Court dismisses motion to remove judges, ruling their prior knowledge of a case does not constitute bias.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Administrative Justice rejected a motion to remove two judges from a case involving a building permit dispute. The applicants argued the judges were biased because they had previously reviewed the same file in a related case where the permit was annulled. The court determined that the judges' prior involvement did not create a legitimate appearance of partiality, as they were legally entitled to review the consequences of the annulment in the new proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 65 of the General Rules of Procedure and 836 of the Judicial Code; The court holds that a judge's prior examination of a file in a related case does not constitute a ground for removal unless it creates a legitimate appearance of partiality.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 236.980 van 9 januari 2017
in de zaak A. 220.204/X-16.800.
In zake : (oorspronkelijke tussenkomende partij)
de NV UPLACE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
(oorspronkelijke verzoekende partijen)
1. de VZW UNIZO VLAAMS-BRABANT & BRUSSEL
2. de VZW UNIZO
3. de BVBA IMMO DOMINIQUE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnold Gits en Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A
bij wie woonplaats wordt gekozen
(oorspronkelijke verwerende partij)
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 18 november 2016, strekt tot de wraking van kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron in de zaak A.
220.204/VII-39.784.
X-16.800-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. Kamervoorzitter Eric Brewaeys en staatsraad Peter Sourbron hebben een nota met opmerkingen opgesteld overeenkomstig artikel 65 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) en artikel 836, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2016.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de nv Uplace, advocaat Andy Van Pachtenbeke, die loco advocaten Arnold Gits en Elias Gits verschijnt voor de vzw Unizo Vlaams-Brabant & Brussel, vzw Unizo en bvba Immo Dominique, en advocaten Bart Staelens en Tine Strubbe, die verschijnen voor het Vlaamse Gewest, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op 14 september 2011 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan de verzoekende partij de vergunning voor het exploiteren van een gebouwencomplex te Machelen, Woluwelaan, Beaulieustraat, Rittwegenlaan, Nieuwbrugstraat.
X-16.800-2/14
Op beroep van de verzoekende partij en de gemeente Machelen verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur op 30 mei 2012
de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar.
4. Tegen deze vergunning worden acht zaken bij de Raad van State ingeleid, onder meer door de stad Vilvoorde (zaak IV) en door de bvba Immo Dominique, bvba De Vlieger, vzw Unizo Vlaams-Brabant & Brussel en vzw Unizo (zaak VIII).
Bij arrest nr. 221.784 van 18 december 2012 schorst de Raad van State in de zaak VIII de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 30 mei 2012, op grond van het enige middel, om reden dat de Vlaamse minister niet zorgvuldig tot het besluit is gekomen dat de milieueffecten van de vergunde inrichting tot aanvaardbare proporties kunnen worden teruggebracht. Tevens worden de acht zaken samengevoegd.
Op 28 mei 2014 beslist de Raad van State bij arrest nr. 227.578
(hierna: het arrest van 28 mei 2014) in de zaak IV tot de vernietiging van het ministerieel besluit van 30 mei 2012 (artikel 2 van het dictum) omdat, gelet op de bijzondere verbintenissen die de Vlaamse regering in het Uplace-
brownfieldconvenant heeft aangegaan, niet valt in te zien hoe de Vlaamse minister de administratieve beroepen in alle objectiviteit, zonder vooringenomen-
heid en zonder gebonden te zijn door eerder aangegane overeenkomsten, heeft kunnen beoordelen.
De andere beroepen – met uitzondering van dat in de zaak VII, waarin afstand werd gedaan – worden door het arrest van 28 mei 2014 verworpen (artikel 3 van het dictum). In dit verband wordt in randnr. 30 van het arrest van 28
mei 2014 overwogen:
“VII. De zaken sub I, II, III, V, VI en VIII
30. Het gegrond bevinden van het eerste middel in de zaak sub IV heeft tot gevolg dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 14 september 2011 definitief wordt. De
X-16.800-3/14
in de zaken sub I, II, III, V, VI en VIII aangevoerde middelen kunnen niet tot een ruimere nietigverklaring leiden.
