Court dismisses appeal against disciplinary decision, ruling no unwritten secret voting principle exists in administrative law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the police commissioner's appeal against a disciplinary sanction imposed by the Minister of the Interior. The applicant argued that the internal disciplinary board violated the unwritten principle of secret voting required for collegial decisions affecting individuals. The court held that no such unwritten rule exists in administrative law for disciplinary proceedings, rendering the applicant's claim invalid.
Regeste Legislator
Généré par l'IAWet van de Raad van State, titel VI, hoofdstuk II; In administrative law, there is no unwritten principle requiring secret voting by collegial bodies in disciplinary matters.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.011 van 11 januari 2017
in de zaak A. 206.172/XIV-35.731
In zake : Daisy VISSERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 31 augustus 2012, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit [van 3 juli 2012] van de minister van binnenlandse zaken als hogere tuchtoverheid waarbij aan verzoek[st]er de lichte tuchtstraf van de blaam […] is opgelegd”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
XIV-35.731-1/15
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is commissaris van politie.
3.2. Met het inleidend verslag van 24 maart 2011 stelt het politie-
college van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke (PZ 5437), optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoekster de zware straf van inhouding van wedde van 10 % gedurende een maand op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf.
XIV-35.731-2/15
3.3. Op 5 mei 2011 stelt het politiecollege, optredend als hogere tuchtoverheid, voor om aan verzoekster de zware tuchtstraf van inhouding van 10 % van de bruto maandwedde gedurende één maand op te leggen.
Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot herover-
weging in bij de Tuchtraad. In zijn tussenadvies van 20 december 2011 adviseert de Tuchtraad om de zaak voor bevoegdheid over te dragen aan de minister van Binnenlandse Zaken.
3.4. Op 4 januari 2012 draagt het politiecollege het tuchtdossier voor bevoegdheid over aan de minister van Binnenlandse Zaken die dat op 24 januari 2012 aanvaardt.
3.5. In zijn definitief advies van 7 juni 2012 adviseert de Tuchtraad “dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 10% niet evenredig is en dat de ‘blaam’ als tuchtstraf dient te worden opgelegd”.
3.6. De minister van Binnenlandse Zaken, als hogere tuchtoverheid, legt op 3 juli 2012 aan verzoekster de lichte tuchtstraf van de blaam op, daarbij het advies van de Tuchtraad bijtredend.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van het recht van verdediging, van het recht om te worden begrepen en van de
XIV-35.731-3/15
materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster, die tot het Nederlandstalige kader be-
hoort, vraagt zich af in welke mate de minister van Binnenlandse Zaken, die Franstalig is, persoonlijk een afdoende kennis heeft van de Nederlandse taal en dit bekeken vanuit het fundamentele recht van verzoeker om begrepen te worden. Hij verwijst hierbij naar het arrest nr. 219.336 van 14 mei 2012, en stelt dat daaruit blijkt dat het recht om begrepen te worden fundamenteel is en dat, opdat de tuchtrechtelijk vervolgde er zich onverkort op kan beroepen, er een sluitende zekerheid dient te zijn dat degene die een beslissing neemt in de zaak, de taal van de ambtenaar even goed kan begrijpen als iemand die tot zijn taalrol behoort.
Verzoekster erkent te dezen het bijzondere aspect dat de minister geen ambtenaar is maar een politicus-gezagsdrager. Op grond van citaten uit de arresten nrs. 70.418
van 18 december 1997, 167.106 van 25 januari 2007 en 202.431 van 29 maart 2010
en het verwijzen naar het arrest nr. 19.907 van 13 november 1979, betoogt verzoekster dat inzake politieke mandatarissen alwaar geen vereisten bestaan of kunnen bestaan op het vlak van het bewijzen van hun taalkennis, het voormelde fundamenteel recht dient te worden opgelost door een vertaling van de gezegdes en stukken in de andere taal middels een beroep op vertalers en tolken.
