Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.820 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.820 Généré par l'IA

Belgian court dismisses employee's request to suspend dismissal and pay cut due to false badge misuse.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.820
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Peter Rysman's request to suspend the execution of his dismissal and salary reduction by Bpost. Rysman admitted to using a false access badge to hide absences, arguing unequal treatment compared to a colleague who received the badge but was not dismissed. The court found the cases not comparable because Rysman actively used the badge while the colleague's use was unproven, and the colleague had already been suspended administratively.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1; 84, § 3 of the Administrative Statute; The principle of equality prohibits unequal treatment of comparable cases without objective justification, but active misuse of a false badge constitutes a distinct offense from merely receiving one, warranting disciplinary action.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative dismissal false access badge principle of equality disciplinary procedure proportionality test suspension of execution employee misconduct faute disciplinaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the coordinated laws on the Council of State
Article 84, § 3 of the Administrative Statute
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 236.820 van 19 december 2016

in de zaak A. 219.685/IX-8886

In zake: Peter RYSMAN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Brabanter kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 69

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

BPOST, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 11 juli 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van:

- de beslissing van de chief human resources officer van de nv bpost van 18 mei 2016 naar luid waarvan Peter Rysman zijn rechten op bevordering en op bevor-

dering tot een hogere wedde niet kan doen gelden met ingang van 18 januari 2016

en de normale activiteitswedde van Peter Rysman wordt verminderd met ingang van diezelfde datum;

- de beslissing van de manager support, quality & account van de nv bpost van 18 mei 2016 waarbij Peter Rysman met ingang van die datum wordt afgezet.

IX-8886-1/24

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Christel Verleyen, die loco advocaat Jan De Brabanter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Milena Van Duppen, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is sedert 1 mei 1988 als statutair personeelslid in dienst van de verwerende partij. Op het ogenblik van de feiten is hij tewerkgesteld als maintenance planner (functieklasse F2) te Brussel.

3.2. Op 14 januari 2016 voert de dienst Security - Integrity Ma-

nagement van de nv bpost, in aanwezigheid van de manager support, quality &

IX-8886-2/24

account – dit is verzoekers hiërarchische meerdere n+1 – een “vraaggesprek” met verzoeker in het kader van een onderzoek betreffende “een misbruik van toe-

gangsbadges [...] gepleegd door middel van valse of onregelmatige bekomen badges”.

Tijdens dat gesprek verklaart verzoeker onder meer:

“ik ben in het bezit van een niet geldige badge. Ik kreeg deze anno 2014 rond de zomer. Het was mijn collega en vriend […] die mij deze had gegeven ter gelegenheid van zijn verjaardag. Ik heb niet naar deze badge gevraagd. Het is wel juist dat ik de badge regelmatig gebruik. Ik kom elke dag binnen met mijn echte badge en punt ook met mijn echte badge wanneer ik [’s] avonds de Munt verlaat. Tijdens de dag gebruik ik soms de valse badge. Ik doe dit wanneer ik soms langer wil buiten blijven maar ook wanneer ik buiten moet voor het werk.”

Verzoeker overhandigt tijdens het gesprek “de kwestieuze badge” aan de dienst Security - Integrity Management.

Op een door zijn hiërarchische meerdere opgestelde “vraag om inlichtingen” van 14 januari 2016 bevestigt verzoeker de verklaring die hij tijdens het vraaggesprek heeft afgelegd.

3.3. Eveneens op 14 januari 2016 stelt verzoekers hiërarchische meerdere voor om verzoeker in het belang van de dienst te schorsen.

Op 18 januari 2016 stemt de chief human resources officer van de nv bpost in met dit voorstel tot schorsing van verzoeker in het belang van de dienst. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd:

“Akkoord om het personeelslid te schorsen in het belang van de dienst om volgende redenen: Dhr. Rysman heeft op 14/01/2016 tijdens een verhoor door de Integrity manager, toegegeven dat hij rond de zomer van 2014 in het bezit was gekomen van een niet geldige toegangsbadge en dat hij deze regelmatig heeft gebruikt om het hoofdkantoor van bpost te verlaten, o.a. op momenten dat hij langer buiten wou blijven. Het gaat hier om misbruik van een toegangsbadge waardoor sommige afwezigheden op het werk niet werden geregistreerd.

Op grond van de voorliggende gegevens kan dit beschouwd worden als een zware professionele tekortkoming waardoor het vertrouwen dat bpost en de

IX-8886-3/24

hiërarchie in dhr. Rysman dienen te hebben, zwaar werd geschonden. Zijn aanwezigheid op de werkplaats is daarom niet meer aangewezen. Aangezien het om een zware professionele fout gaat die door dhr. Rysman uitdrukkelijk werd bekend en die dus bewezen is, beslis ik tevens, in toepassing van art. 87 van het administratief statuut van de postambtenaren, zijn bezoldiging te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op bevordering en op wedde-

verhoging te laten gelden.”

Op 20 januari 2016 verklaart verzoeker dat hij over deze be-

slissing gehoord wenst te worden door de commissie van beroep van de nv bpost (hierna: de beroepscommissie).

