Court dismisses appeal and refers constitutional question regarding municipal power to establish advisory bodies.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation dismissed the appeal against the Flemish Regional Council's decision to dissolve the municipal/OCMW dialogue committee. The appellant argued that the regional decree prohibiting municipalities from creating advisory bodies was violated, while the respondent maintained that the municipality retained the authority to formalize such structures. The court rejected the appellant's claim that the committee was merely informal and instead referred the case back to the Constitutional Court to determine if the regional provisions infringed upon constitutional principles of local autonomy.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21 and 45 of the Decree of 7 July 2006; The court refers a question to the Constitutional Court to determine whether the abolition of the municipal/OCMW dialogue committee and its replacement with an advisory obligation violates constitutional principles of local autonomy and the right to self-determination of municipalities.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 236.978 van 9 januari 2017
in de zaak A. 212.010/X-16.036.
In zake : de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 24 maart 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand van 23 januari 2014 “houdende vernietiging van het besluit van de gemeenteraad te Sint-
Genesius-Rode van 24 september 2013 betreffende de oprichting van een overlegcomité Gemeente/OCMW”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
X-16.036-1/14
Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2016.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tim Souverijns, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Iris Verheven heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Juridisch kader en feiten
3.1. Destijds schreef artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 ‘betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (hierna: de OCMW-wet) voor dat er ten minste om de drie maanden overleg plaats heeft tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad, welke delegaties samen het overlegcomité vormen. Ze omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die hij aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
3.2. Artikel 21 van het decreet van 7 juli 2006 ‘tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
X-16.036-2/14
maatschappelijk welzijn’ (hierna: het decreet van 7 juli 2006) heeft dit artikel 26
vervangen door:
“De burgemeester mag alle vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen, zonder dat hij die kan voorzitten. In geval van een voorafgaandelijk gemotiveerde afwezigheid kan hij zich laten vervangen door een schepen.”
Die vervanging – en dus de afschaffing van het overlegcomité –
treedt, gelet op artikel 50 van het decreet van 7 juli 2006, evenwel niet in werking ten aanzien van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die overeenkomstig artikel 312 van het gemeentedecreet hebben beslist om bij de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraden in 2007 niet te voorzien in de toevoeging van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het college van burgemeester en schepenen. Deze beslissing geldt tot de volgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad in 2013.
De afschaffing wordt hierdoor verantwoord dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn vanaf zijn verkiezing van rechtswege deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen en door zijn aanwezigheid in het college “minstens voor een betere stroomlijning van de onderlinge organisatie” zal zorgen (memorie van toelichting, Parl.St. Vl.Parl.
2005-2006, nr. 870/1, 8).
De afschaffing, en ook de overgangsmaatregel, sluiten dus aan bij de invoering van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, waarin werd bepaald:
- dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van rechtswege schepen is vanaf zijn verkiezing overeenkomstig artikel 25 van de organieke wet van 8 juli 1976 ‘betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (artikel 44, § 3, van het gemeentedecreet), en - dat die toevoeging van de OCMW-voorzitter aan het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 44 van het gemeentedecreet niet van toepassing is indien de gemeenteraad daartoe beslist op de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraden na de inwerkingtreding van dit
X-16.036-3/14
decreet; die beslissing geldt tot de volgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad (artikel 312 van het gemeentedecreet).
3.3. Het decreet van 19 december 2008 ‘betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (hierna: het OCMW-
decreet) heft, met artikel 276, artikel 26 van de wet van 8 juli 1976 op en schrijft, in artikel 282, voor dat de opheffingsbepaling niet in werking treedt ten aanzien van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van gemeenten die overeenkomstig artikel 312 van het gemeentedecreet hebben beslist om bij de algehele vernieuwing van de gemeenteraden in 2007 niet te voorzien in de toevoeging van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het college van burgemeester en schepenen.
4. Op 24 september 2013 beslist de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode tot de oprichting van een overlegcomité gemeente/OCMW en de aanduiding van de leden van de delegatie van de gemeente erin. Verwezen wordt onder meer naar het initiële artikel 26, § 2, van de OCMW-wet en naar “de wettelijke bepalingen inzake faciliteitengemeenten die voorzien dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn niet in het college wordt opgenomen”.