De toepassing van de voormelde interpretatie op haar tuchtzaak, houdt volgens verzoekster in dat het omvangrijke tuchtdossier moest worden vertaald naar het Frans middels tussenkomst van een beëdigd vertaler, minstens moest de zekerheid worden geboden van een eensluidend verklaarde vertaling. Zij wijst ter zake op het tijdstip waarop de minister de tuchtbevoegdheid heeft verworven en de complexiteit van het tuchtdossier. De omstandigheid dat de minister is bijgestaan door Nederlandstaligen en dat haar afgevaardigde voor de Tuchtraad Nederlandstalig is, noch het feit dat de bestreden beslissing in het Nederlands is gesteld, doen aan die eis geen afbreuk. Het is immers de minister die bevoegd is en die op basis van een gedegen kennis van de zaak en het dossier een beslissing dient te treffen. Enkel een integrale vertaling van het dossier naar het Frans kan de zekerheid bieden dat de minister werkelijk met kennis van zaken kon handelen en beslissen, hetgeen evenwel niet is gebeurd. Nu volgens verzoekster de motieven van de bestreden beslissing bij gebreke aan dienstige kennis van het
XIV-35.731-4/15
dossier niet deugdelijk zijn, acht zij tevens de materiëlemotiveringsplicht geschonden.
5. In de memorie van wederantwoord betwist verzoekster de pertinentie van het argument dat zij niet in concreto aantoont dat de minister haar niet zou hebben begrepen. Zij kan immers niet in de geest van de minister treden om zekerheid te hebben van wat die wel of niet kennisnam of kon kennisnemen.
Inzake het argument dat de minister werd bijgestaan door een Nederlandstalige medewerker, betoogt verzoekster dat de eigenlijke beslissingsbevoegdheid bij de minister ligt zodat die zelf optimaal kennis moet kunnen nemen van het dossier.
Voorts beweert de verwerende partij niet dat de minister een afdoende kennis heeft van de Nederlandse taal. De verwijzing ter zake door de verwerende partij naar publieke optredens van de minister zegt volgens verzoekster niets over de afdoende kennis van de taal om een ingewikkeld tuchtdossier te kunnen begrijpen, aangezien uit de aangehaalde rechtspraak blijkt dat een begrip van de taal wordt vereist die even goed is als van iemand die tot de betreffende taalrol behoort. Ook het argument dat het gebruik van de talen is gebeurd conform het taalgebied, is niet relevant aangezien zulks niet wordt betwist. Voorts strekt het recht om te worden begrepen zich uit tot de stukken van het dossier en betreft het niet enkel het mondeling horen. Tot slot is het feit dat verzoekster zich in het Nederlands heeft kunnen uitdrukken en verdedigen evenmin relevant: het gebruik van de taal is niet voldoende, men moet ook kunnen worden begrepen.
In de laatste memorie erkent verzoekster dat de lijn van de rechtspraak die zij in haar verzoekschrift schetste, betrekking heeft op wettelijk tweetalige organen gelegen in Brussel-Hoofdstad. Dit belet volgens haar evenwel niet dat de geschetste lijn moet worden doorgetrokken naar het niveau van de minister omdat, volgens haar, de minister een politiek mandataris is waarvan de taalkennis niet vaststaat, zodat er op dat vlak geen verschil is tussen de minister en een politiecollege uit een politiezone gelegen in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. Citerend uit het arrest nr. 195.647 betoogt zij dat er ook voor de minister geen vereisten zijn inzake de talenkennis en dat de minister in de uitoefening van
XIV-35.731-5/15
haar politiek mandaat administratieve rechtshandelingen dient te verrichten in de beide landstalen. De wet heeft geen vermoeden ingesteld dat een politiek mandataris gelast alle landstalen te kennen. Wat de bemerking betreft dat verzoekster niet aantoont welke stukken of elementen van het dossier de minister niet zou hebben begrepen, meent verzoekster dat van haar niet kan worden verwacht dat zij een negatief bewijs zou leveren. Het recht van verdediging verdraagt zich niet met een these die neerkomt op een vorm van speculatie omtrent de mate waarin alle strekkingen van het dossier zijn begrepen.