3.4. De vastgestelde feiten geven voor de verwerende partij tevens aanleiding tot het opstarten van een tuchtprocedure ten laste van verzoeker. Op 10 februari 2016 formuleert verzoekers hiërarchische meerdere het voorstel om verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Dit voorstel steunt op de volgende motieven:

“Op 14 januari 2016 tijdens een verhoor door integrity te hebben toegegeven dat hij rond de zomer van 2014 een niet geldige toegangsbadge had gekregen van een ander personeelslid en dat hij deze regelmatig heeft gebruikt om het hoofdkantoor van bpost in het muntcentrum te Brussel te verlaten en terug binnen te komen o.a. op momenten dat hij langer wou buiten blijven. Hieruit kan impliciet maar zeker afgeleid worden dat dhr. Rysman de intentie had om zijn hiërarchie te misleiden over zijn aanwezigheden op het werk.

Dhr. Rysman is een personeelslid met een verantwoordelijke functie (func-

tieklasse F2) die soms ook taken moest gaan uitvoeren buiten het hoofdkantoor.

Bpost en de hiërarchie dienen een absoluut vertrouwen te kunnen hebben in dergelijke personeelsleden. Door deze vorm van misleiding werd nochtans het vertrouwen dat bpost en de hiërarchie in dhr Rysman dienen te hebben op her-

stelbare [lees: onherstelbare] wijze geschonden. Een verdere tewerkstelling van dhr. Rysman is dan ook onmogelijk geworden. Alleen de afzetting is daarom een gepaste tuchtstraf, daar de andere straffen in het statuut een voortzetting zouden inhouden van een onmogelijke arbeidsrelatie.”

3.5. Verzoeker wordt op 19 februari 2016 over dit voorstel van tuchtstraf gehoord door zijn hiërarchische meerdere. Op 23 februari 2016 dient hij een “bijkomende verklaring” in, die als volgt luidt:

IX-8886-4/24

“Vooraleerst wil ik nog eens op mijn erewoord verklaren dat ik nooit schade heb willen berokkenen of effectief schade heb toegebracht aan het bedrijf bpost.

Dit zowel op financieel als op het vlak van het imago van bpost.

Ik heb nooit om die badge gevraagd.

Ik zie het gebruik ervan als een ‘jeugdzonde’, zonder nagedacht te hebben over de verdere gevolgen.

Ik hoop bij mijn strafbepaling dat er rekening gehouden wordt met volgende verzachtende omstandigheden:

1. Ik had tot op het ogenblik van de feiten bij mijn weten nog nooit een model 9 gekregen.

2. Mijn huidige en vroegere n+1 zijn altijd heel tevreden geweest over mijn geleverde prestaties.

Mijn huidige n+1 zegt dat mijn werk steeds correct is uitgevoerd geweest.

3. Ik heb steeds goede evaluaties gekregen (B). Een bewijs dat mijn job niet geleden heeft onder de feiten.

4. Het contact met de klanten is steeds heel goed verlopen. Ze waren steeds heel tevreden over de positieve samenwerking.

Het bewijs hiervan is dat de klanten steeds heel tevreden waren over de correcte facturatie, die steeds op tijd gebeurde. (Getuige daarvan de mails die ik van hen kreeg met ‘dank voor de vlugge verwerking’.)

5. De samenwerking met mijn collega’s was steeds positief. Ik was door iedereen een graag gezien persoon, over het gans gebouw en ook ver erbuiten, door ex-collega’s.

6. Ik besef nu dat ik in de fout gegaan ben. Ik ben dan ook bereid een billijke sanctie te aanvaarden zodat ik mijn werkzaamheden bij bpost kan verder zetten volgens de geldende regels met een positief engagement.”

3.6. Op 24 maart 2016 beslist verzoekers hiërarchische meerdere om verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

“De argumenten van dhr. Rysman kunnen mij niet overtuigen dat bpost en zijn hiërarchie in de toekomst nog vertrouwen in hem zouden kunnen hebben. Ik overloop zijn argumenten.

Zijn argument dat hij door de feiten geen financiële en geen imago-schade heeft toegebracht aan bpost.

Dat argument kan ik niet aanvaarden. Dhr. Rysman wordt gestraft omdat hij het vertrouwen van zijn hiërarchie op onherstelbare wijze heeft geschonden.

Het feit dat die vertrouwensbreuk al dan niet gepaard ging met financiële schade of schade aan het imago van bpost, doet daarbij niet terzake. Dhr. Rysman heeft zelf toegegeven dat hij de onregelmatige toegangsbadge gebruikte ‘op mo-

menten dat hij langer buiten wou blijven’. Hij had dus de intentie om zijn hië-

rarchie te misleiden over zijn aanwezigheden op het werk. De hiërarchie bij bpost kan geen enkel vertrouwen meer hebben in een personeelslid met een verantwoordelijke functie dat dergelijke feiten pleegt. Zelfs al heeft dhr. Rys-

man door zijn gedrag geen financiële of imagoschade toegebracht aan bpost,

IX-8886-5/24

dan kan dat niet die onherstelbare vertrouwensbreuk ongedaan maken of mil-

deren.

Zijn argument dat hij niet om de badge had gevraagd en dat het om een zogenaamde jeugdzonde ging waarbij hij niet heeft nagedacht.

