 2 bij het bestreden besluit, die luidens de considerans geacht wordt “integraal deel uit te maken van deze beslissing”, leert op het eerste gezicht dat de Vlaamse regering uitdrukkelijk – en dus niet impliciet – “beslist af te zien van een subsidietoeken-

ning”.

In de huidige stand van de procedure, zo lijkt, is het voorwerp van het beroep dan ook op te vatten als het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 2016 ‘houdende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013’ in de mate waarin de regering, eensdeels, de voormelde werkingssubsidies toekent en, anderdeels, be-

slist om verzoekster geen subsidies toe te kennen.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

6. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerleg-

ging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de

IX-8920-4/6

hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij on-

herroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.

7. In haar inleidend verzoekschrift voert verzoekster aan dat het ontzeggen van overheidssteun voor de komende vier jaren haar voortbestaan be-

dreigt, dat zij haar werking zal moeten stopzetten of deze in die mate zal moeten beperken dat een zinvol voortbestaan in het gedrang komt, dat een ontslag van de medewerkers zich opdringt, dat zij onmogelijk haar werking kan verzekeren met eigen inkomsten en dat zij “huur- of andere overeenkomsten” zal moeten opzeg-

gen.

8. Het inleidend verzoekschrift bevat geen enkele becijfering.

Niet zelfs wordt geëxpliciteerd om welke “huur- of andere overeenkomsten” het gaat of hoeveel medewerkers er zijn.

Het enige geconcretiseerde cijfer in het verzoekschrift leert dat de gevraagde subsidie “ongeveer 20% van de begrote totale omzet” bedraagt wat, eerder dan te overtuigen van de spoedeisendheid, bijkomende vragen oproept over de redenen waarom de procedure ten gronde niet kan worden afgewacht en de relevantie van een becijferde begroting nog groter doet uitschijnen.

Nog daargelaten dat in een schorsingsprocedure van de Raad niet mag worden verwacht dat hij zelf in de bijlagen op zoek gaat naar cijferge-

gevens die de spoedeisendheid onderbouwen en die in het inleidend verzoekschrift niet ter sprake zijn gebracht, zou die zoektocht in de huidige zaak hoe dan ook niets kunnen opleveren. Immers, de inventaris van de stukken van verzoekster omvat

IX-8920-5/6

enkel de bestreden beslissing, de bijbehorende nota aan de Vlaamse regering en de e-mail met de kennisgeving ervan, het definitief voorstel van beslissing van 18 april 2016 en het “draaiboek kwaliteitsbeoordeling van het Kunstendecreet”.

Opnieuw geen enkele begroting of becijfering die inzicht geeft in en onderbouw aan de bewering dat het voortbestaan of de werking van verzoekster ernstig in het gedrang komt.

9. Zonder ook maar enig op de zaak van verzoekster concreet toegeschreven argument en zonder enig overtuigingsstuk stelt verzoekster de rechter niet in staat om de beweerde spoedeisendheid te verifiëren.

De spoedeisendheid is bijgevolg niet aangetoond.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-8920-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.017