Beoordeling
De schending van het recht van verdediging en het recht om begrepen te worden
6. Verzoekster voert de schending aan van het recht op ver-
dediging. Het eveneens door verzoekster geschonden geachte recht om begrepen te worden is een onderdeel van dat recht op verdediging. Het houdt te dezen in dat de minister, optredend als hogere tuchtoverheid, de plicht heeft de stukken van het dossier te begrijpen, alsook wat haar wordt meegedeeld door het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
De vraag of aan de voormelde vereiste is voldaan, dient in concreto te worden beoordeeld. Anders dan wat verzoekster stelt, houdt “het recht om te begrijpen en begrepen te worden” op zich niet steeds de noodzaak in dat vertalers en tolken worden ingeschakeld bij de behandeling van een tuchtzaak. De rechtspraak waarop verzoekster zich beroept ter adstructie van dat standpunt, leidt niet tot een andere conclusie. Ze betreft immers enerzijds ambtenaren waarvoor de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het taalgebruik in bestuurszaken op imperatieve wijze regelt welk niveau van taalkennis die moeten kunnen bewijzen op het ogenblik van het nemen van de tuchtbeslissing, terwijl een federale minister, zoals verzoekster overigens terecht zelf bemerkt, niet die hoedanigheid bezit.
Anderzijds betreffen het politieke mandatarissen die lid zijn van een wettelijk tweetalig collectief orgaan van een administratieve overheid die in het tweetalig
XIV-35.731-6/15
gebied Brussel-Hoofdstad werkzaam is en aan wie dezelfde gecoördineerde wetten uitdrukkelijk de verplichting opleggen om het Nederlands en het Frans te gebruiken, zonder een beroep te doen op vertalers en waaruit in navolging van het arrest nr. 24.422 van 30 mei 1984, wordt afgeleid dat zulks in tuchtzaken inhoudt dat, spijts de letterlijke tekst van de voormelde gecoördineerde wetten, op grond van het recht van verdediging, de eentalige verklaringen die het personeelslid voor het orgaan aflegt moet worden vertaald door een tolk opdat ze verstaanbaar worden voor alle leden van dat orgaan en dat de eentalige stukken uit het tuchtdossier in vertaling in dat dossier moeten voorkomen. De betrokken federale minister heeft evenmin deze hoedanigheid van lid van dergelijk orgaan werkzaam in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zodat ook de voormelde verplichtingen op haar niet rusten. Verzoekster kan aldus niet worden gevolgd waar zij in de laatste memorie stelt dat de lijn van die rechtspraak kan en moet worden doorgetrokken naar het niveau van de minister.
7. Op verzoekster, die zich beroept op de schending van het recht van verdediging, rust aldus een stelplicht. Het komt haar toe in concreto aan te tonen dat er elementen of stukken uit het tuchtdossier zijn die op een wezenlijke wijze de besluitvorming hebben beïnvloed of verhinderd hebben dat die werd beïnvloed en die de minister niet heeft begrepen.
Het enige argument dat verzoekster ter zake aanvoert, is in wezen dat de bevoegde minister een Franstalige minister is in wiens hoofde geen vereisten bestaan inzake talenkennis. Dat enkele gegeven volstaat op zich niet om tot het besluit te komen dat de minister de elementen die betrekking hebben op een substantieel onderdeel van de besluitvorming, te dezen niet heeft begrepen. De enkele omstandigheid dat federale ministers op grond van artikel 99, tweede lid, van de Grondwet worden ingedeeld in Nederlandstalige en Franstalige ministers, houdt immers op zich niet in dat die de taal welke de tuchtrechtelijk vervolgde persoon gebruikt, niet begrijpen.
XIV-35.731-7/15
Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster de aangevoerde schending van het recht op verdediging niet aannemelijk maakt.
8. Het middel is in die mate ongegrond.
De schending van de materiëlemotiveringsplicht
9. Aangezien uit wat voorafgaat niet blijkt dat de minister verzoekster niet heeft begrepen, volgt hieruit dat het hierop gesteunde argument als zouden de motieven bij gebreke aan dienstige kennis van het dossier niet deugdelijk zijn, evenmin gegrond is.
10. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
11. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel “en het hierin begrepen beginsel dat de schijn van partijdigheid moet worden voorkomen”. Verzoekster licht toe dat het onpartijdigheidsbeginsel werd geschonden ingevolge het optreden van het politiecollege, die de tuchtzaak ab initio heeft aangevat, en door het feit dat de aangestelde vooronderzoeker enkel een onderzoek ten laste heeft gevoerd, daarin niet gecorrigeerd door het politiecollege. Volgens verzoekster blijkt uit de resem aan tuchtvervolgingen waaraan zij heeft blootgestaan, de totale statutaire on-
zekerheid van haar functioneren in de zone en de procedure wegens pesten voor de arbeidsrechtbank, een verregaande animositeit met de korpschef en diens discipelen en het politiecollege (bestaande uit slechts twee burgemeesters).