Dat argument kan ik ook niet aanvaarden. Op zich doet het er niet toe hoe dhr. Rysman in het bezit is gekomen van de onregelmatige toegangsbadge. Hij wordt niet gestraft om het in het bezit komen van een onregelmatige badge, maar wel om het gebruik ervan met de intentie om zijn hiërarchie te misleiden.

Ook het argument dat het om een jeugdzonde ging waarbij hij niet heeft nage-

dacht kan mij niet overtuigen. Dhr. Rysman heeft de badge gekregen in 2014

toen hij al bijna 50 jaar was en een anciënniteit had bij bpost van meer dan 25 jaar. Het is toen dat hij besloten heeft om de badge te gebruiken, van een zogenaamde jeugdzonde kan dus geen sprake zijn. Bovendien heeft hij toege-

geven dat hij de badge gebruikte op momenten dat hij langer wou buiten blijven.

Dat geeft aan dat hij bij het gebruik van de badge wel degelijk nadacht en een zekere intentie had om bedrog te plegen. Dhr. Rysman kan mij er dus niet van overtuigen dat hij deze badge in feite gebruikte louter als spel en zonder enige kwade intentie.

Zijn argumenten dat er sprake is van [...] verzachtende omstandigheden omdat hij nog nooit een model 9 (vraag om inlichtingen) had gekregen, dat zijn chefs en de klanten altijd tevreden waren over zijn prestaties, hij zijn werk steeds correct heeft uitgevoerd en dat hij altijd een goede evaluatie heeft ge-

kregen.

Ook die argumenten kan ik niet aanvaarden. De loopbaan en de prestaties van dhr. Rysman en zijn relaties met de klanten worden op zich niet in vraag gesteld. Dhr. Rysman wordt gestraft omdat er een onherstelbare vertrouwens-

breuk is ontstaan tussen hem [en] de hiërarchie bij bpost. Dhr. Rysman heeft een verantwoordelijke functie bij bpost. Voor het uitoefenen van dergelijke functie volstaat het niet dat men zijn taken correct uitvoert en goed presteert. Het bedrijf moet er ook op kunnen rekenen dat dergelijke personeelsleden in alle omstan-

digheden te vertrouwen zijn. Dat vertrouwen wordt onherstelbaar geschonden door een personeelslid dat zijn hiërarchie bewust wil misleiden over zijn aan-

wezigheden op het werk door een onregelmatige toegangsbadge te gebruiken.

Een onberispelijke loopbaan, goede prestaties, goede relaties met de klanten en gunstige evaluaties, kunnen die vertrouwensschending niet ongedaan maken.

Zijn argumenten dat er sprake is van verzachtende omstandigheden omdat de relatie met collega’s steeds positief was.

Op grond van de voorgaande redenering kan ik dat argument ook niet aanvaarden. Een goede relatie met de collega’s – die overigens niet in vraag wordt gesteld – kan ook de vertrouwensbreuk die is ontstaan met de hiërarchie niet ongedaan maken.

Conclusie:

De feiten blijven naar mijn oordeel van die aard dat het vertrouwen in dhr. Rysman op onherstelbare wijze is geschonden. Geen enkel van de argu-

menten van dhr. Rysman kan mij ervan overtuigen dat een normale hiërarchi-

sche chef, geplaatst in dezelfde omstandigheden en die geconfronteerd wordt met dezelfde feiten gepleegd door één van zijn personeelsleden met een ver-

antwoordelijke functie, nog vertrouwen zou kunnen hebben in dergelijk per-

IX-8886-6/24

soneelslid. Een onherstelbare vertrouwensschending kan alleen maar bestraft worden met een tuchtstraf die een einde maakt aan de arbeidsrelatie. Bij bpost is de afzetting de enige straf die dan mogelijk is.

Ik leg aan de heer Peter Rysman de afzetting op, die op passende wijze de ten laste gelegde feiten bestraft.”

Op 31 maart 2016 verklaart verzoeker dat hij over deze beslis-

sing gehoord wenst te worden door de beroepscommissie.

3.7. Op 20 april 2016 heeft de hoorzitting van de beroepscommissie plaats. Deze commissie verleent diezelfde dag nog het volgende advies:

“De leden zijn van oordeel dat de feiten bewezen zijn, daar dhr. Rysman ze heeft toegegeven in zijn verklaring aan integrity op 14 januari 2016.

Daarin heeft hij ook verklaard dat hij elke dag binnenkwam en ’s avonds vertrok met zijn echte badge. De valse badge gebruikte hij om tijdens de dag het bedrijf te verlaten. Daaruit blijkt dat hij deze valse badge bewust gebruikte waardoor controle op zijn aanwezigheid niet mogelijk was. Het is voor de meerderheid van de leden van de commissie daarbij zonder belang hoe lang hij afwezig was bij het gebruik van de valse badge. Eén lid van de commissie is evenwel van oordeel dat een bijkomend onderzoek dient gedaan te worden naar de juiste omvang van het gebruik van de valse badge. Uit het dossier blijkt ook dat de opmerking van de verdediging i.v.m. het naleven van de procedure i.v.m.

de schorsing in het belang van de dienst, berust op verkeerde informatie. De aangetekende zending met de kennisgeving van de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst werd wel degelijk verzonden op 18 januari 2016 en niet op 16 januari 2016.

