Court dismisses appeal for non-continuation of proceedings due to failure to file within 30 days.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's legal action abandoned because no request to continue proceedings was filed within the statutory 30-day period following the rejection of a suspension application. The applicant had previously sought an urgent suspension of a contract award decision but failed to act after that request was denied. Consequently, the court ruled that the presumption of abandonment applied, dismissing the appeal and ordering the applicant to bear the associated court fees.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Rules of Procedure of the Council of State; When a party fails to file a request to continue proceedings within thirty days after a suspension request is rejected, a presumption of abandonment of the legal action arises.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 236.989 van 10 januari 2017
in de zaak A. 219.683/XII-8185
In zake: de NV FABRICOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Robert Volckaert en Francis Volckaert kantoor houdend te 8400 Oostende Elisabethlaan 25 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW ZORG EN WELZIJN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Evelyne Lutters kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 juli 2016, strekt tot de nietigverkla-
ring van “de beslissing van de vzw Zorg en Welzijn 24.06.2016, houdende gunning van de aannemingsopdracht Onderhandelingsprocedure met bekendmaking dd.
01.06.2015 […] betreffende „de renovatie en nieuwbouw woonzorgcentrum Hei-
lige Familie Kuurne, perceel Elektriciteit : Telefonie, verpleegoproep, toegangs-
controle en wifi voor de volledige site‟ aan de N.V. EEG Divisie Electro Entre-
prise”, “onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 € per dag dat de vzw Zorg en Welzijn na het tussen te komen arrest in gebreke blijft aan deze beschikking te voldoen”.
XII-8185- 1/4
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 235.561 van 28 juli 2016 is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Het voormelde arrest is op 8 augustus 2016 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Op 5 oktober 2016 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State‟.
De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden ge-
hoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco-
ördineerd op 12 januari 1973.
III. Toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973
3.1. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-
nisgeving van het arrest.
XII-8185- 2/4
3.2. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
3.3. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toe-
passing.
IV. Kosten
4.1. In de gegeven omstandigheden past het de kosten, zijnde het rolrecht van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ten laste te leggen van de verzoekende partij.
4.2. De verwerende partij vordert in haar nota een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro.
Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, laatste lid, van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 is er evenwel aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag, zijnde 700 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XII-8185- 3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 januari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Johan Bovin
XII-8185- 4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.989