Verzoekster had dat ook reeds van in het begin opgeworpen, met name in haar verweerschrift voor het politiecollege, en zij had expliciet het voltallige politiecollege gewraakt. De aan deze problematiek geboden remediëring van
XIV-35.731-8/15
overdracht van bevoegdheid aan de minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Tuchtraad, kan volgens verzoekster geen soelaas bieden. Het kan voor haar niet dat een orgaan dat bevangen is door minstens de schijn van partijdigheid een tuchtonderzoek voert, de procedure opstart en doorzet tot op het niveau van de Tuchtraad. Door pas in een uitermate laat stadium bevoegdheid te verwerven in deze complexe zaak, zijn de handen van de minister gebonden en zijn er amper nog mogelijkheden om op basis van eigen bevindingen tot een oordeelsvorming te komen. Dit blijkt volgens verzoekster onder meer uit de hoorzitting voor de Tuchtraad van 17 april 2012 waar de afgevaardigde van de minister een en ander finaal liet afhangen van de visie van de Tuchtraad. Daar komt bij dat de minister diende voort te gaan op een dossier dat ook op partijdige wijze tot stand was gekomen via het onderzoek van de door het politiecollege aangestelde vooronderzoeker dat evenmin getuigt van de nodige objectiviteit en louter en alleen ten laste is gevoerd, hetgeen zij detailleert in het verzoekschrift. Zij besluit dat de bestreden beslissing die weliswaar afkomstig is van de minister, definitief is gevitieerd door, minstens de schijn van partijdigheid in hoofde van het politie-
college en van de door haar aangestelde vooronderzoeker.
12. In haar memorie van wederantwoord meent verzoekster dat niet kan worden ontkend dat wanneer een dossier pas op het laatste moment wordt overgedragen aan de minister, deze een dossier in de schoot krijgt geworpen dat reeds bezwangerd is of kan zijn door een aantasting van de noodzakelijke onpartijdigheid. Zij wijst erop dat zij in het verzoekschrift verwees naar de animositeit die heerst tussen haarzelf en de korpschef, annex het politiecollege.
Wat de vooronderzoeker betreft, merkt verzoekster op dat “deze niet de meest in het oog springende figuur is in de talloze vervolgen waar zij aan heeft blootgestaan maar dat hij wel telkens mee aan de kar trok daartoe en betrokken was in alle tuchtdossiers”. Bovendien heeft de vooronderzoeker persoonlijk twee processen-
verbaal tegen verzoekster opgesteld, hetgeen volgens haar ook kan tellen wat de schijn van partijdigheid betreft. Dat de Tuchtraad en de minister een eigen onderzoek hebben gevoerd en beschouwingen hebben gegeven aan de zaak doet volgens verzoekster aan het voormelde geen afbreuk: een gedegen onpartijdige
XIV-35.731-9/15
tuchtoverheid die voortgaat op een onderzoek ten laste en ten ontlaste was mogelijkerwijs immers tot het oordeel gekomen dat er zich geen tuchtfeit voordeed, minstens hadden dergelijke pertinente gegevens ten ontlaste ook deel uitgemaakt van het dossier.
In de laatste memorie beaamt verzoekster dat de overdracht naar de minister niet met zich brengt dat die de lopende procedure op eigen gezag zou mogen herbeginnen, maar stelt zij dat het beter zou zijn mocht dit wel kunnen.
Verzoekster betoogt voorts, als antwoord op het verslag van het auditoraat, dat zij, naar haar mening, “geen spectaculaire nieuwe argumenten aandraagt op het vlak van het onderzoek.”
Beoordeling
13. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.
