Court dismisses urgent relief request as applicant failed to prove irreparable harm from subsidy denial.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for urgent suspension of the execution of the subsidy denial decision. The applicant argued that losing the funding would irreparably damage their artistic activities, but the court found the evidence insufficient to verify the financial and operational links between the applicant and its commercial subsidiary. Consequently, the court determined that the applicant did not demonstrate the necessary urgency required to suspend the administrative decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 100 § 1, 1st al. k.r.s.; Art. 100 § 2, 1st al. k.r.s.: Urgent relief is only granted if the applicant proves that the execution of the contested decision would cause irreparable harm or a particularly serious prejudice that cannot be remedied by ordinary appeal procedures.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 237.016 van 12 januari 2017
in de zaak A. 220.253 /IX-8919
In zake: de VZW H ART FUNDATIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francis de Clippele kantoor houdend te 2000 Antwerpen Tabaksvest 47
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Jochen Vranckx kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 12 september 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het Besluit van de Vlaamse Regering dd.
29 juni 2016 houdende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013 […] en waarbij werd besloten om in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet werkingssubsidies toe te kennen aan 207 organisaties, doch niet aan [de vzw H Art Fundatie]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-8919-1/10
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Sven Vernaillen, die loco advocaat Francis de Clip-
pele verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco-
ördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster ondersteunt het hedendaags kunstenlandschap door in de vorm van een papieren tijdschrift en digitaal over alle aspecten van heden-
daagse beeldende kunst en aanverwanten te publiceren.
Zij dient op 28 september 2015 bij de afdeling Kunsten in het kader van het Kunstendecreet van 13 december 2013 een aanvraagdossier in voor de toekenning van een werkingssubsidie, voor de periode 2017-2021, ten belope van 80.000 euro in het eerste jaar, oplopend tot 90.000 euro in het vijfde jaar.
Op 29 juni 2016 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘hou-
dende de toekenning van werkingssubsidies aan organisaties voor de periode van
IX-8919-2/10
1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 in uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013’.
Dit is het bestreden besluit. Het luidt:
“Gelet op de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepa-
lingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, artikel 11 tot en met 14;
Gelet op het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwen-
ding ervan, en de controle door het Rekenhof, artikel 53 tot en met 57;
Gelet op het Kunstendecreet van 13 december 2013, artikel 25; gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2015;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 28 juni 2016;
Overwegende de motiveringen opgenomen in de nota aan de Vlaamse Regering en in de bijlage 2 bij dit besluit, welke geacht worden integraal deel uit te maken van deze beslissing;
Overwegende dat de subsidieregeling valt onder de toepassing van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108
van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brus-
sel;
Na beraadslaging;
Besluit:
Artikel 1. In uitvoering van artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 de-
cember 2013 worden aan 207 organisaties, vermeld in bijlage 1 bij dit be-
sluit, een subsidie toegekend als ondersteuning van een werking die inzet op een of meerdere functies en disciplines voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. De bedragen per werkingsjaar per or-
ganisatie staan vermeld in bijlage 1.
Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.”
Bijlage 2 van het bestreden besluit geeft voor elke aanvrager summier een motivering van de beslissing. Het volgende is te lezen met betrekking tot verzoekster:
“Op voorstel van de minister, bevoegd voor Cultuur, kan de Vlaamse Re-
gering de overwegingen en adviezen van de afdeling Kunsten en de be-
voegde beoordelingscommissie niet volgen omwille van de beperkte
IX-8919-3/10
budgettaire context. De Vlaamse Regering beslist af te zien van een sub-
sidietoekenning.”
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Spoedeisendheid
Uiteenzetting
5. Volgens verzoekster dreigen “onherroepelijke schadelijke ge-
volgen, indien de bestreden beslissing niet in diens tenuitvoerlegging op zeer korte termijn wordt geschorst”.
Zij wijst erop dat haar een werkingssubsidie van 80.000 euro wordt geweigerd.
Vervolgens zet zij in het inleidend verzoekschrift het volgende uiteen:
“Uit de begroting van Verzoekster voor het jaar 2017 blijkt dat zij dient te beschikken over 163.500,00 EUR inkomsten om haar kosten te kunnen dekken, terwijl zij zelf een verwachte omzet zal draaien van 83.500,00
EUR uit de verkoop van haar tijdschrift en de geleverde diensten (stuk 11).
Voor ongeveer 50% van diens budget is Verzoekster aldus afhankelijk van een continuïteit in de werkingssubsidies (stukken 11 en 12).