Na schorsing van de gemeenteraadsbeslissing bij besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 24 oktober 2013, handhaaft de gemeenteraad op 19 december 2013 zijn beslissing van 24 september 2013.
Met het thans bestreden besluit vernietigt de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand op 23 januari 2014 het gemeenteraadsbesluit van 24 september 2013 op grond van de volgende overwegingen:
“Overwegende artikel 44§1 van het gemeentedecreet, waaruit blijkt dat de OCMW-voorzitter van Sint-Genesius-Rode geen deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen; dat betrokkene immers niet verkozen is overeenkomstig artikel 53 en 54 van het OCMW-decreet; dat
X-16.036-4/14
deze immers benoemd wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad, overeenkomstig artikel 25 bis van de OCMW-wet;
Overwegende artikel 276 van het OCMW-decreet en artikel 21 en 22
van het vermelde decreet van 7 juli 2006, waarbij artikel 26 en 26bis van de OCMW-wet worden opgeheven;
Overwegende artikel 282 van het OCMW-decreet dat een overgangsregeling bepaalt: Artikel 41, 42, 54, vierde lid, laatste zin, artikel 148, § 1, tweede lid, artikel 270 en de opheffingsbepaling van artikel 25, § 4, tweede lid, laatste zin, artikel 26, 26bis, 26ter, artikel 28, § 4, artikel 33bis en artikel 88, § 1, derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, treden niet in werking ten aanzien van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van gemeenten die overeenkomstig artikel 312 van het Gemeentedecreet hebben beslist om bij de algehele vernieuwing van de gemeenteraden in 2007 niet te voorzien in de toevoeging van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het college van burgemeester en schepenen.
Overwegende artikel 50 van het vermelde decreet van 7 juli 2006 dat een gelijkaardige overgangsbepaling vaststelt;
Overwegende dat deze overgangsregeling enkel en alleen van toepassing was op de gemeenten die in 2007 ervoor kozen de OCMW-voorzitter niet toe te voegen aan het schepencollege; dat bij de aanvang van de nieuwe legislatuur, d.d. 1 januari 2013 dit artikel bijgevolg zonder voorwerp is geworden, aangezien de OCMW-voorzitter sindsdien verplicht deel uitmaakt van het schepencollege; dat de randgemeenten nooit die beslissingsbevoegdheid hebben gekregen; dat er geen andere specifieke overgangsregeling werd voorzien voor de randgemeenten; dat de memorie waarnaar het gemeentebestuur verwijst geen juridische waarde heeft;
Overwegende dat de gemeente Sint-Genesius-Rode de overwegingen zoals voorzien in het raadsbesluit van 24 september 2013 volledig herneemt; dat het feit dat de leden van het overlegcomité geen presentiegeld ontvangen voor de bijeenkomsten van het overlegcomité geen doorslaggevende motivering kan zijn; dat de gemeente voor de oprichting van het overlegcomité zich ten onrechte blijft baseren op het opgeheven artikel 26§2 van de OCMW-wet;
Overwegende dat de beslissing van Sint-Genesius-Rode van 24 september 2013 betreffende de oprichting van een overlegcomité gemeente-OCMW derhalve de wet schendt en dit een vernietiging rechtvaardigt.”
IV. Aanduiding van de tegenpartij
5. Partijen betwisten terecht niet dat het Vlaamse Gewest de (enige) tegenpartij is.
X-16.036-5/14
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6. Verzoekster leidt een eerste middel af uit “de schending van artikel 26, §2 van de OCMW-wet, artikel 282 van het OCMW-decreet, artikel 312 van het Gemeentedecreet en de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”:
“Doordat de bestreden beslissing bepaalt dat artikel 26, §2 van de OCMW-wet is opgeheven voor het Nederlandse taalgebied, zodat de verzoekende partij zich niet kan steunen op deze bepaling om een overlegcomité gemeente/OCMW op te richten, en doordat de bestreden beslissing bepaalt dat de verzoekende partij zich evenmin kan beroepen op de overgangsregeling van artikel 282 van het OCMW-decreet of enige andere overgangsregeling om een dergelijk overlegcomité op te richten.