Verzoekster voerde in haar verweer voor de Tuchtraad reeds aan dat de tuchtoverheid op het ogenblik dat zij het inleidend verslag opstelde, vooringenomen was en dat het gebrek dat hieruit voortvloeit voor de procedure naderhand niet meer kan worden rechtgezet. De Tuchtraad oordeelde in zijn definitief advies van 7 juni 2012 omtrent de aangevoerde partijdigheid als volgt:
“Het inleidend verslag is een voorbereidende beslissing waardoor een tuchtoverheid, als zij kennis neemt van feiten die een tuchtvergrijp uitmaken, een tuchtprocedure opstart. Deze voorbereidende beslissing kan de tuchtvervolging als geheel slechts vitiëren als de onregelmatigheden begaan n.a.v. deze voorbereidende beslissing van die aard zijn dat zij de rechten van verdediging op een onherstelbare wijze hebben geschonden omdat het onmogelijk is de ware toedracht van de feiten te achterhalen, of omdat het personeelslid niet meer in de mogelijkheid is om al zijn middelen te laten gelden tegenover een onpartijdige of een niet vooringenomen tuchtoverheid vooraleer deze een eindbeslissing neemt.
Ten deze blijkt dat de overdracht van bevoegdheid naar de ‘onpartijdige’ Minister van Binnenlandse Zaken nog mogelijk was. Dat blijkt uit de nota door de Minister neergelegd op de zitting van 17 april 2012 waarin zij na analyse van het volledige tuchtdossier het aantal ten laste gelegde feiten beperkt en de voorgestelde tuchtstraf behoudt maar slechts in afwachting van een advies van de tuchtraad.
In deze zaak was de overdracht van bevoegdheid voor een kennelijk onpartijdige tuchtoverheid nodig om zonder enige schijn van partijdigheid de ware toedracht van
XIV-35.731-10/15
de zaken te achterhalen. Voor verzoekster was het na de overdracht van de bevoegdheid nog mogelijk om voor deze overheid en de tuchtraad al haar middelen te laten gelden.”
De verwerende partij wijst aangaande de onpartijdigheid bovendien terecht op de specifieke aard van de gevolgde procedure. Artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet laat toe dat het tuchtdossier op elk ogenblik van de procedure wordt overgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken. Een overdracht op grond van voormeld artikel 20, 1°, a), houdt evenwel niet in dat de minister de lopende procedure op eigen gezag zou mogen herbeginnen. Het onpartijdigheids-
beginsel mag er dan ook niet toe leiden dat het nemen van een beslissing door het bevoegde tuchtorgaan onmogelijk wordt gemaakt. Het kan dan ook niet de bedoeling zijn dat de minister van Binnenlandse Zaken als hogere tuchtoverheid volledig verhinderd wordt zich uit te spreken over een tuchtzaak omdat de zaak in een laat stadium van de tuchtprocedure voor bevoegdheid wordt overgedragen.
Dat de minister van Binnenlandse Zaken volledig gebonden zou zijn geweest door een partijdig dossier en op basis van door dit gebrek aangetaste dossier zou hebben geoordeeld, is niet correct. De zaak is immers nog voor de Tuchtraad behandeld geweest, waar de partijen hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten en bijkomende stukken hebben kunnen neerleggen. Zowel uit het deskundigenverslag als uit het definitief advies van de Tuchtraad blijkt dat genoegzaam rekening werd gehouden met de door verzoekster aangevoerde grieven omtrent de animositeit tussen haar en de korpsleiding. Voorts blijkt duidelijk uit de bestreden beslissing dat de minister de zaak zelf heeft onderzocht.
Zo heeft zij in haar nota van 17 april 2012 de in het inleidend verslag vermelde feiten geherformuleerd (weliswaar in afwachting van het definitief advies van de tuchtraad). In de bestreden beslissing overweegt zij voorts dat een en ander kadert in het langdurig conflict tussen verzoekster en haar hiërarchie en besluit zij op grond van haar bevindingen tot een lichtere tuchtstraf. Uit wat voorafgaat, kan geenszins worden afgeleid dat de minister in de onmogelijkheid zou zijn geweest om tot haar oordeel te komen omdat het haar beschikbare dossier door partijdigheid zou zijn aangetast. Alleszins toont verzoekster niet aan op welke
XIV-35.731-11/15
wijze het volgens haar partijdige vooronderzoek de procedure blijvend zou hebben aangetast. Verzoekster toont dan ook niet aan dat de eventuele partijdigheid van het politiecollege en de vooronderzoeker de minister heeft beïnvloed bij haar besluitvorming.
