Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.013 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.013 Généré par l'IA

Court annuls administrative tribunal ruling for disproportionate limitation of access due to late filing procedural error.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.013
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Administrative Tribunal's decision declaring the applicant's appeal inadmissible for late filing. The applicant argued she was not driven by fraudulent intent despite her negligent submission, while the tribunal accepted the late date as valid. The court ruled that accepting only the later filing disproportionately restricted access to justice, thereby invalidating the tribunal's reasoning.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 16 and 17 of the Code of Administrative Justice; The administrative tribunal must not disproportionately limit access to justice by accepting a late filing when the applicant was not driven by fraudulent intent and the initial submission was merely negligent.

Mots-clés

Généré par l'IA
late filing procedural inadmissibility disproportionate limitation access to justice fraudulent intent negligent submission annulment of decision respect du délai de recours

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
article 16 of the royal decree of 30 November 2006
article 30/1, section 2, last paragraph of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.013 van 12 januari 2017

in de zaak A. 218.650/VII-39.781.

In zake : Sigrid DEBUSSCHERE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans, Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN VLAAMS-BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen :

1. Luc DEMARREZ

2. Beatrice ADRIANSENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) nr. RvVb/A/1516/0506 van 26 januari 2016 in de zaak 1011/0358/A/3/0305.

VII-39.781-1/9

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 29 maart 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 juni 2016. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december 2016.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Kurt Stas, die loco advocaat Filip De Preter verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

VII-39.781-2/9

III. Feiten

3.1. Met een besluit van 7 oktober 2010 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan Demarrez - Adriansens een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een windmolen.

Het arrest nr. A/2014/0631 van 9 september 2014 verklaart het beroep van Debusschere tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 7 oktober 2010 onontvankelijk wegens laattijdigheid.

Bij arrest nr. 231.610 van 16 juni 2015 vernietigt de Raad van State het arrest van de RvVb wegens schending van het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging.

3.2. Het bestreden arrest nr. RvVb/A/1516/0506 van 26 januari 2016

verklaart het beroep van Debusschere tot vernietiging van het besluit van de deputatie van 7 oktober 2010 opnieuw onontvankelijk wegens laattijdigheid.

IV. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de partijen

4. Debusschere voert de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot de rechter, artikel 13 van de Grondwet, artikel 6.1

van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 9.2 juncto artikel 2.5 van het Verdrag van Aarhus en de artikelen 4.8.16, § 1, 3° en 4.8.16, § 2, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO).

VII-39.781-3/9

Debusschere voert aan wat volgt:

“In […] het bestreden arrest, stelt de [RvVb] vast dat uit de stukken van het dossier blijkt dat [Debusschere] op 6 december 2010 een eerste maal het vernietigingsberoep aangetekend heeft gestuurd naar de [RvVb]. Op de enveloppe wordt een verkeerde postcode vermeld, namelijk 1210 in plaats van 1030 waardoor de brief terug wordt bezorgd aan [Debusschere] op 20 december 2010.

De [RvVb] stelt eveneens vast dat op 20 december 2010 het verzoekschrift opnieuw wordt verzonden aan de [RvVb] met als bijlage een kopie van de enveloppe van de aangetekende zending van 6 december 2010 en 17 december 2010 waarmee de oorspronkelijk aangetekende zending terug wordt bezorgd aan [Debusschere].

Tot slot stelt de [RvVb] vast dat [Debusschere] niet werd gedreven door enig bedrieglijk inzicht en niet de bedoeling had de termijn te omzeilen”.

Debusschere betoogt dat de RvVb bij de onontvankelijkverklaring wegens laattijdigheid een overdreven formalisme hanteert “door de tijdigheid van het vernietigingsberoep […] uitsluitend te toetsen aan het begrip overmacht” en het recht op toegang tot de rechter schendt.

5. De verwerende partij antwoordt dat het middel onontvankelijk is omdat Debusschere “de Raad van State als cassatierechter [vraagt] de feitelijke context van de zaak op een andere wijze te appreciëren en in het licht van die (andere) appreciatie te oordelen dat het fundamentele recht op toegang tot de rechter ten onrechte wordt beknot door de RvVb”.

Beoordeling

6. Het middel nodigt de Raad van State als cassatierechter niet uit tot het in de beoordeling van de zaak zelf te treden wat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet wordt toegestaan.

De exceptie van de verwerende partij wordt verworpen.

VII-39.781-4/9

7. Luidens artikel 4.8.16, § 2, 1° en § 3, VCRO in zijn toepasselijke versie moet een beroep bij de RvVb tegen een vergunningsbeslissing bij wijze van verzoekschrift worden ingesteld binnen een vervaltermijn van 30 dagen die ingaat hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer dergelijke betekening vereist is, hetzij de dag na deze van aanplakking, in alle andere gevallen.

Het verzoekschrift moet overeenkomstig artikel 4.8.14 VCRO in zijn toepasselijke versie op straffe van onontvankelijkheid aan de RvVb per beveiligde zending - dit is gelet op artikel 1.1.2, 3°, VCRO per aangetekend schrijven of door neerlegging ter griffie - worden toegezonden.

De bedoeling van dit voorschrift van een beveiligde zending is een vaste datum te geven aan de aan de RvVb toegezonden stukken.

8. De toepassing van de ontvankelijkheidsvereiste in het voormelde artikel 4.8.16, § 2, 1°, VCRO samengelezen met het voormelde artikel 4.8.14

VCRO mag er niet toe leiden dat het recht van toegang tot de RvVb wordt beperkt op een wijze die niet in evenredigheid staat met het doel dat met deze ontvankelijkheidsvereiste wordt nagestreefd, zijnde de rechtszekerheid en een behoorlijke rechtsbedeling.