Terwijl, uit de parlementaire voorbereiding van zowel het OCMW-
decreet, als het vroegere decreet van 7 juli 2006 blijkt dat de mogelijkheid om een overlegcomité gemeente/OCMW op te richten, zoals opgenomen in de overgangsregeling en zoals thans opgenomen in artikel 282 van het OCMW-decreet, zo moet worden geïnterpreteerd dat het niet alleen van toepassing is op gemeenten die optioneel hebben beslist om niet te voorzien in de toevoeging van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het college van burgemeester en schepenen, maar ook van toepassing is op gemeenten waarin de voorzitter van de OCMW-Raad ingevolge een wettelijk bepaling geen deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen, aangezien er voor deze beide categorieën van gemeenten geen andere vormen van inspraak en betrokkenheid van de OCMW-Raad in het college van burgemeester en schepenen omtrent adviesbeslissingen die de belangen van het OCMW raken zijn voorzien.”
Verzoekster licht toe dat uit de wet van 9 augustus 1988 ‘tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen’ (hierna: de pacificatiewet)
voortvloeit dat de schepenen in de Vlaamse randgemeenten rechtstreeks worden
X-16.036-6/14
gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers en dat de voorzitters van de OCMW-raden er geen deel uitmaken van het schepencollege. Om die reden dringt zich de oprichting van een overlegcomité gemeente/OCMW op. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 juli 2006 en van het OCMW-decreet kan worden afgeleid dat de niet-toevoeging van de OCMW-
voorzitter aan het schepencollege in de Vlaamse randgemeenten op zichzelf een grond oplevert voor het behoud van de overlegstructuur via het overlegcomité.
Artikel 282 van het OCMW-decreet moet in die zin worden geïnterpreteerd dat het behoud van de overlegstructuur via het overlegcomité ook van toepassing is op de Vlaamse randgemeenten.
Mocht die zienswijze niet gevolgd worden dan moet, naar het oordeel van verzoekster, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof worden gesteld:
“Schenden artikel 21 en 45 van het decreet van 7 juli 2006 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto artikel 7bis van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen doordat deze bepalingen voorzien in de loutere opheffing van het overleg van de gemeente en het OCMW via het overlegcomité voor de Vlaamse randgemeenten en de gemeenten gelegen in het Nederlandse taalgebied die niet begiftigd zijn met een speciale taalregeling, en de vervanging daarvan door een loutere adviesverplichting van het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk van de OCMW-raad, zonder dat voor de Vlaamse randgemeenten wordt voorzien in compenserende maatregelen die de belangen van het OCMW kunnen vrijwaren”?
Beoordeling
7. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de onontvankelijkheid van het middel op, bij gebrek aan belang, maar wenst de exceptie blijkens haar laatste memorie niet te handhaven. Aan de exceptie mag bijgevolg worden voorbijgegaan.
8. Ten gevolge van de pacificatiewet worden de schepenen in de randgemeenten – zoals de gemeente Sint-Genesius-Rode er een is – rechtstreeks
X-16.036-7/14
gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers (artikel 15, § 2, van de nieuwe gemeentewet). Dat is in die gemeenten ook het geval voor de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn (artikel 17bis van de OCMW-wet), uit wier midden de voorzitter van de raad wordt benoemd (artikel 25bis van de OCMW-
wet).
Deze regelingen zijn door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ onttrokken aan de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen.
9. Aldus is artikel 44, § 3, van het gemeentedecreet niet van toepassing op de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in de randgemeenten. Deze bepaling, die voorschrijft dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn “van rechtswege” schepen is vanaf zijn verkiezing overeenkomstig artikel 25 van de OCMW-wet (thans: de artikelen 53 en 54 van het OCMW-decreet), viseert uitdrukkelijk niét de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een randgemeente, die immers overeenkomstig artikel 25bis van de OCMW-wet wordt benoemd.
Hetzelfde geldt voor de overgangsbepaling van artikel 312 van het gemeentedecreet, evenals die van artikel 50 van het decreet van 7 juli 2006 of van artikel 282 van het OCMW-decreet. Ze betreffen alle de mogelijkheid voor de gemeenteraad om met betrekking tot de bestuursperiode 2007-2012 te beslissen dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn bedoeld in het artikel 44 van het gemeentedecreet toch niet aan het college van burgemeester en schepenen wordt toegevoegd. Het is een mogelijkheid waarin alleen is voorzien met betrekking tot de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die verkozen is overeenkomstig artikel 25 van de OCMW-wet (thans: de artikelen 53 en 54 van het OCMW-decreet) en niet de in artikel 25bis van de OCMW-wet bedoelde voorzitter. Ze is niet toepasselijk in de randgemeenten.