De beroepen in de genoemde zaken zijn zonder voorwerp.
Het past om de kosten in de zaken sub I, II, III, V, VI (deels) en VIII ten laste van de verwerende partij te leggen.”
Het arrest wordt uitgesproken door de VIIde kamer, waarvan deel uitmaken kamervoorzitter Brewaeys en staatsraden Adams en Sourbron.
5. Op 23 juni 2016 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, eens te meer uitspraak doend over de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 14 september 2011, opnieuw een milieuvergunning aan de verzoekende partij voor een termijn van twintig jaar. Onder meer wordt overwogen:
“dat ingevolge het arrest van de Raad van State van 28 mei 2014 het Brownfieldconvenant werd aangepast, teneinde te beantwoorden aan de door de Raad van State geuite wettigheidskritiek; dat op 13 februari 2015
een tweede addendum aan het Brownfieldconvenant van het Brownfieldproject ‘Uplace Machelen’ werd ondertekend met in bijlage een gecoördineerde versie van de schrappingen, wijzigingen en aanvullingen die werden doorgevoerd aan het bestaande Brownfieldconvenant en het eerste addendum; dat deze gecoördineerde versie het Brownfieldconvenant en het eerste addendum van 21 mei 2010 vervangt en wordt geacht te gelden vanaf de datum waarop het eerste addendum bij het Brownfieldconvenant werd goedgekeurd; dat artikel 4, tweede alinea, van het Brownfieldconvenant expliciet bepaalt dat de Vlaamse Regering bij de behandeling van de aanvragen tot goedkeuring, machtigingen en vergunningen steeds de geldende wettelijke en decretale regels toepast en geijkte procedures doorloopt, waarbij de Vlaamse Regering op elk moment haar volle discretionaire appreciatiebevoegdheid behoud[t]; dat hiermee aan de bezwaren van de Raad van State wordt tegemoetgekomen.”
Tegen dit ministerieel besluit van 23 juni 2016 wordt onder meer de zaak A. 220.204/VII-39.784 ingeleid, door de vzw Unizo Vlaams-
Brabant & Brussel, vzw Unizo en bvba Immo Dominique. Zij vragen naast de nietigverklaring ook de schorsing van het ministerieel besluit. In een vijfde middel voeren zij de schending aan van onder meer het onpartijdigheidsbeginsel en het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State van 28 mei 2014, in hoofdzaak doordat grondige lezing van de gecoördineerde versie van het brownfieldconvenant uitwijst dat de verbintenissen die de Vlaamse regering aangaat “nog steeds problematisch” zijn in het kader van het onpartijdig-
X-16.800-4/14
heidsbeginsel en doordat de vastgestelde onpartijdigheid “niet zomaar [kan]
worden verwijderd door tekstuele aanpassing”.
De zaak is toegewezen aan de VIIde kamer, samengesteld uit onder anderen kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron.
IV. Onderzoek van de vordering
Standpunt van de verzoekende partij
6. De verzoekende partij steunt haar verzoek tot wraking van kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron op “gebrek aan onpartijdigheid in hoofd[e] van de gewraakte rechters, minstens een objectief verantwoorde vrees voor onpartijdigheid in hoofde van de gewraakte rechters (toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van de rechter, artikel 828, 1° en 9°
van het Gerechtelijk Wetboek)”.
In de eerste plaats zet de verzoekende partij uiteen dat de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad in randnr. 30 van het vernietigingsarrest van 28 mei 2014 “uitdrukkelijk het standpunt in[namen] dat de Vlaamse minister van Omgeving geen geldige beslissing meer kon nemen in het kader van de hangende administratieve beroepsprocedure, gelet op de vernietigingsmotieven”.