De meerderheid van de leden van de commissie, nl. 4 van de 6, is van oordeel dat de feiten zeer ernstig zijn en dat de afzetting terecht is.

De overige leden van de commissie, nl. 2 van de 6, zijn van oordeel dat de straf niet evenredig is met de feiten en dat een terugzetting in functieklasse een meer gepaste straf is.

De leden van de commissie zijn unaniem van oordeel dat de schorsing in het belang van de dienst terecht was.

De meerderheid van de leden van de commissie, nl. 4 van de 6, is van oordeel dat de beslissing van 18 januari 2016 om de bezoldiging van de heer Rysman te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op be-

vordering en op weddeverhoging te laten gelden gedurende de schorsing in het belang van de dienst, terecht is.”

3.8. Op 18 mei 2016 overweegt de chief human resources officer dat het advies van de beroepscommissie voor verzoeker ongunstig is. Hij stelt dat zijn beslissing van 18 januari 2016 bijgevolg behouden blijft en dat verzoeker derhalve

IX-8886-7/24

zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde niet kan doen gelden met ingang van 18 januari 2016, alsook dat de normale activiteitswedde van verzoeker wordt verminderd met ingang van diezelfde datum.

Dit is de eerste bestreden beslissing.

3.9. Eveneens op 18 mei 2016 stelt ook verzoekers hiërarchische meerdere dat het advies van de beroepscommissie voor verzoeker ongunstig is, dat zijn beslissing van 24 maart 2016 bijgevolg behouden blijft en dat verzoeker derhalve de tuchtstraf van de afzetting wordt opgelegd met ingang op 18 mei 2016.

Dit is de tweede bestreden beslissing.

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht doordat “er geen onderzoek [werd] ingesteld omtrent con-

crete gegevens betreffende het gebruik van de ongeldige badge”. Hij laat gelden dat de feiten zeer algemeen worden gesteld en dat niet wordt vermeld hoe dikwijls

IX-8886-8/24

hij van de ongeldige badge gebruik heeft gemaakt. Hij merkt ook op dat er geen kopie is terug te vinden van de ongeldige badge die hij bij zijn ondervraging op 14 januari 2016 heeft afgegeven. Voorts klaagt hij aan dat geen onderzoek werd ingesteld naar de wijze waarop hij de toegangsbadge heeft verkregen en dat evenmin werd onderzocht op welke wijze hij van de badge gebruik heeft gemaakt, namelijk gedurende welke periode, hoe dikwijls en hoe lang hij afwezig was.

Verzoeker wijst erop dat hierover geen verslag werd opgesteld en geen gegevens voorhanden zijn, ofschoon dit volgens de dienst Security - Integrity Management van de nv bpost kan worden nagegaan. Hij is van oordeel dat het nochtans van belang is dat wordt onderzocht hoe vaak en hoe lang hij van de valse badge gebruik heeft gemaakt en of de belangen van de verwerende partij hierdoor werden ge-

schaad.

Beoordeling

6. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn be-

slissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de be-

slissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met gepaste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Voorts dienen de feitelijke en juridische as-

pecten van het dossier deugdelijk te worden onderzocht, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.

7. Verzoeker heeft de feiten toegegeven op grond waarvan de be-

streden beslissingen zijn genomen. Ze betreffen het regelmatige misbruik, sedert medio 2014, van een ongeldige toegangsbadge, waardoor sommige afwezigheden op het werk niet werden geregistreerd. Reeds tijdens het gesprek op 14 januari 2016 met de dienst Security - Integrity Management van de nv bpost legde ver-

zoeker daarover een niet mis te verstane verklaring af, zoals hiervóór sub 3.2

aangehaald. Ook nadien heeft verzoeker de feiten bevestigd, onder meer op het document ‘vraag om inlichtingen’, in zijn bijkomende verklaring naar aanleiding van het voorstel tot afzetting en tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie.

IX-8886-9/24

Er lijkt dan ook te moeten worden vastgesteld dat de feiten die aan de grondslag liggen van de bestreden beslissingen, vaststaan. In die omstan-

digheden kan op het eerste gezicht aan de verwerende partij niet ten kwade worden geduid dat zij geen kopie zou hebben gemaakt van de door verzoeker gebruikte ongeldige badge en al evenmin dat zij niet zou hebben onderzocht hoe dikwijls verzoeker van die badge gebruik heeft gemaakt en hoe lang hij daarbij afwezig is gebleven. Het misbruik als zodanig is met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld, aangezien verzoeker het zelf heeft bekend. Dat niet precies is nagegaan hoe vaak en hoe lang verzoeker de ongeldige badge heeft gebruikt, lijkt niet decisief, nu de verwerende partij alleen al uit het feit van het toegegeven regelmatige misbruik, waardoor de hiërarchie werd misleid, een tekortkoming aan verzoekers beroeps-

plichten lijkt te hebben kunnen afleiden.

8. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

9. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-

handelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet). Hij licht het middel toe als volgt:

“Overeenkomstig Artikel 2 van deze wetgeving dienen de bestuurshande-

lingen uitdrukkelijk te worden gemotiveerd;

Overeenkomstig Artikel 3 moet deze motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.”