10. De conclusie is dat voor verzoekster het overlegcomité is afgeschaft door artikel 21 van het decreet van 7 juli 2006 – in werking getreden,
X-16.036-8/14
gelet op zijn artikel 53, vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn, zijnde 1 januari 2007.
De afleidingen van verzoekster uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 juli 2006 en het OCMW-decreet, leiden niet tot een andere conclusie. Ze wegen niet op tegen de ondubbelzinnige tekst van het voormelde artikel 21.
11. In de gegeven omstandigheden wordt niet aangenomen dat de verwerende partij, door op grond van deze afschaffing van het overlegcomité de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genedius-Rode van 24 september 2013 tot oprichting van een overlegcomité te hebben vernietigd, artikel 26, § 2, van de OCMW-wet, artikel 282 van het OCMW-decreet, artikel 312 van het gemeentedecreet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel zou hebben geschonden.
12. Blijft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel omdat door de opheffing van het overlegcomité gemeente/OCMW voor zowel de gemeenten gelegen in het Nederlandse taalgebied die niet begiftigd zijn met een speciale taalregeling als de Vlaamse randgemeenten, “een identieke behandeling [wordt] doorgevoerd van categorieën van gemeenten die zich nochtans in wezenlijk verschillende gevallen bevinden”. Verzoekster vraagt hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te richten.
Hoewel de verwerende partij aanvankelijk, in de memorie van antwoord, bezwaren tegen het stellen van de vraag had, verklaart ze in de laatste memorie zich niet meer ertegen te verzetten en stemt zij er ter terechtzitting zelfs uitdrukkelijk mee in.
13. Er is reden de door verzoekster voorgestelde vraag te stellen.
X-16.036-9/14
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
14. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van “artikel 41 en artikel 162, tweede lid, 2° en 6° van de Grondwet, artikel 4 en artikel 11 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie, gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1985 en de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”.
Verzoekster licht toe dat de gemeenten bevoegd zijn om alles te regelen wat van gemeentelijk belang is en dat zij daartoe zelfs het recht hebben om, bij de uitoefening van hun bevoegdheden, samen te werken en zich te verenigen met andere lokale autoriteiten teneinde taken van gemeenschappelijk belang uit te voeren, voor zover dat niet uitdrukkelijk door de wet wordt verboden. Te dezen verbiedt geen enkele wetsbepaling verzoekster om te beslissen een overlegcomité op te richten.
De artikelen 21, 22 en 45 van het decreet van 7 juli 2006 en artikel 276 van het OCMW-decreet strekken er enkel toe om voor de aangelegenheden opgesomd in het toenmalige artikel 26bis van de OCMW-wet, het overlegcomité te vervangen door een voorafgaande adviesverplichting van het college van burgemeester en schepenen. Ze beletten evenwel niet dat een gemeente, op grond van haar gemeentelijke autonomie, beslist om naast deze voorafgaande adviesverplichting ook een informeel overleg te organiseren via een overlegcomité.
15. In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster er bijkomend op dat de omstandigheid dat zij zich niet op artikel 26, § 2, van de OCMW-wet en artikel 282 van het OCMW-decreet kan steunen om een overlegcomité gemeente/OCMW op te richten niet betekent dat zij zich op geen enkele wettelijke bepaling kan steunen om een overlegcomité gemeente/OCMW
X-16.036-10/14
op te richten. Immers bepaalt artikel 43, § 2, 14°, van het gemeentedecreet uitdrukkelijk dat de gemeenteraad bevoegd is voor “het inrichten van adviesraden en overlegstructuren”. “Aldus biedt […] de ‘gemeentelijke wetgeving’ wel degelijk een kader om een overlegcomité op te richten”.
16. In de laatste memorie, ten slotte, argumenteert verzoekster nog dat haar gemeenteraadsbesluit van 24 september 2013 “helemaal geen ‘geïnstitutionaliseerde’ wijze van overleg beoogt”, maar “een ander, niet-
geïnstitutionaliseerd en informeel, overleg instelt”. Daarom kan dat gemeenteraadsbesluit niet geacht worden dezelfde aangelegenheid te regelen als de aangelegenheid die wordt geregeld door artikel 26, § 2, van de OCMW-wet, artikel 312 van het gemeentedecreet en artikel 282 van het OCMW-decreet. Het door verzoekster opgerichte overlegcomité vormt alleen een aanvulling op de bestaande adviesverplichtingen.