9. Uit de niet betwiste vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat:

- de voormelde vervaltermijn is aangevangen op 9 november 2010 en is afgelopen op 8 december 2010;

- Debusschere “het verzoekschrift tot vernietiging een eerste maal aangetekend opstuurde naar de [RvVb] op maandag 6 december 2010” met de foutieve vermelding op de enveloppe van de “postcode „1210 Brussel‟ […] in plaats van „1030 Brussel‟” en dat “deze zending […] op vrijdag 17 december 2010 als onbestelbaar [werd] teruggezonden”;

- “op maandag 20 december 2010 […] het verzoekschrift nogmaals aangetekend [wordt] opgestuurd […] met vermelding van de juiste postcode” waarbij “ook

VII-39.781-5/9

kopie [wordt] gevoegd van de enveloppe van de aangetekende zending op 6 december 2010 en van de enveloppe van de postdiensten van 17 december 2010

waarmee het verzoekschrift van 6 december 2010 als onbestelbaar werd terugbezorgd”;

- “het op 20 december 2010 opgestuurde verzoekschrift […] wel wordt ontvangen door de [RvVb]”.

10. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt tevens dat Debusschere op 6 december 2010:

- ter informatie een afschrift van het verzoekschrift aan de deputatie en aan Demarrez - Adriansens heeft gestuurd zoals bepaald in artikel 4.8.16, § 5, VCRO

in zijn toepasselijke versie;

- het verzoekschrift met een e-mailbericht heeft verzonden aan info.vergunningsbetwistingen@vlaanderen.be.

11. Het bestreden arrest besluit na de voormelde vaststellingen tot de onontvankelijkheid van het beroep van Debusschere op grond van volgende overwegingen:

“Het op 20 december 2010 opgestuurde verzoekschrift wordt wel ontvangen door de [RvVb] maar is naar het oordeel van de [RvVb] in het licht van de bepalingen van artikel 4.8.16, §2, 1°,b VCRO laattijdig ingediend.

3. Volgens [Debusschere] betreft het vermelden van de foutieve postcode een louter materiële misslag en had zij hiermee geenszins de intentie om de wettelijke termijn waarbinnen zij een vordering kon instellen, te omzeilen of te ontduiken.

Ook al had [Debusschere] met het vermelden van een foutieve postcode niet de intentie om de wettelijke termijn om een verzoekschrift in te dienen, te omzeilen, dan nog mag van een normaal zorgvuldige en vooruitziende verzoekende partij in alle redelijkheid wel verwacht worden dat zij het nodige doet om het verzoekschrift niet alleen tijdig aan de postdiensten toe te vertrouwen, maar ook zo op te stellen dat het door diezelfde postdiensten ook correct aan de [RvVb] kan worden besteld. Doet zij dit niet, en is zij op dit punt nalatig, minstens onzorgvuldig, dan beknot zij in de feiten zelf haar toegang tot de [RvVb].

Het enkele gegeven dat één en dezelfde straat verschillende postcodes kent, wat gebeurlijk verwarrend kan zijn doch anderzijds in grotere agglomeraties niet ongebruikelijk is, kan evenwel niet zonder meer worden aanvaard als een

VII-39.781-6/9

situatie van overmacht, waardoor [Debusschere] zou worden vrijgepleit van enige onzorgvuldigheid of nalatigheid bij de verzending van haar verzoekschrift. [Debusschere] toont immers niet aan dat het voor haar onmogelijk was om het correcte adres van de Raad te achterhalen.

De omstandigheid dat [Debusschere] naar eigen zeggen niet werd gedreven door enig bedrieglijk inzicht, wat de [RvVb] wil aanvaarden doch waarmee evenmin is aangetoond dat de foutief geadresseerde zending ook effectief het naderhand opnieuw ingestelde verzoekschrift bevatte, volstaat geenszins om de nalatige, minstens onzorgvuldige, wijze waarop [Debusschere] haar vordering heeft ingesteld als een vorm van overmacht aan te merken. Het argument dat de postdiensten in sommige gevallen foutief geadresseerde poststukken blijkbaar wel op het juiste adres afleveren, is in het licht van voorgaande vaststellingen niet relevant.

4. De [RvVb] kan dan ook enkel rekening houden met het enige verzoekschrift dat zij daadwerkelijk heeft ontvangen, met name het verzoekschrift dat met een aangetekende zending van 20 december 2010 werd ingesteld, en vaststellen dat dit beroep laattijdig is”.

12. Door na te hebben overwogen dat de RvVb wil aanvaarden dat Debusschere “niet werd gedreven door enig bedrieglijk inzicht” en dat de onzorgvuldige indiening op 6 december 2010 van de vordering niet als een vorm van overmacht kan worden beschouwd, te besluiten dat de RvVb “dan ook” enkel rekening kan houden met “het verzoekschrift dat met een aangetekende zending van 20 december 2010” werd ingediend en dienvolgens enkel kan “vaststellen dat dit beroep laattijdig is”, beperkt het bestreden arrest op een onevenredige wijze de toegang tot de RvVb.

Het eerste middel is gegrond.

13. Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken die niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

VII-39.781-7/9

V. Kosten van de tussenkomende partijen

14. Een tussenkomende partij dient normaal haar eigen kosten te dragen. De Raad van State ziet geen reden om daar te dezen van af te wijken.

Overigens sluit artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitdrukkelijk uit dat de tussenkomende partij in aanmerking kan komen voor een rechtsplegingsvergoeding.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/A/1516/0506 van 26 januari 2016 in de zaak 1011/0358/A/3/0305.

2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.

3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan verzoekster.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft.

VII-39.781-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.781-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.013