Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.771 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.771 Généré par l'IA

Court of Cassation annuls asylum decision for failure to consider relevant medical evidence submitted during invalidity proceedings.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.771
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Council for Alienation Disputes' decision regarding the applicants' residence permit application. The applicants had submitted medical documents during their request for annulment of a previous refusal, which the lower court incorrectly excluded from consideration. The court ruled that the lower court violated its duty of care by failing to account for these relevant documents, which the applicants had knowledge of or should have known about. Consequently, the case is remitted to a different chamber of the Council for Alienation Disputes for a new decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 9ter of the Foreigners' Law; The administrative authority must consider all relevant documents submitted by the applicant, including those introduced during subsequent annulment proceedings, and failing to do so constitutes a violation of the duty of care.

Mots-clés

Généré par l'IA
duty of care violation asylum residence permit medical evidence admissibility annulment proceedings administrative reconsideration relevant documents foreigners law révocation de la qualité de réfugié

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 9ter of the Law of 15 December 1980 on the access to the territory, residence, establishment and expulsion of foreigners
Article 30/1, § 2, second paragraph of the coordinated laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 236.771 van 14 december 2016

in de zaak A. 216.494/XIV-36.574

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. XXX

2. XXX

3. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Meral Kalin kantoor houdend te 3520 Zonhoven Hulsbergweg 7A

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 147.648 van 12 juni 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.476 van 26 augustus 2015.

XIV-36.574-1/10

De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Meral Kalin verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord.

Auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De huidige verweerders dienen op 21 september 2011 een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).

XIV-36.574-2/10

3.2. Op 2 oktober 2013 verklaart de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding deze aanvraag ongegrond.

De verweerders dienen op 13 november 2013 een beroep tot nietigverklaring in tegen de voornoemde beslissing van 2 oktober 2013, doch de bevoegde staatssecretaris beslist op 28 november 2013 tot intrekking van de beslissing van 2 oktober 2013. Met een arrest van 25 februari 2014 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring tegen de inmiddels ingetrokken beslissing van 2 oktober 2013.

3.3. Op 3 december 2013 verklaart de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding de aanvraag van 21 september 2011 opnieuw ongegrond.

De verweerders stellen tegen die beslissing op 10 januari 2014

een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Met een arrest van 12 juni 2015 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde beslissing van 3 december 2013. Dit is het bestreden arrest.

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van de partijen

4. De verzoekende partij werpt in een enig middelde schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen9ter, 39/2, § 2, en 39/65, eerste lid van de vreemdelingenwet, van “het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht” en van ”het beginsel van de bewijskracht van

XIV-36.574-3/10

stukken, overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het burgerlijk wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.

De verzoekende partij voert aan dat volgens het bestreden arrest onterecht geen rekening werd gehouden met dienstige stukken in het kader van een op 21 september 2011 ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, terwijl de betrokken stukken waren opgesteld op naam van huidige derde verweerder en de aanvraag enkel was ingediend in functie van de medische situatie van huidige eerste verweerster. Uit het administratief dossier blijkt onmiskenbaar dat uitsluitend medische stukken op naam van eerste verweerster werden bijgebracht. Volgens de verzoekende partij blijkt uit de bewoordingen van artikel 9ter van de vreemdelingenwet genoegzaam dat, indien verscheidende personen binnen eenzelfde gezin een medisch probleem zouden hebben, het aan ieder van hen afzonderlijk toekomt een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van dat artikel in te dienen, waarbij zij erop moeten toezien dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden worden vervuld voor elke afzonderlijk aanvraag. Het feit dat de kwestieuze aanvraag de identiteitsgegevens van alle gezinsleden vermeldt, doet geen afbreuk aan het feit dat die aanvraag slechts moet worden onderzocht in functie van de persoon voor wie medische redenen worden ingeroepen en op wiens naam een standaard medisch getuigschrift wordt voorgelegd. De verzoekende partij vervolgt dat de aanvraag van 21 september 2011 enkel op naam van eerste verweerster werd ingediend en uitsluitend medische stukken op naam van eerste verweerster bevatte, zodat de ambtenaar-geneesheer enkel advies betreffende eerste verweerster moest geven.