Beoordeling
17. De door de Grondwet en het Europees Handvest inzake lokale autonomie gewaarborgde bevoegdheid van de gemeenten voor alles wat van gemeentelijk belang is, doet er geen afbreuk aan dat de gemeenten, wanneer zij optreden op grond van het gemeentelijk belang, verplicht zijn de hiërarchie der normen in acht te nemen.
Zo staat dit beginsel van lokale autonomie niet de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen in de weg om, zoals hun toekomt, de organisatie en werking van de gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn te organiseren en daarbij in regels, en dus beperkingen, te voorzien inzake de wijze van overleg tussen de gemeenten en hun openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
18. Zoals bij de bespreking van het eerste middel aan bod kwam, heeft de Vlaamse decreetgever in het kader van zijn regeling van de organisatie en de werking van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk
X-16.036-11/14
welzijn ervoor gekozen om het overlegcomité gemeente/OCMW af te schaffen.
Met zijn beslissing heeft de decreetgever dit welbepaalde overleginstrument voor de randgemeenten onbeschikbaar gemaakt vanaf 1 januari 2007.
19. Tevergeefs, en overigens pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord, voert verzoekster voor de oprichting van een overlegcomité in haar gemeenteraadsbeslissing van 24 september 2013, artikel 43, § 2, 14°, van het gemeentedecreet als rechtsgrond aan.
Volgens de bewuste bepaling mag het inrichten van adviesraden en overlegstructuren niet aan het college van burgemeester en schepenen worden toevertrouwd.
Anders dan verzoekster blijkbaar meent, volgt daar nog geenszins uit dat de gemeenteraad dan bevoegd is om adviesraden en overlegstructuren in te richten, zelfs als die inrichting aan de bevoegdheid van de gemeente onttrokken is, zoals het geval blijkt met betrekking tot het overlegcomité gemeente/OCMW. De betrokken bepaling moet juist worden uitgeoefend met respect voor de beperkingen die aan het beginsel van de lokale autonomie zijn gesteld.
20. Ook wordt verzoekster niet gevolgd waar zij het wil doen voorkomen alsof het overlegcomité dat de gemeenteraadsbeslissing van 24 september 2013 opricht, geen geïnstitutionaliseerde vorm van overleg is, maar alleen een informeel overleg betreft.
Institutionaliseren is niets anders dan “tot een gevestigde instelling maken”. Dat is net wat verzoekster met het overlegcomité gemeente/OCMW doet in de gemeenteraadsbeslissing van 24 september 2013.
Overigens sluit de formalisering van het overleg gemeente/OCMW, in de gemeenteraadsbeslissing van 24 september 2013, uit dat het om een “informeel”
overleg zou gaan.
X-16.036-12/14
Dat er voor de vergaderingen van het overlegcomité geen zitpenningen worden uitgekeerd, verandert dat niet. Het is overigens des te minder een argument om te doen aannemen dat het door de gemeenteraad opgerichte overlegcomité niet het in artikel 26, § 2, van de OCMW-wet bedoelde overlegcomité is maar daarentegen een “ander” overleg instelt, nu er volgens de handhavingsbeslissing van 19 december 2013 ook al “in het verleden nooit zitpenningen werden toegekend” voor een overlegcomité.
21. Het tweede middel is ongegrond.
BESLISSING
1. Het debat wordt heropend.
2. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld:
“Schenden artikel 21 en 45 van het decreet van 7 juli 2006 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto artikel 7bis van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ doordat deze bepalingen voorzien in de loutere opheffing van het overleg van de gemeente en het OCMW via het overlegcomité voor de Vlaamse randgemeenten en de gemeenten gelegen in het Nederlandse taalgebied die niet begiftigd zijn met een speciale taalregeling, en de vervanging daarvan door een loutere adviesverplichting van het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk van de OCMW-raad, zonder dat voor de Vlaamse randgemeenten wordt voorzien in compenserende maatregelen die de belangen van het OCMW kunnen vrijwaren”?
3. Na ontvangst van het antwoord, wordt de zaak opnieuw aan het auditoraat voorgelegd, voor een aanvullend verslag.
X-16.036-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.036-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.236.978