Exceptie van de verwerende partij

10. De verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat verzoeker er niet in verduidelijkt op welke wijze zij de formelemotive-

ringswet geschonden zou hebben.

IX-8886-10/24

Beoordeling

11. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wet-

ten op de Raad van State, kan de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, op elk moment de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, van de voornoemde wetten, indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Wat de beoordeling van de ernst van de middelen betreft, wordt rekening gehouden “met de ontwikkelingen vervat in het verzoekschrift tot nie-

tigverklaring” (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 28 januari 2014 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afde-

ling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, BS 3 februari 2014, bespreking van artikel 32). De middelen die kunnen worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering in kort geding, zijn aldus inzonderheid de middelen die worden ontwikkeld in het beroep tot nietigverklaring of, zoals in dit geval, in het enig verzoekschrift. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de midde-

len” bevat. Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen pro-

cedurereglement wordt verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel of het rechtsbeginsel waarvan de schending wordt ingeroepen, alsook van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden be-

slissing wordt geschonden.

Opdat een door haar aangevoerd middel ontvankelijk zou zijn, dient een verzoekende partij derhalve niet alleen duidelijk te maken welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht, maar ook op welke wijze, naar haar oordeel, die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt miskend.

IX-8886-11/24

12. Verzoeker beperkt zich evenwel tot een loutere verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, zonder uiteen te zetten waarom die wetsbepalingen door de bestreden beslissingen zouden zijn geschonden. Dit klemt des te meer nu de bestreden beslissingen respectievelijk vier en zes blad-

zijden met formele aanhalingen en overwegingen omvatten en verzoeker niet in het minst aangeeft op welke wijze deze redengeving zou tekortschieten.

13. In de huidige stand van de rechtspleging lijkt het tweede middel om die reden niet ontvankelijk.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. Verzoeker ontleent een derde middel aan de “[v]erhouding tus-

sen de feiten en de administratieve maatregelen”. Hij voert aan dat de beslissing tot afzetting niet in verhouding staat tot de hem ten laste gelegde feiten, vooral omdat niet werd onderzocht en vastgesteld hoe dikwijls en hoe lang hij van de valse badge gebruik heeft gemaakt. Verzoeker stelt dat de ernst van de feiten bepalend is voor de sanctie die wordt genomen. De omvang van de feiten wordt evenwel niet weergegeven en er wordt niet vermeld hoe dikwijls de feiten werden gepleegd en hoe lang hij afwezig is geweest. Volgens verzoeker is hij, doordat de feiten niet nauwkeurig genoeg zijn omschreven, ook in zijn rechten van verdediging ge-

schaad.

Excepties van de verwerende partij

15. De verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat verzoeker heeft verzuimd de precieze rechtsregel aan te duiden die zij zou hebben miskend.

IX-8886-12/24

Voorts laat zij gelden dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten wel degelijk nauwkeurig zijn omschreven, zodat verzoeker niet in zijn rechten van verdediging is geschaad. Tijdens de interne procedure of voor de beroepscommissie heeft hij overigens niet ingeroepen dat de feiten onduidelijk zouden zijn, zodat het middel ook om die reden onontvankelijk is.

Beoordeling

a. Ontvankelijkheid van het middel

16. Zoals sub 11 gesteld, dient een verzoekende partij, opdat haar middel ontvankelijk zou zijn, onder meer voldoende duidelijk te maken van welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij de schending aanvoert.

De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig in het inleidend verzoekschrift te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen.

Hieruit volgt dat indien een verzoekende partij geen precieze aanduiding geeft van de rechtsregel of het rechtsbeginsel welk(e) zij geschonden acht, tot de onontvankelijkheid van het middel moet worden besloten, tenzij haar uiteenzetting zowel aan de verwerende partij als aan de Raad van State toelaat om de geschonden geachte bepaling(en) en beginselen te identificeren.

17.1. In dit geval blijkt uit het verweer van de verwerende partij dat zij in de uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift heeft kunnen lezen dat volgens verzoeker het onderzoek onzorgvuldig werd gevoerd, de opge-

legde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten en zijn rechten van verdediging geschonden zijn doordat de feiten onvoldoende nauwkeurig zijn omschreven.

IX-8886-13/24

Ook de Raad van State begrijpt het middel in die zin.

Aldus lijkt de uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift toe te laten te begrijpen dat verzoeker de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de rechten van verdedi-

ging.

17.2. De eerste exceptie van de verwerende partij wordt in de huidige stand van de rechtspleging dan ook verworpen.

18.1. In de mate dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker heeft verzuimd om in de loop van de administratieve procedure aan te voeren dat de feiten niet nauwkeurig zijn omschreven en hij deze grief thans niet voor het eerst voor de Raad van State kan aanvoeren, moet worden opgemerkt dat verzoeker in de procedure voor de beroepscommissie heeft laten gelden dat “[d]e feiten […]

zeer algemeen [zijn] gesteld” en dat “concrete gegevens om dit alles te staven […]

in het geheel niet terug [te vinden zijn]”.

