Court dismisses urgent suspension request for adoption service recognition due to lack of proven urgency. The applicant failed to demonstrate that standard suspension procedures would be too late to prevent harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the Flemish government's decision to deny adoption service recognition. The applicant argued that the transfer of adoption files to a competing organization effectively halted their operations, creating an urgent need for interim relief. However, the court found that this transfer was merely an executive measure of the non-recognition decision and did not prove that standard suspension procedures would be too late to mitigate the resulting harm.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; The requirement for 'extreme urgency' to suspend enforcement is not met when the alleged harm is a direct consequence of the contested decision itself, rather than an independent event rendering standard procedures ineffective.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 236.871 van 22 december 2016
in de zaak A. 220.889/VII-39.853.
In zake : de VZW HET ADOPTIECENTRUM (GAC)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220, bus 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de VZW DE MUTSAARD-GEWENST KIND
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 december 2016, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:
“[…] de beslissing van 28 oktober 2016 van de Vlaamse regering tot vergunning als dienst voor binnenlandse adoptie van De Mutsaard-Gewenst Kind vzw, Osystraat 39/1, 2060 Antwerpen[;]
VII-39.853-1/8
[…] de beslissing van 28 oktober om het Adoptiecentrum vzw niet te erkennen als binnenlandse adoptiedienst, medegedeeld bij brief van 21 november 2016”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Jan Fransen en Marc Stommels, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 3 juli 2015
houdende regeling van de binnenlandse adoptie van kinderen en houdende wijziging van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen (hierna: decreet Binnenlandse Adoptie van 3 juli 2015) vergunt de Vlaamse regering één dienst voor binnenlandse adoptie op gemotiveerd advies van het Vlaams Centrum voor Adoptie. Dezelfde bepaling
VII-39.853-2/8
machtigt de Vlaamse regering om de procedure vast te stellen voor de vergunningsaanvraag van deze dienst.
In uitvoering van voormelde bepaling neemt de Vlaamse regering op 19 februari 2016 het besluit betreffende de bemiddeling, nazorg en inzage bij binnenlandse adoptie. De bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 1 van dit besluit regelen de procedure voor het verkrijgen van de vergunning als dienst voor binnenlandse adoptie.
3.2. Zowel de VZW Het Adoptiecentrum als de VZW De Mutsaard-
Gewenst Kind dienen een aanvraag in tot het verkrijgen van de vergunning als dienst voor binnenlandse adoptie.
3.3. Kind en Gezin adviseert op 12 september 2016 ongunstig over de aanvraag van de VZW Het Adoptiecentrum. Voorgesteld wordt om de vergunning toe te kennen aan de VZW De Mutsaard-Gewenst Kind.
3.4. Bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 2016 wordt de VZW De Mutsaard-Gewenst Kind vergund als binnenlandse adoptiedienst met ingang van 1 december 2016.
Op dezelfde dag wordt de verzoekende partij via een e-mailbericht van het kabinet van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin op de hoogte gebracht van dit feit. Kind en Gezin brengt met een brief van 21 november 2016 het besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 2016 ter kennis van de verzoekende partij.
IV. Tussenkomst
4. Met een ter zitting neergelegd verzoekschrift vraagt de VZW De Mutsaard-Gewenst Kind om in het geding te mogen tussenkomen.
VII-39.853-3/8
Er is grond om dat verzoek in te willigen.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. De tussenkomende partij werpt verscheidene ontvankelijkheidsexcepties op.
6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Hierna zal blijken dat dit niet het geval is.
VI. Onderzoek van de vordering
7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
Uiterst dringende noodzakelijkheid
8. Het bestaan van een dringende noodzakelijkheid wordt door de verzoekende partij als volgt gestaafd:
“Op 1 december 2016 werd door mevrouw Ariane VAN DEN BERG, Vlaams adoptieambtenaar bij Kind en Gezin om 12.10 een e-mail gestuurd waarin wordt gemeld dat dezelfde dag nog personeelsleden van Kind en Gezin zich zullen aanbieden om de dossiers van personen op de wachtlijst van verzoekende partij mee te nemen.
VII-39.853-4/8
Hierbij wordt gewag gemaakt van een parlementaire vraag van de heer Lorin PARYS op de plenaire vergadering van woensdag 30 november 2016, die het blijkbaar nodig vond zich vragen te stellen bij de overdracht van dossiers van verzoekster aan De Mutsaart-Gewenst Kind vzw alvorens deze dienst ook maar vergund is (wat slechts het geval is vanaf 1 december 2016).
Op 1 december 2016 bieden zich inderdaad twee medewerkers van Kind en Gezin aan, die de dossiers van de wachtlijst meenemen.
De werking van verzoekende partij is dan ook de facto stilgelegd vanaf 1 december 2016.
Dit lijkt een gewoon gevolg van de bestreden beslissingen, ware het niet dat de Vlaamse Regering een extern, onafhankelijk bemiddelaar in het vooruitzicht had gesteld op 28 oktober 2016 […]. Pas na aandringen van verzoekster treedt deze bemiddelaar, die de advocaat van Kind en Gezin blijkt te zijn, op 29 november 2016 contact opgenomen en een afspraak belegd op 8 december 2016 […].
Toch vindt Kind en Gezin het nodig om op 1 december 2016 verzoekende partij volledig lam te leggen.
Op 21 november 2016 werd door Kind en Gezin gemeld dat de beslissing gepubliceerd was. De motivering werd pas op 24 november 2016 aan verzoekende partij bezorgd.
Ondertussen werd door verzoekende partij dus aangestuurd op het voorziene overleg.
Verzoekende partij heeft dus meer dan afdoende diligentie aan de dag gelegd om haar houding in overeenstemming te brengen met het uiterst dringende karakter van huidig verzoek.
Door een schorsing van de bestreden beslissing herleeft de erkenning die verzoekende partij nog heeft tot 2018 en kan zij haar werkzaamheden verder zetten”.
Beoordeling
9. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
VII-39.853-5/8
Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen.
10. In wezen stelt de verzoekende partij dat door het meenemen op 1 december 2016 van de lopende adoptiedossiers door Kind en Gezin haar werking vanaf voormelde datum “de facto” werd lamgelegd. Door dit enkele feit, dat veeleer te beschouwen is als een evidente uitvoeringsmaatregel van de niet-erkenning als enige dienst voor binnenlandse adoptie, toont de verzoekende partij niet aan dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing(en) bevolen volgens de gewone schorsingsprocedure, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel dat door die beslissing(en) wordt teweeggebracht op te vangen of haar belangen veilig te stellen.
11. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing(en) te kunnen bevelen.
Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VII. Belangenafweging
12. Aangezien de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet is aangetoond, vervalt de noodzaak om uitspaak te doen over het verzoek van de verwerende partij en de tussenkomende partij om overeenkomstig
VII-39.853-6/8
artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State over te gaan tot een afweging van de bij de zaak betrokken belangen.
VIII. Rechtsplegingsvergoeding
13. Aangezien het verzoekschrift niet het opschrift “verzoekschrift tot nietigverklaring” draagt, noch in het beschikkend gedeelte ervan de nietigverklaring van de bestreden beslissingen wordt gevorderd, is er reden om aan de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen.
BESLISSING
1. Het verzoek van de VZW De Mutsaard-Gewenst Kind tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.853-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.853-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.871