Dit heet “bevreemdend”, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het bestuur zich na vernietiging van bijvoorbeeld een permissieve akte, zoals een milieuvergunning, opnieuw moet uitspreken over het hangend dossier vanaf het punt waarop de procedure is ontspoord, rekening houdend met de stand waarin het zich bevindt en met het gezag van gewijsde.
Bovendien doet, aldus de verzoekende partij, het arrest uitspraak over de gevolgen van de vernietiging zonder dat de partijen in de gelegenheid zijn gesteld om daaromtrent tegenspraak te voeren. Een dergelijke conclusie verbinden aan de vernietiging van de bestreden beslissing, kwam de Raad van State overigens niet toe onder vigeur van de gecoördineerde wetten op
X-16.800-5/14
de Raad van State zoals ze toentertijd golden. Niet alleen zijn, gelet op de wet van 20 januari 2014 ‘houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State’, de thans geldende artikelen 35/1 en 36, § 1, laatste lid, van deze gecoördineerde wetten slechts van toepassing op de vorderingen die vanaf 1 maart 2014 werden ingesteld, die toepassing vereist ook een tegensprekelijk debat.
In de gegeven omstandigheden zegt de verzoekende partij te vrezen “dat haar rechtspositie doelbewust werd aangetast met miskenning van haar recht op tegenspraak”. Minstens is een schijn van verdenking gewettigd dat de betrokken kamervoorzitter en staatsraad verzoeksters dossier niet zonder vooringenomenheid hebben behandeld.
De “wettige verdenking” vindt volgens de verzoekende partij bevestiging in de duiding van het betrokken arrest op de website van de Raad van State en door de persmagistraat in de media. Tevens blijkt er in de gedrukte versie van Het Laatste Nieuws van 28 mei 2014 – datum ook van het arrest nr.
227.578 – informatie te zijn verschenen die met medewerking van de betrokken kamer op de vooravond van 28 mei 2014 moet zijn meegedeeld: “Enkel de aldus samengestelde VIIe Kamer had op het ogenblik dat de zaak nog in beraad was, immers zicht op de komst/inhoud van het vernietigingsarrest daags nadien.”
Ten slotte zullen de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad zich in de zaak A. 220.204/VII-39.784 opnieuw kunnen uitspreken over de rechtskwestie in randnr. 30 van het arrest van 28 mei 2014, aangezien de verzoekende partijen in die zaak in een vijfde middel de schending van het gezag van gewijsde aanvoeren en de wijze van remediëring na het vernietigingsarrest bekritiseren. Aldus moeten zij opnieuw statueren over een rechtspunt waarover zij zich reeds, ongevraagd en zonder de partijen erover te horen, hebben uitgesproken door namelijk te oordelen dat de vernietiging niet remedieerbaar is in het kader van de hangende administratieve procedure.
X-16.800-6/14
Beoordeling
7. De onpartijdigheid van de rechter is een algemeen rechts-
beginsel dat op alle rechtscolleges, ook dus de Raad van State, van toepassing is.
Krachtens artikel 62 van het algemeen procedurereglement kunnen de leden van de afdeling Bestuursrechtspraak onder meer gewraakt worden om de redenen die luidens artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven.
Tot die redenen behoort: “wettige verdenking” (artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek). Dat er tegen een rechter geen “wettige” of gewettigde verdenking mag bestaan, houdt niet alleen in dat de rechter niet partijdig mag zijn (subjectief aspect), maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent zijn onpartijdigheid uit te sluiten (objectief aspect).
Overeenkomstig artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek kan een rechter onder meer ook worden gewraakt indien hij van het geschil vroeger kennis heeft genomen als rechter of als scheidsrechter (behalve in bepaalde gevallen die hier niet aan de orde zijn).