De ambtenaar-geneesheer en de verzoekende partij moesten in die omstandigheden geen rekening houden met stukken die niet bij de oorspronkelijke aanvraag waren gevoegd en die op naam van een andere persoon werden opgesteld, derde verweerster, namens wie tot op heden geen ontvankelijke aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet is ingediend. Desalniettemin heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest besloten tot een schending van

XIV-36.574-4/10

de zorgvuldigheidsplicht doordat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de standaard medische getuigschriften van 12 december 2012 en 17 april 2014 en de brief van dokter S.

van 4 december 2012, die zonder uitzondering werden opgesteld op naam van derde verweerder. Verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel in strijd met de artikelen 9ter en 39/2 van de vreemdelingenwet heeft besloten tot de nietigverklaring van de aanvankelijk bestreden beslissing, hoewel uit eenvoudig nazicht van de stukken van het dossier blijkt dat de voornoemde medische stukken betrekking hadden op een andere persoon dan deze voor wie de aanvraag van 21 september 2011 werd ingediend.

De verzoekende partij betoogt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen minstens nader moest motiveren in het bestreden arrest waarom de medische stukken op naam van derde verweerder moesten worden beschouwd als dienstige stukken in het kader van de aanvraag die was ingediend in functie van de gezondheidstoestand van eerste verweerster. In het bestreden arrest wordt niet gemotiveerd waarom de inhoud van de medische stukken op naam van derde verweerder volledig zouden ingaan tegen het advies van de ambtenaar-geneesheer betreffende eerste verweerster waarin werd vastgesteld dat “er overigens ook geen pneumoloog geraadpleegd [werd] om dit probleem te investigeren” en dat er geen hospitalisatie zou zijn geweest.

5. In de memorie van antwoord stellen de verweerders dat de ambtenaar-geneesheer en de verzoekende partij geen rekening hebben gehouden met de medische attesten van 4 december 2012, 12 december 2012 en 17 april 2013. Deze stukken werden toegevoegd aan het verzoekschrift [tot nietigverklaring] van 13 november 2013 waarmee de nadien ingetrokken beslissing van 2 oktober 2013 tot verwerping van de aanvraag werd aangevochten.

Bij het nemen van haar beslissing van 3 december 2013, die tot het bestreden arrest heeft geleid, wist de verzoekende partij dus dat de voornoemde stukken bestonden, zonder dat zij evenwel kennis had van de inhoud ervan. De verweerders laten gelden dat de verzoekende partij niet de moeite heeft gedaan om kennis te nemen

XIV-36.574-5/10

van de inhoud van de kwestieuze stukken, hetgeen zij overigens heeft erkend in de nota met opmerkingen en terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De verzoekende partij heeft verklaard enkel een kopie van het verzoekschrift te hebben ontvangen en geen kopie van de meergenoemde stukken, zodat die stukken niet voorkwamen in het administratief dossier en zij er geen rekening mee diende te houden. Evenals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, achten de verweerders het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing heeft de verzoekende partij immers beslist geen rekening te houden met de bewuste stukken omdat ze niet in het administratief dossier voorkwamen en zij dus geen kennis diende te nemen van de inhoud ervan. Volgens de verweerders blijft de motivering van het bestreden arrest, die niet als dusdanig wordt aangevochten, overeind en is het niet relevant dat de kwestieuze stukken betrekking hebben op derde verweerder en niet op eerste verweerster.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat het loutere feit dat vaststaat dat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de medische stukken op naam van derde verweerder, allerminst volstaat om afbreuk te doen aan die beslissing op naam van eerste verweerster. De verweerders beperken zich tot algemene beschouwingen zonder zelfs maar aan te geven op welke wijze de stukken op naam van derde verweerder de beoordeling in hoofde van eerste verweerders zouden hebben kunnen beïnvloeden. Volgens de verzoekende partij menen de verweerders zelfs te kunnen beweren dat de identiteit van de persoon op wiens naam de betrokken medische stukken werden opgesteld, irrelevant zou zijn.