18.2. De tweede exceptie van de verwerende partij lijkt aldus feitelijke grondslag te missen.

b. Ernst van het middel

19. In de mate dat verzoeker aanvoert dat het onderzoek niet zorg-

vuldig is gebeurd, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarbij is vastgesteld dat verzoeker regelmatig misbruik van een ongeldige toe-

gangsbadge heeft toegegeven en dat uit dit gegeven als zodanig reeds een tekort-

koming aan de beroepsplichten kan worden afgeleid, die tuchtrechtelijk kan wor-

den gesanctioneerd.

IX-8886-14/24

20.1. In de mate dat verzoeker stelt dat de beslissing tot afzetting niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten, beoogt hij – zoals sub 17.1 gesteld –

op het eerste gezicht een schending van het evenredigheidsbeginsel aan te voeren.

20.2. Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtstraf be-

schikt de tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Zij moet daarbij rekening houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. De Raad van State vermag zich bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf niet in de plaats van de tuchtoverheid te stellen. Hij vermag enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig te kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen.

20.3. Luidens artikel 78, § 1, van het administratief statuut van de postambtenaren kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken:

1° de blaam;

2° de inhouding van 20% van de brutowedde gedurende maximum dertig dagen;

3° de tuchtschorsing;

4° de terugzetting in klasse;

5° de afzetting.

20.4. In dit geval heeft de verwerende partij geopteerd voor de zwaarste tuchtsanctie, de afzetting.

Zij stelt dat zij een absoluut vertrouwen moet kunnen hebben in personeelsleden met een verantwoordelijke functie, zoals verzoeker, en dat door verzoekers misleiding van de hiërarchie over zijn aanwezigheden op het werk, het vertrouwen dat de nv bpost en de hiërarchie in verzoeker dienen te hebben, op onherstelbare wijze is geschonden waardoor een verdere tewerkstelling van ver-

IX-8886-15/24

zoeker onmogelijk is geworden. De afzetting is, aldus de verwerende partij, dienvolgens de enige mogelijke sanctie omdat dit bij de nv bpost de enige tucht-

straf is die een einde maakt aan de arbeidsrelatie.

20.5. Het is aannemelijk dat het aan verzoeker ten laste gelegde re-

gelmatige misbruik van een ongeldige toegangsbadge om zijn werkuren te mani-

puleren, dat als zodanig vaststaat, het vertrouwen dat de verwerende partij in verzoeker moet kunnen hebben, op zijn minst op een zeer ernstige wijze heeft aangetast. De verwerende partij lijkt de grenzen van haar discretionaire beoorde-

lingsvrijheid niet te buiten te gaan wanneer zij oordeelt dat een verdere samen-

werking met verzoeker, aan wie een “verantwoordelijke functie” wordt toege-

schreven, om die reden uitgesloten is. Dit heeft de verwerende partij ertoe gebracht een tuchtstraf op te leggen die een einde maakt aan die onmogelijk geworden samenwerking. Uit het voormelde artikel 78, § 1, van het administratief statuut blijkt dat daartoe slechts in één tuchtstraf is voorzien, namelijk de tuchtstraf van de afzetting.

20.6. De opgelegde tuchtstraf kan derhalve op het eerste gezicht niet als een onredelijke of onevenredige tuchtstraf worden beschouwd.

21. In de mate dat verzoeker laat gelden dat zijn rechten van verde-

diging zijn geschonden doordat de feiten niet nauwkeurig genoeg zijn omschreven, moet worden opgemerkt dat verzoeker uitgebreid in de gelegenheid is geweest om zich tegen de hem ten laste gelegde feiten te verdedigen: hij werd omtrent de feiten gehoord, hij heeft een bijkomende verklaring naar aanleiding van het voorstel tot afzetting ingediend en hij werd daarna nogmaals gehoord door de beroepscom-

missie. Verzoeker heeft de feiten, zoals ze in de bestreden beslissingen aan hem ten laste worden gelegd, steeds toegegeven. Zoals hiervóór reeds werd vastgesteld, heeft verzoeker regelmatig misbruik van een ongeldige toegangsbadge bekend en vereist dit gegeven als zodanig, met het oog op een tuchtrechtelijke bestraffing, niet noodzakelijk verder onderzoek. Het behoeft ook geen nadere verduidelijking.

IX-8886-16/24

Van een schending van verzoekers rechten van verdediging lijkt dan ook geen sprake te zijn.

22. Het derde middel is in geen van zijn onderdelen ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

23. Verzoeker voert in een vierde middel “[t]egenstrijdigheid in de beslissing” aan. Hij licht het middel als volgt toe:

“Reeds bij beslissing van 14/01/2016 werd Peter Rysman uit de dienst ver-

wijderd met ingang van 14/01/2016 terwijl volgens de beslissing van [de chief human resources officer van de nv bpost] dd 18/01/2016 beslist werd om de bezoldiging van Peter Rysman te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden;

Er bestaat dus tegenstrijdigheid tussen de beslissingen van 14/01/2016 en de uiteindelijke beslissing van 18/01/2016.”

Excepties van de verwerende partij

24. De verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat verzoeker geen rechtsregel aanduidt die zij zou hebben geschonden.