8. In zoverre de verzoekende partij de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad kwaadwilligheid verwijten, doordat zij zouden hebben “beoogd” om de auteur van de door het arrest van 28 mei 2014 vernietigde beslissing “elke bevoegdheid te ontnemen om [...] een nieuwe beslissing te nemen” en doordat zij “doelbewust” verzoeksters rechtspositie zouden hebben aangetast met miskenning van haar recht op tegenspraak, maakt zij dat in het geheel niet aannemelijk. Geen enkel concreet gegeven doet kennen dat de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad tegen de verzoekende partij partij zouden hebben gekozen of jegens haar blijk gaven van vijandigheid of dan toch een negatieve vooringenomenheid.
X-16.800-7/14
De beweerde subjectieve partijdigheid van kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron berust op een intentieproces zonder enige grond.
9.1. Wat het objectief aspect van de aangeklaagde partijdigheid betreft, dient de Raad van State zich af te vragen of er, onafhankelijk van het persoonlijk gedrag van de betrokkenen, niettemin verifieerbare gegevens zijn die een schijn van verdenking te hunnen opzichte kunnen wettigen. Daarbij dient weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking te worden genomen, maar ze speelt geen doorslaggevende rol. Doorslaggevend daarentegen is of, al dan niet, de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid, als objectief verantwoord kan worden beschouwd.
9.2. Als zodanige verifieerbare gegevens brengt de verzoekende partij bij:
- het feit dat in randnr. 30 van het arrest van 28 mei 2014 “proprio motu en ultra petita”, en zonder dat de partijen de gelegenheid hadden hun standpunt ter zake kenbaar te maken, uitspraak wordt gedaan over de gevolgen van de vernietiging;
- de berichtgeving over het arrest op de website van de Raad van State en door de persvoorlichter van de Raad van State;
- een artikel in de gedrukte versie van het dagblad Het Laatste Nieuws van 28 mei 2014.
10.1. In Het Laatste Nieuws van 28 mei 2014 verscheen onder het kopje “Vergunning Uplace vandaag geschorst?” een klein bericht, bestaande uit zes zinnen waarvan de eerste twee luiden:
“De Raad van State neemt vandaag een definitieve beslissing over de toekenning van een milieuvergunning voor Uplace, het enorme bouwproject van Club Brugge-voorzitter Bart Verhaeghe in Machelen.
Naar verwachting zal de Raad van State de eerdere schorsing van de vergunning bekrachtigen, zodat het hele project terug naar af moet.”
Volgens de verzoekende partij is hieruit af te leiden dat de krant “zicht” had op de komst en de inhoud van het vernietigingsarrest.
X-16.800-8/14
10.2. Komt het inderdaad gewettigd voor te denken dat de krant er ten laatste op de vooravond van 28 mei 2014 van op de hoogte was dat ’s anderendaags een uitspraak over het annulatieberoep tegen de milieu-
vergunning van de verzoekende partij mocht worden verwacht, niets in het artikel is van aard redelijkerwijze de indruk te wekken dat de krant ook van de inhoud van het arrest weet had.
Het opschrift is zonder meer foutief. De vergunning was al sinds 18 december 2012 geschorst. Voor het overige brengt het artikel alleen de “verwachting” tot uiting dat het arrest de eerdere schorsing zal “bekrachtigen”.
Het is een verwachting, overigens, die bezwaarlijk als bewaarheid kan worden beschouwd. Immers werd de eerdere schorsing uitgesproken in de voornoemde zaak VIII, omdat de Raad van State van oordeel was dat de Vlaamse minister niet zorgvuldig tot het besluit is gekomen dat de milieueffecten van de vergunde inrichting tot aanvaardbare proporties kunnen worden teruggebracht, terwijl de vernietiging uiteindelijk in de zaak IV werd uitgesproken, op grond van een ander middel.
10.3. Op zich is de aankondiging of mededeling door de rechter van de datum waarop uitspraak zal worden gedaan, geen gegeven dat vermag een wettige verdenking te staven.