Beoordeling

7. Artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet luidt:

“§ 1. De in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico

XIV-36.574-6/10

inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde.

De aanvraag moet per aangetekende brief worden ingediend bij de minister of zijn gemachtigde en bevat het adres van de effectieve verblijfplaats van de vreemdeling in België.

De vreemdeling maakt samen met de aanvraag alle nuttige en recente inlichtingen over aangaande zijn ziekte en de mogelijkheden en de toegankelijkheid tot een adequate behandeling in zijn land van herkomst of in het land waar hij verblijft.

Hij maakt een standaard medisch getuigschrift over zoals voorzien door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit medisch getuigschrift dat niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag getuigschrift vermeldt de ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling.

De beoordeling van het in het eerste lid vermelde risico, van de mogelijkheden van en van de toegankelijkheid tot behandeling in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, en van de in het medisch getuigschrift vermelde ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde die daaromtrent een advies verschaft. Deze geneesheer kan, indien hij dit nodig acht, de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen.”

Uit deze tekst blijkt duidelijk dat de vreemdeling samen met de aanvraag alle nuttige en recente inlichtingen betreffende zijn medische situatie moet overmaken, evenals het standaard medisch getuigschrift.

Uit het administratief dossier, dat deel uitmaakt van het rechtsplegingsdossier, blijkt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, die tot het bestreden arrest heeft geleid, werd ingediend op 21 september 2011 door de drie huidige verweerders doch enkel in functie van de medische toestand van eerste verweerster. Het bij die aanvraag gevoegd standaard medisch getuigschrift had immers uitsluitend betrekking op huidige eerste verweerster. Bij de op naam van de drie verweerders ingediende aanvraag werd geen enkel stuk gevoegd betreffende de medische situatie van tweede en derde verweerders. De ambtenaar-geneesheer diende bij het geven van zijn advies dus enkel rekening te houden met de medische stukken betreffende eerste verweerster en de verzoekende partij diende wat betreft de gegrondheid van de aanvraag met toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet enkel een

XIV-36.574-7/10

beslissing te nemen in hoofde van eerste verweerster. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de huidige verweerders bij het indienen van hun verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 9 november 2013 wel medische stukken hebben gevoegd betreffende huidige derde verweerder, te weten medische attesten van 4 december 2012, 12 december 2012 en 17 april 2013. Hoe dan ook was voor derde verweerder geen standaard medisch getuigschrift gevoegd bij de aanvraag van 21 september 2011 en dit kan niet worden rechtgezet door dergelijk getuigschrift en andere medische stukken achteraf te voegen bij een verzoekschrift tot nietigverklaring, ook niet nu de verzoekende partij vervolgens de met dat verzoekschrift tot nietigverklaring aangevochten beslissing van 2 oktober 2013

heeft ingetrokken en vervolgens op 3 december 2013 een nieuwe beslissing heeft genomen, zijnde deze die tot het bestreden arrest heeft geleid.

Door in die omstandigheden in het bestreden arrest desalniettemin tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht te besluiten omdat de huidige verzoekende partij “geen rekening heeft gehouden met dienstige stukken waarvan mag worden geacht dat zij hiervan kennis had of kennis had moeten nemen”, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 9ter van de vreemdelingenwet geschonden.

8. Het enige middel is gegrond wat betreft de aangevoerde schending van artikel 9ter van de vreemdelingenwet en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding

9. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verzoekende partij de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

XIV-36.574-8/10

Vermits de verweerders als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 147.648 van 12 juni 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verweerders worden verwezen in de kosten vanhet cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, elk voor een derde, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

XIV-36.574-9/10

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.574-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.771