Voorts acht zij het middel onontvankelijk omdat het onduidelijk is. Zij merkt ook op dat verzoeker deze grief nooit tijdens de interne procedure, noch tijdens de procedure voor de beroepscommissie heeft aangevoerd en hij daardoor het recht heeft verloren om deze grief nu in de procedure voor de Raad van State te laten gelden.

In de mate dat het middel toch ontvankelijk zou worden be-

vonden, werpt zij op dat het slechts kan leiden tot een schorsing van de eerste bestreden beslissing omdat het enkel op die beslissing betrekking heeft.

IX-8886-17/24

Beoordeling

25. Verzoeker maakt in zijn vierde middel niet duidelijk welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht, laat staan op welke wijze die schending zich zou voordoen. Hij verduidelijkt bovendien geenszins waaruit de aangevoerde tegenstrijdigheid tussen de beslissing van 14 januari 2016 en de be-

slissing van 18 januari 2016 zou bestaan. Dit lijkt reeds te moeten doen besluiten tot de onontvankelijkheid van het middel.

In de zogenaamde beslissing van 14 januari 2016 van de hië-

rarchische meerdere van verzoeker werd het voorstel geformuleerd om verzoeker te schorsen in het belang van de dienst. Met de beslissing van 18 januari 2016 van de chief human resources officer van de nv bpost wordt ingestemd met dit voorstel en wordt tevens beslist om verzoekers bezoldiging te verminderen en hem het recht te ontzeggen zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden met ingang van 18 januari 2016. Op het eerste gezicht lijkt hierin geen tegenstrij-

digheid te kunnen worden onderkend.

26. In zoverre het vierde middel ontvankelijk is, is het niet ernstig.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

27. Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van ar-

tikel 79 van het administratief statuut. Hij licht toe dat volgens deze statutaire bepaling een tuchtstraf moet worden voorafgegaan door een verwittiging, terwijl in dit geval geen verwittiging werd gegeven, alleszins heeft hij ze nooit ontvangen.

Beoordeling

28. Artikel 79 van het administratief statuut luidt als volgt:

IX-8886-18/24

“De tuchtstraf wordt in principe voorafgegaan door één verwittiging die door de ambtenaar wordt geviseerd.”

De voorafgaande verwittiging, waarvan sprake in deze bepaling, heeft kennelijk tot doel de ambtenaar te waarschuwen opdat hij zijn gedrag zou verbeteren en hij een tuchtstraf zou kunnen vermijden. Aangezien een tuchtstraf volgens de bewoordingen van deze bepaling alleen “in principe” moet worden voorafgegaan door een verwittiging, sluit de afwezigheid van een dergelijke ver-

wittiging niet noodzakelijk het opleggen van iedere tuchtstraf uit. Dit is met name het geval wanneer de tuchtoverheid wordt geconfronteerd met een tuchtvergrijp dat zo ernstig is dat het een onmiddellijk optreden zonder voorafgaande verwitti-

ging vergt of ook nog wanneer het gaat om een feit dat de hiërarchische meerdere niet heeft kunnen voorzien en waaromtrent hij de betrokken ambtenaar bijgevolg niet heeft kunnen verwittigen. Bij dergelijke feiten staat het voormelde artikel 79 er niet aan in de weg dat onmiddellijk wordt opgetreden.

29. In dit geval heeft de verwerende partij de tuchtfeiten als zeer ernstig beschouwd, in die mate zelfs dat het vertrouwen in verzoeker erdoor op een onherstelbare wijze geschonden werd geacht, waardoor een verdere tewerkstelling van verzoeker onmogelijk werd bevonden en vervolgens werd besloten dat de afzetting de enige gepaste tuchtstraf was. Aangezien de verwerende partij zich aldus geconfronteerd zag met een “zware professionele fout” die naar haar oordeel de afzetting verantwoordde, moet op het eerste gezicht worden aangenomen dat zij nog bezwaarlijk kon overgaan tot een voorafgaande verwittiging in de zin van het voormelde artikel 79.

30. Ten overvloede zij erop gewezen, dat in artikel 11, tweede lid, van de “richtlijn over de tuchtregeling bij bpost” het volgende wordt gesteld met betrekking tot de verwittiging waarvan sprake in artikel 79 van het administratief statuut:

“De verwittiging voorzien bij artikel 79 van het administratief statuut kan gegeven worden door om het even welk geschreven middel van de onmiddel-

IX-8886-19/24

lijke chef maar is geen verplichte voorafgaande voorwaarde om een tuchtstraf op te leggen.”

Hierdoor lijkt alleen maar te worden bevestigd dat een tuchtstraf niet altijd door een verwittiging moet worden voorafgegaan.

31. Het vijfde middel is niet ernstig.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

32. Verzoeker voert in een zesde middel de schending aan van ar-

tikel 83, § 3, (lees: artikel 84, § 3,) van het administratief statuut, dat bepaalt dat de tuchtvordering enkel mag slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of werden vastgesteld binnen een periode van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering werd ingesteld. Hij laat gelden dat er geen bewijs is dat hij de feiten heeft gepleegd gedurende zes maanden voorafgaand aan de datum van de tuchtmaatregel. Evenmin is er, aldus verzoeker, bewijs dat de feiten zich hebben voorgedaan binnen een periode van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering is ingesteld, namelijk 14 januari 2016. Verzoeker merkt ook nog op dat in de beslissing van de chief human resources officer van 18 mei 2016 wordt vermeld dat de schorsing in het belang van de dienst reeds inging op 20 september 2013.