11.1. Zowel op de website van de Raad van State als door diens persmagistraat J. Van Nieuwenhove is met betrekking tot het vernietigingsarrest van 28 mei 2014 toegelicht geworden dat als gevolg van het arrest de milieu-
vergunningsaanvraag van de verzoekende partij eindigt met een definitieve weigeringsbeslissing, zijnde de definitief geworden weigering van de milieu-
vergunning door de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-
Brabant.
11.2. Noch de verantwoordelijke van de website, noch de persmagistraat is de vertegenwoordiger van de leden van de VIIde kamer, auteurs van het arrest van 28 mei 2014, of spreekt namens hen.
X-16.800-9/14
12.1. Finaal blijft ter bewijs van een schijn van verdenking van partijdigheid ten laste van kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron alleen een welbepaalde passus in het arrest van 28 mei 2014 over. In dat arrest wordt, sub randnr. 30, overwogen dat het gegrond bevinden van het middel van de schending van het onpartijdigheidsbeginsel in de zaak IV tot gevolg heeft “dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 14 september 2011 definitief wordt”. Om de overweging problematisch te vinden in het licht van de onpartijdigheidsvereiste, voert de verzoekende partij concreet aan dat ze ongewoon is, dat de VIIde kamer ze eigener beweging heeft geformuleerd en zonder daar op dat moment zelfs maar bevoegd toe te zijn, en dat er geen tegenspraak over mogelijk was.
12.2. De gewraakte kamervoorzitter en staatsraad wijzen er in dit verband terecht op, onder verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr.
145.757 van 9 juni 2005, dat het onderzoek van die elementen er niet toe mag leiden dat tot een tweede behandeling wordt overgegaan van het middel dat het arrest van 28 mei 2014 schraagt, op het gevaar af het gezag van gewijsde van dat arrest te schenden.
13.1. De concrete gegevens die verzoekster aanvoert, moeten worden beoordeeld met inachtneming van de bijzonderheden die het concept en het procédé van de “ruimere nietigverklaring” kenmerken.
13.2. De draagwijdte van een vernietigingsarrest wordt mee bepaald door de vernietigingsgrond. Een vernietigingsmotief heet een meer of minder “ruime” vernietiging mee te brengen, onder andere wanneer hij het voor de overheid, na de vernietiging, respectievelijk meer of minder moeilijk maakt opnieuw dezelfde beslissing te nemen. Uitmaken of een middel tot een meer of minder “ruime” nietigverklaring in die zin leidt, houdt noodzakelijk een inschatting in van, en uitspraak over, de gevolgen die een vernietiging op grond van het middel meebrengt.
X-16.800-10/14
Vermits het in de regel in het belang is van alle betrokken partijen dat een geschil zo grondig mogelijk wordt opgelost, mag de vraag naar welk middel een “ruimere” of de “ruimste” vernietiging toelaat, geacht worden steeds onderliggend aanwezig en aan de orde te zijn wanneer het onderzoek van de middelen beperkt wordt tot één of een paar van de aangevoerde middelen.
Op grond van welk middel een annulatieberoep in concreto wordt beslecht, hangt in niet onbelangrijke mate af van de auditeur. Immers spreekt de Raad van State zich alleen uit over middelen die voorafgaand door het auditoraat zijn onderzocht en mag de auditeur zich, gelet op artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zijn verslag beperken tot het middel ten gronde dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt.
De partijen mogen zich over die keuze evenwel uitspreken.
13.3. Van alle middelen die in de acht zaken tegen de milieu-
vergunning van 30 mei 2012 werden aangevoerd, heeft de auditeur er in zijn verslag ten gronde twee onderzocht en bestempeld als van aard de oplossing van het geschil over de milieuvergunning mogelijk te maken: het eerste in de zaak IV
en het enige in de zaak VIII.
De verzoekende partij had de gelegenheid om zich hierover uit te laten in de laatste memorie.
