Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.987 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.987 Généré par l'IA

Belgian State dismissed civil servant's appeal for non-activity placement due to failure to report to control doctor.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.987
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected André Pelkmans' appeal against his placement in non-activity, ruling that his arguments regarding medical certificates were irrelevant. The court found the contested decision did not cite the specific regulation Pelkmans claimed was violated, but rather focused on his failure to present himself to the control doctor. Consequently, the appeal was dismissed because the cited legal basis did not match the alleged procedural error.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 62 of the Royal Decree of 19 November 1998; The failure to report to a control doctor constitutes unlawful absence, rendering the placement in non-activity lawful even if the employee argues non-compliance with internal regulations regarding medical certificates.

Mots-clés

Généré par l'IA
civil servant non-activity unlawful absence control doctor reporting medical certificate requirement administrative appeal dismissal

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 62 of the Royal Decree of 19 November 1998

Jurisprudence citée

Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 236.987 van 10 januari 2017

in de zaak A. 213.517/IX-8458

In zake : André PELKMANS

woonplaats kiezend te é0 Merksplas Gezellestraat 7

en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 augustus 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie van 15 juli 2014 waarbij André Pelkmans op 13 maart 2014 in non-activiteit wordt geplaatst.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.002 van 6 oktober 2016 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak is het debat heropend en is de zaak verwezen naar de IXde kamer.

IX-8458-1/6

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Wat de feitelijke toedracht van de zaak betreft, kan worden verwezen naar arrest nr. 236.002 van 6 oktober 2016.

IV. Onderzoek van de middelen

Uiteenzetting van de middelen

4.1. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het “arbeidsreglement, meer bepaald van hoofdstuk VI, punt 3: Afwezigheid wegens ziekte – arbeidsongeval”.

In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van omzendbrief nr. 568 van 13 februari 2007 ‘met betrekking tot de reglementaire wijzigingen in het kader van het ziekteverzuim’ en van omzendbrief nr. 578 van

IX-8458-2/6

4 december 2007 ‘betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen’.

4.2. Met betrekking tot het eerste middel stelt verzoeker dat overeenkomstig het arbeidsreglement voor een eendaagse ziekte slechts een medisch getuigschrift is vereist vanaf de derde eendaagse ziekte in het lopende kalenderjaar. Aangezien hij pas voor de tweede maal afwezig was wegens ziekte van één dag, diende hij dus geen geneeskundig getuigschrift voor te leggen. Hij stelt regelmatig te hebben gehandeld door zowel zijn werkgever als de controlearts te hebben verwittigd.

Met betrekking tot het tweede middel wijst verzoeker erop dat hij zich niet in de situatie bevindt als bedoeld in omzendbrief nr. 568. Aangezien hij niet langer dan één dag afwezig is geweest, diende hij geen geneeskundig getuigschrift in te dienen. Ook de in omzendbrief nr. 578 bedoelde situatie is op hem niet toepasselijk, aangezien verzoeker pas voor de tweede maal één dag afwezig was wegens ziekte en hij dus ook niet op grond hiervan een geneeskundig getuigschrift diende voor te leggen.

4.3. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker met verwijzing naar de bestreden beslissing, dat in die beslissing hem niet verweten wordt dat hij zich niet heeft aangeboden bij de controlearts doch enkel dat hij ongewettigd afwezig was.

Voorts betoogt hij dat wanneer de verwerende partij steunt op artikel 62 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 ‘betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen’, zij dit had moeten vermelden. In de bestreden beslissing wordt volgens verzoeker echter enkel verwezen naar de voornoemde omzendbrieven waarin wordt bepaald dat bij één dag afwezigheid wegens ziekte of ongeval, het personeelslid geen geneeskundig getuigschrift dient voor te leggen.

IX-8458-3/6

Ook wijst verzoeker erop dat in de voornoemde omzendbrief nr. 568 van 13 februari 2007 enkel gewag wordt gemaakt van een controlearts wanneer deze oordeelt na medisch onderzoek, dat de afwezigheid wegens ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is. Volgens verzoeker wordt in de bestreden beslissing nergens melding gemaakt van een niet-gerechtvaardigde ziekte.

Ten slotte stelt verzoeker dat hij helemaal niet beslist heeft om niet in te gaan op het verzoek van de controlearts. Integendeel, hijzelf heeft de controlearts getelefoneerd, wat ook door de verwerende partij wordt erkend.

Daaruit kan niet worden afgeleid dat hij zich niet heeft aangemeld bij de controlearts.

Beoordeling

5.1. Verzoeker stelt in essentie dat hij overeenkomstig het arbeidsreglement en de voornoemde omzendbrieven nrs. 568 en 578 geen geneeskundig getuigschrift diende voor te leggen, aangezien hij pas voor de tweede maal afwezig was wegens ziekte van één dag in het lopende kalenderjaar.

Daarnaast betoogt verzoeker dat hij regelmatig heeft gehandeld omdat hij zijn werkgever heeft verwittigd dat hij ziek was en hij de controlearts telefonisch heeft gecontacteerd. Ten slotte stelt verzoeker dat wanneer de verwerende partij steunt op artikel 62 van het voornoemde koninklijk besluit van 19 november 1998, zij dit had moeten vermelden.

5.2. In zoverre verzoeker zich beroept op het arbeidsreglement en de voornoemde omzendbrieven nrs. 568 en 578 dient erop te worden gewezen dat, in tegenstelling met wat verzoeker beweert, hem in het bestreden besluit niet wordt verweten dat hij geen geneeskundig getuigschrift heeft ingediend of dat hij zijn arbeidsongeschiktheid wegens ziekte niet heeft gemeld, maar wel dat hij zich ten onrechte niet heeft aangeboden bij de controlearts waardoor hij onwettig afwezig was. De argumentatie die door verzoeker wordt gesteund op het arbeidsreglement

IX-8458-4/6

en de voornoemde omzendbrieven is derhalve niet dienstig en kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.

5.3. In zoverre verzoeker beweert dat in de bestreden beslissing geen melding wordt gemaakt van artikel 62 van het voornoemde koninklijk besluit van 19 november 1998, dient te worden vastgesteld dat in die beslissing wel wordt verwezen naar dit artikel 62.

5.4. Uit wat voorafgaat volgt dat de middelen niet kunnen worden aangenomen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

IX-8458-5/6

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 januari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad,

bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-8458-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.987