Een schending van het onpartijdigheidsbeginsel of van het beginsel dat elke schijn van partijdigheid moet worden voorkomen, is dan ook niet aangetoond. Door de tussenkomst van de Tuchtraad en de overdracht van de bevoegdheid aan de minister van Binnenlandse Zaken werd juist de onpartijdigheid van de behandeling van verzoeksters tuchtdossier gevrijwaard.
14. Verzoekster betwist weliswaar deze conclusie in de laatste memorie, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat van het middel weer te geven.
Verzoekster beperkt zich immers in haar laatste memorie tot een loutere wettigheidskritiek wat de (onderzoeks)bevoegdheid betreft van de minister van Binnenlandse Zaken en tot het betogen dat zij, naar haar mening, “geen spectaculaire nieuwe argumenten aandraagt op het vlak van het onderzoek.” Deze kritiek heeft evenwel betrekking op een bijkomstig argument aangebracht door het auditoraat ter weerlegging van het middel en dat hiervoor (supra punt 13) wegens zijn bijkomstigheid niet wordt hernomen.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend als hiervoor uiteengezet, het tweede middel ongegrond.
XIV-35.731-12/15
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
15. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van “het beginsel der geheime stemming in persoonsgebonden aangelegenheden”. Volgens verzoekster is het een algemeen rechtsbeginsel dat de geheime stemming verplicht is telkens een collegiaal orgaan een beslissing neemt over één of meer welbepaalde, individueel aanwijsbare personen, zoals een tuchtbeslissing. Volgens verzoekster dient de besluitvorming binnen de Tuchtraad als collegiaal orgaan te gebeuren met eerbiediging van het voormelde beginsel. Dat er geheim is gestemd, dient te blijken uit de beslissing (advies) zelf dan wel uit de notulen. Verzoekster zijn geen notulen bekend doch uit de adviezen blijkt dat is beslist bij meerderheid van stemmen. Er is geen vermelding dat ook geheim is gestemd, zodat er dient te worden aangenomen dat de Tuchtraad niet geheim heeft gestemd. Ingevolge het gewicht en belang van het advies van de Tuchtraad, vitieert dat de bestreden beslissing.
16. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat “het beginsel der geheime stemming” geen onderscheid maakt tussen een orgaan dat een advies uitbrengt en een orgaan dat een beslissing neemt. Verzoekster erkent dat de algemene vergadering van de Raad van State reeds heeft gesteld dat er inzake voordrachten en benoemingen geen ongeschreven beginsel bestaat dat een collegiaal orgaan geheim moet stemmen en dat dit principe ondertussen is doorgetrokken wat tuchtbeslissingen betreft, maar merkt op dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen enerzijds een tuchtzaak en anderzijds een zaak betreffende voordrachten en benoemingen, hetgeen zij omstandig detailleert.
Gelet op het ingrijpende karakter van een tuchtprocedure en het onverkort gelden van het recht van verdediging, meent verzoekster dat er inzake tuchtaangelegen-
heden wel degelijk bijzondere merites zijn die doen besluiten tot het bestaan van een beginsel van geheime stemming.
XIV-35.731-13/15
In de laatste memorie gaat verzoekster nog in op de garantie voor onafhankelijkheid die de Tuchtraad biedt ten aanzien van de tuchtoverheid.
Verzoekster meent dat er nog steeds sprake kan zijn van beïnvloeding van de leden onderling waaraan een geheime stemming effectief verhelpt.
Beoordeling
17. Zoals de Raad van State, in algemene vergadering, in het arrest nr. 234.034 van 4 maart 2016 heeft overwogen, bestaat er in het administratief recht geen ongeschreven beginsel dat een collegiaal orgaan verplicht om in tuchtaangelegenheden steeds geheim te stemmen.
Het door verzoekster geschonden geachte “beginsel der geheime stemming in persoonsgebonden aangelegenheden” is derhalve in rechte onbe-
staand. Het kan derhalve niet tot nietigheid van de bestreden beslissing leiden.
18. Het derde middel is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op 175 euro.
XIV-35.731-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-35.731-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.011