Beoordeling

33. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat de verwijzing in de bestreden beslissingen naar een schorsing in het belang van de dienst die op 20 september 2013 zou zijn ingegaan, een materiële vergissing betreft. Verzoeker had – zoals hij zelf heeft toegegeven – de ongeldige badge pas sedert de zomer van 2014 in zijn bezit. Uit de uiteenzetting van de feiten van de zaak blijkt dat de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, op grond van de hem ten laste

IX-8886-20/24

gelegde feiten, door zijn hiërarchische meerdere op 14 januari 2016 is voorgesteld en op 18 januari 2016 door de chief human resources officer is goedgekeurd.

34. Artikel 84, § 3, van het administratief statuut luidt:

“De tuchtvordering mag alleen op feiten slaan die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen een periode van zes maanden, voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering wordt ingesteld.

De termijn van zes maanden binnen dewelke een tuchtvordering moet worden opgestart wordt opgeschort door elke in het Reglement betreffende de Verloven voorziene afwezigheid van de betrokken ambtenaar.”

35. Anders dan verzoeker lijkt te beweren is, opdat voldaan zou zijn aan artikel 84, § 3, van het administratief statuut, niet vereist dat de feiten zich hebben voorgedaan binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan de da-

tum van de tuchtmaatregel.

Evenmin is vereist dat de feiten zich hebben voorgedaan binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering is ingesteld.

De verjaringstermijn van zes maanden gaat pas in na de vast-

stelling of de kennisname van de feiten door de tuchtoverheid. De feiten moeten als vastgesteld worden beschouwd op het ogenblik dat de tuchtoverheid voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens heeft verzameld om aan het personeelslid een laakbare gedraging te verwijten. De tuchtvordering moet dan weer als inge-

steld worden beschouwd op het ogenblik dat de bevoegde overheid duidelijk de intentie doet blijken dat de betrokkene zich voor de tuchtoverheid moet verant-

woorden.

36. In dit geval heeft de tuchtoverheid op 14 januari 2016 kennis-

genomen van de feiten die uiteindelijk in de bestreden beslissingen aan verzoeker ten laste zijn gelegd. Op die datum heeft verzoeker tijdens een vraaggesprek met de dienst Security - Integrity Management van de nv bpost, in aanwezigheid van zijn

IX-8886-21/24

hiërarchische meerdere, die zijn tuchtoverheid is, toegegeven dat hij sedert 2014 in het bezit is van een ongeldige badge, die hij regelmatig gebruikt opdat zijn afwe-

zigheden op het werk niet zouden worden geregistreerd.

De tuchtvordering is op 10 februari 2016 ten laste van verzoeker ingesteld ingevolge het formuleren van een voorstel van tuchtstraf door zijn hië-

rarchische meerdere. Op dat ogenblik heeft de tuchtoverheid duidelijk te kennen gegeven dat verzoeker zich voor haar tuchtrechtelijk zou moeten verantwoorden.

De tuchtvordering lijkt dan ook tijdig te zijn ingesteld. In de huidige stand van de rechtspleging kan de aangevoerde schending van artikel 84, § 3, van het administratief statuut niet worden aangenomen.

37. Het zesde middel is niet ernstig.

G. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

38. Verzoeker voert in een zevende middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat tegen de persoon die hem de badge heeft overhandigd, weliswaar een tuchtprocedure is gevoerd, maar dat de beroeps-

commissie diens straf heeft tenietgedaan en dat betrokkene dus niet is afgezet en nog steeds in dienst is. Volgens verzoeker is het hem overhandigen van de badge, waar hij nooit om heeft gevraagd, evenwel een zwaarder vergrijp dan het gebruik ervan.

Beoordeling

39. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare ge-

IX-8886-22/24

vallen verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

40. Verzoeker vergelijkt zijn geval met dat van diegene die hem de valse badge heeft overhandigd. Het lijkt evenwel niet om vergelijkbare gevallen te gaan. Verzoeker heeft immers de valse badge daadwerkelijk gebruikt, terwijl niet blijkt dat dit ook voor zijn collega het geval is geweest. Op het eerste gezicht gaat het dan ook niet om gevallen die gelijk moeten worden behandeld. Anders dan verzoeker laat uitschijnen, werd de betrokken collega overigens wel tuchtrechtelijk gestraft. Hij werd namelijk tuchtrechtelijk geschorst van 20 januari 2016 tot en met 31 mei 2016, zo blijkt uit het administratief dossier.

41. Het zevende middel is niet ernstig.

VI. Slotsom

42. Geen van de door verzoeker aangevoerde middelen is ernstig.

Derhalve is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat de vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd.

VII. Kosten

43. Wat de vraag van de verwerende partij betreft om de kosten van de vordering, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro, ten laste van verzoeker te leggen, zij eraan herinnerd dat de bijdrage in de betaling van de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, wordt be-

paald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigver-

klaring.

IX-8886-23/24

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 december 2016, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-8886-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.820