Dit blijkt ook uit het verleden toen nog gewerkt werd via BVBA H Art. Uit de balans van het boekjaar 2015 blijkt dat de inkomsten en uitgaven van BVBA H Art in het boekjaar 2015 elkaar zo goed als in evenwicht houden (positief resultaat van 1.459,71 EUR) dankzij de ontvangst van werkings-
subsidies ter waarde van 65.352,15 EUR van de Vlaamse Regering.
IX-8919-4/10
Verzoekster heeft de werkingssubsidies dan ook broodnodig om haar ac-
tiviteiten te kunnen blijven ontwikkelen. Zonder werkingssubsidie kan Verzoekster haar werking niet meer verder financieren (d.w.z. de perso-
neels- en huurkosten evenals de vergoedingen aan free-lancemedewerkers betalen). Daarbij geldt bovendien dat de eventuele winst die Verzoekster al zou kunnen maken, terug aan de Vlaamse Overheid dient te worden afge-
geven in het kader van de kwaliteitscontrole die de Vlaamse Regering uitvoert (stuk 13).
Gezien de bestreden beslissing met ingang van 2017 deze werkings-
sub[s]idies niet langer toekent, ontstaat er een onmiddellijk en ernstig na-
deel. Het is onmogelijk voor de Verzoekster om op dergelijke korte termijn voor een dergelijk bedrag alternatieven te vinden en deze beslissing werkt rechtstreeks in op diens werking. Mogelijks moeten werknemers worden ontslagen en de activiteiten worden aangepast of afgebouwd.
Enkel de schorsing van de bestreden beslissing zal aan Verzoekster de kans bieden om alsnog een werkingssubsidie toegekend te krijgen voor 2017 en de daarop volgende jaren.
Indien Uw Raad bovendien de middelen tegen het subsidiebesluit van de Vlaamse Regering ernstig zou bevinden, zijn bovendien zowel Verzoekster als de overige culturele instellingen erbij gebaat spoedig rechtszekerheid te hebben over het subsidiekader voor de volgende jaren. Het is ook in het belang van alle partijen om spoedig uitsluitsel te krijgen over de rechts-
geldigheid van de bestreden beslissing gezien het effect van een mogelijke herziening van de bestreden beslissing na een eventuele schorsing of ver-
nietiging op een deel of het geheel van alle aanvragers van de subsidies.”
Beoordeling
6. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerleg-
ging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij on-
herroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht.
Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on-
derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de be-
streden beslissing is.
IX-8919-5/10
7. Voor zover verzoekster betoogt dat ook anderen baat hebben bij een snelle uitspraak, beroept zij zich niet op haar eigen situatie en de schade die de tenuitvoerlegging van de beslissing haar in afwachting van een einduitspraak doet lijden. Hiermee houdt de Raad dan ook geen rekening.
8. De weigering van een overheidssubsidie betekent voor ver-
zoekster een financieel nadeel.
Het volstaat op zich niet een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde.
Hierbij wordt bedacht dat de verzoekende partij in de huidige zaak een rechtspersoon is.
Als bijzondere redenen kunnen dan worden aangevoerd, de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van de verzoekende partij ernstig in gevaar brengt bij zoverre dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing en het daaropvol-
gend rechtsherstel voor haar geen onmiddellijk nut meer kan hebben. Als een bijzondere reden kan ook worden aanvaard dat de activiteiten zelf – of, wegens de aard van die activiteiten, het marktaandeel of andere structurele inkomsten van de verzoekende partij, of voor de activiteiten dragende samenwerkingsverbanden – op een definitieve wijze in gevaar worden gebracht.
9. Verzoekster beweert niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar voortbestaan als rechtspersoon op korte termijn in gevaar brengt.
IX-8919-6/10
10. Wel argumenteert zij dat de weigering van 80.000 euro over-
heidssubsidies rechtstreeks inwerkt op haar werking en meer zelfs, dat die mid-
delen “broodnodig” zijn om haar activiteiten te kunnen blijven ontwikkelen.
De Raad wordt bijgevolg uitgenodigd de impact te onderzoeken van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op de activiteiten die de rechtspersoon conform haar statutair doel ontplooit.
11. Verzoekster alludeert erop dat “mogelijks” werknemers moeten worden ontslagen en activiteiten worden aangepast of afgebouwd.
Verzoekster verwijst voorts naar “personeels- en huurkosten evenals vergoedingen aan free-lancemedewerkers”.
Aan de Raad wordt geen duidelijkheid verschaft over de aan-
genomen verbintenissen, laat staan over de precieze financiële gevolgen bij de verbreking daarvan. Niet zelfs wordt geëxpliciteerd om welke “personeels- en huurkosten” het gaat of voor welke bedragen de free-lancemedewerkers vergoed worden.