In het arrest van 28 mei 2014, dat overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak doet over de conclusies van het auditoraatsverslag, wordt daadwerkelijk in de zaak IV
het eerste middel gegrond bevonden en wordt om die reden, in die zaak, de beslissing van 30 mei 2012 van de Vlaamse minister tot afgifte van een milieuvergunning aan de verzoekende partij vernietigd (artikel 2 van het dictum).
Gelet op deze vernietiging wordt in randnr. 30 van het arrest geoordeeld dat de beroepen in de zaken I, II, III, V, VI en VIII zonder voorwerp
X-16.800-11/14
zijn. Ze worden op die grond verworpen (artikel 3 van het dictum). Tevens overweegt de Raad van State in het randnr. 30, ter verklaring waarom niet de in die zaken I, II, III, V, VI en VIII aangevoerde middelen worden onderzocht, dat ze “niet tot een ruimere nietigverklaring [kunnen] leiden”. De door verzoekster speciaal gelaakte passus in verband met het gevolg van het gegrond bevinden van het eerste middel in de zaak IV moet daar de reden voor inhouden.
14. Uit wat voorafgaat, volgt niet alleen dat deze speciaal gelaakte passus in randnr. 30, die de verzoekende partij doet twijfelen aan de onpartijdigheid van de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad, géén dragende overweging is waarop de beslissingen in het dictum van het arrest van 28 mei 2014 berusten, maar ook dat de verzoekende partij er niet van kan overtuigen dat haar twijfels objectief gerechtvaardigd zijn.
De concrete gegevens die zij met betrekking tot de passus aanvoert, volstaan niet om te besluiten dat een schijn van verdenking tegen kamervoorzitter Brewaeys en staatsraad Sourbron gewettigd is: het is hoegenaamd niet “bevreemdend” dat een vernietigingsgrond van aard kan zijn te beletten dat het bestuur zich na de vernietiging van een “permissieve akte”
opnieuw over het dossier uitspreekt; al sinds lang vóór 1 maart 2014 is de Raad van State gerechtigd om zich, in het licht van het verslag van de auditeur en van de reactie die de partijen er eventueel op gaven, uit te spreken over de min of meer “ruimere nietigverklaring” waartoe middelen kunnen leiden en, in dat kader, over de gevolgen van een nietigverklaring op grond ervan.
15.1. Aangezien de uitweiding in verband met de reden waarom de middelen in de andere zaken dan zaak IV geen ruimere nietigverklaring kunnen meebrengen, niet tot noodzakelijke steun dient voor de beslissing tot verwerping van de beroepen I, II, III, V, VI en VIII, laat staan nog voor de beslissing tot vernietiging van de milieuvergunning van 30 mei 2012, komt er geen gezag van gewijsde aan toe waardoor het Vlaamse Gewest, de verwerende partij, zich gebonden moest achten.
X-16.800-12/14
De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw heeft ten slotte op 23 juni 2016 opnieuw uitspraak gedaan over de beroepen tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 14 september 2011, nadat onder meer eerst het brownfieldconvenant werd aangepast “teneinde te beantwoorden aan de door de Raad van State geuite wettigheidskritiek”.
15.2. De zaak gekend onder nr. A. 220.204/VII-39.784, die de vzw Unizo Vlaams Brabant & Brussel, vzw Unizo en bvba Immo Dominique tegen deze nieuwe beslissing van 23 juni 2016 bij de Raad van State inleidden, heeft geen betrekking op een geschil waarvan de gewraakte kamervoorzitter en staatsraad geacht kunnen worden vroeger al kennis te hebben genomen.
Het gaat om een nieuw geschil, waarin de Raad van State de opdracht heeft om de zaak in haar geheel te onderzoeken en om daarbij rekening te houden met, en zich mee te baseren op, alle elementen die zijn bijgebracht sinds het arrest van 28 mei 2014.
16. Het verzoek tot wraking is ongegrond.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt het verzoek tot wraking.
X-16.800-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.800-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.980