Het ontslag van personeel wordt enkel in hypothetische be-
woordingen geformuleerd. Niet wordt verduidelijkt over hoeveel personeelsleden het gaat en welke weerslag hun vertrek heeft op de voortzetting van de activiteiten.
De enkele vaststelling ten slotte dat een vereniging tijdelijk en in afwachting van een arrest ten gronde haar activiteiten zou moeten terugschroeven vereist nadere toelichting. Door louter te stellen dat activiteiten moeten “worden aangepast of afgebouwd” in afwachting van een arrest ten gronde, toont verzoek-
ster nog niet aan wélke impact het wegvallen van de gevraagde subsidies precies zal veroorzaken, laat staan dat hierdoor haar werking fundamenteel in het gedrang komt.
IX-8919-7/10
De weigering van subsidies heeft voor verzoekster gevolgen vanaf begin 2017, maar is aan verzoekster reeds bekend sedert medio 2016. Niet blijkt waarom deze termijn verzoekster niet in staat kon stellen om huur- en ar-
beidsrelaties op te zeggen en om een visie te ontwikkelen om haar activiteiten – tijdelijk – te herstructureren.
12. Verzoekster verwijst in de aangehaalde uiteenzetting over de spoedeisendheid naar “het verleden toen nog gewerkt werd via BVBA H Art”. Uit de stukken die voorliggen blijkt evenwel dat de bvba H Art nog steeds bestaat.
Meer zelfs, tussen beide rechtspersonen zou een zekere symbiose bestaan en ver-
zoekster zou ook na 2017 “nog [werken] via bvba H Art”. Minstens levert de bvba diensten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de activiteiten van verzoekster, die zelf nog maar is opgericht eind 2015 met het oog op de huidige subsidie-aanvraag. Verzoekster zou “de content van H ART […] verzamelen, bewerken en sturen”, de bvba zou instaan “voor de verderzetting van de logistieke, infrastructurele en commerciële activiteiten”, aldus het initiële zakelijk advies. In haar verhaal tegen dit advies geeft verzoekster hierover meer uitleg, maar in wezen ontkracht zij niet “de opsplitsing van de commerciële activiteit in een BVBA en de inhoudelijke werking onder de vzw”, zo leidt de Raad af uit de beoordeling van dit verhaal.
In haar uiteenzetting laat verzoekster echter een bespreking van de situatie van de bvba achterwege. De Raad moet bijgevolg wel het bestaan vaststellen van een bvba die de “commerciële activiteiten” minstens deels verzorgt ten behoeve van de “inhoudelijke werking” van verzoekster. Hij is evenwel niet in staat gesteld om na te gaan wat de onderlinge financiële of inhoudelijke banden zijn, of en welke “personeels- en huurkosten” ten laste zijn van die bvba, wat de weerslag is van een en ander op de voortzetting van de activiteiten door verzoek-
ster en, bijgevolg, hun weerslag op de ingeroepen spoedeisendheid.
13. Nog steeds uit de voorliggende stuken blijkt de ambitie van verzoekster om vanaf 2017 haar internationale zichtbaarheid uit te breiden, om een
IX-8919-8/10
digitaal platform uit te bouwen en om een Franstalige versie van het tijdschrift op de markt te brengen.
Dit roept de vraag op in hoeverre deze plannen verwerkt zijn in de begroting voor 2017 en in hoeverre de aangevraagde subsidie bijgevolg mede bedoeld is voor de financiering van deze nieuwe plannen, eerder dan voor de voortzetting van de bestaande activiteiten. Opnieuw rijst de vraag of de tijdige mededeling medio 2016 van de geweigerde subsidie niet volstaat voor verzoekster om deze plannen bij te stellen in afwachting van een uitspraak ten gronde. Alles-
zins lijkt het moeten uitstellen van nieuwe plannen van een andere orde, in het licht van de spoedeisendheid, dan het moeten terugschroeven van een bestaande wer-
king.
14. In het licht van al deze vaststellingen, volstaat het niet om ter becijfering enkel te verwijzen naar de begroting voor het jaar 2017 en de op grond daarvan gemaakte vaststelling dat de helft van de geraamde omzet afkomstig is van de gevraagde subsidie.
Hiermee stelt verzoekster de rechter niet de noodzakelijke ge-
gevens ter beschikking die hem in staat stellen om te verifiëren of het wegvallen van de subsidie en het tijdelijk ondergaan van die beslissing in afwachting van een uitspraak ten gronde de activiteiten van verzoekster definitief en onherroepelijk in gevaar dreigt te brengen, of minstens toch op een dermate ingrijpende wijze dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de normale afwikkeling van het annu-
latieberoep moet afwachten.
De spoedeisendheid is bijgevolg niet aangetoond.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
IX-8919-9/10
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8919-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.016