Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.730 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.730 Généré par l'IA

Court dismisses urgent interim measure request because the professional committee already issued a new decision.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.730
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for urgent interim measures to compel the professional committee to issue an orientation certificate. Although the applicant argued that the committee had unreasonably delayed a new decision after a previous ruling suspended the old one, the committee had already issued a new evaluation decision just one day before the hearing. The court determined that the applicant's claim had lost its subject matter and became pointless since the committee had explicitly addressed the matter and ended the period of inaction.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; A request for urgent interim measures is dismissed when the administrative body has already taken a new decision on the same matter, rendering the request moot.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent interim measures loss of subject matter administrative delay professional committee orientation certificate suspension of execution procedural redundancy besoin d'une formation scolaire spéciale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 236.730 van 12 december 2016

in de zaak A. 220.494/IX-8941

In zake: Elien BEUCKELAERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Vanbrabant kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 363/4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW VRIJ KATHOLIEK ONDERWIJS OPWIJK

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 3 december 2016, strekt ertoe bij uiterst dringende noodzakelijkheid “[a]ls voorlopige maatregel op te leggen dat [de vzw Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk] binnen de 2 dagen na het tussen te komen arrest [...] aan [Elien Beuckelaers] een oriënteringsattest A uitreikt en dit minstens tot een uitspraak ten gronde, en haar die beslissing nog diezelfde dag per e-mail én per aangetekende brief ter kennis brengt en dit alles op straffe van een dwangsom van 2.500 [euro] per dag dat de opgelegde maatregel niet wordt nageleefd[;] [m]eer ondergeschikt, als voorlopige maatregel op te leggen dat [de vzw Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk] binnen de 2 dagen na het tussen te komen arrest [...] een nieuwe beslissing neemt en deze nog diezelfde dag ter kennis brengt van [Elien Beuckelaers] per e-mail en per aangetekend schrijven [...] en dit alles op straffe van een dwangsom van 2.500 [euro] per dag dat de opgelegde maatregel niet wordt nageleefd.”

IX-8941-1/5

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december 2016, om 10.00 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Leen Vanbrabant, die verschijnt voor de verzoekende partij en adjunct-directeur Anne Marie Vermetten, die verschijnt voor de verwe-

rende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-

neerd op 12 januari 1973.

III. Teloorgaan van het voorwerp van de vordering

3. Verzoekster beoogt met haar voorliggende vordering de ver-

plichting te doen opleggen aan de beroepscommissie van de verwerende partij om binnen twee dagen na het uit te spreken arrest een nieuwe evaluatiebeslissing te nemen over het al dan niet met vrucht beëindigen, door verzoekster, van het tweede jaar van de derde graad verzorging (BSO) aan het Vrij Katholiek Onderwijs –

bovenbouw te Opwijk tijdens het schooljaar 2015-2016.

In haar verzoekschrift wijst verzoekster erop dat de Raad van State bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 de schorsing van de tenuitvoer-

legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft bevolen van de beslissing van

IX-8941-2/5

de beroepscommissie van de verwerende partij van 6 oktober 2016 waarbij het door de delibererende klassenraad aan verzoekster toegekende oriënteringsattest C

werd gehandhaafd. Naar aanleiding van dit schorsingsarrest heeft de beroeps-

commissie verzoekster op 7 november 2016 opnieuw gehoord. Op vraag van verzoekster werden haar op 10 november 2016 nog stukken bezorgd die haar moesten toelaten kennis te nemen van “de examens die [zij] niet met goed gevolg zou hebben afgelegd”. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat zij sedertdien niets meer vanwege de beroepscommissie heeft vernomen, niettegenstaande zij met brieven van 21 november 2016 en 1 december 2016 de beroepscommissie erop heeft gewezen dat volgens haar de redelijke termijn om een nieuwe beslissing te nemen reeds ruimschoots is overschreden.

Ter staving van haar vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid voert verzoekster in haar ver-

zoekschrift aan dat het tijdsverloop na het schorsingsarrest van de Raad van State van 25 oktober 2016 leert dat de beroepscommissie niet van plan is om op korte termijn een nieuwe beslissing te nemen, terwijl het schooljaar ondertussen bijna halfweg is en de onzekerheid over haar lot de beroepscommissie klaarblijkelijk niet beroert. Verzoekster laat gelden dat van een school mag worden verwacht dat zij de belangen van haar leerlingen vooropstelt en zij de nodige voortvarendheid aan de dag legt om een leerling of gewezen leerling zo spoedig mogelijk zekerheid te geven over haar of zijn toekomst. Het dreigende verlies van een schooljaar maakt, aldus verzoekster, een nadeel uit dat het opleggen van voorlopige maatre-

gelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt.

4. Uit de stukken neergelegd door de verwerende partij blijkt evenwel dat de beroepscommissie op 7 december 2016, één dag voor de terecht-

zitting over de voorliggende vordering bij de Raad van State, alsnog een nieuwe evaluatiebeslissing over verzoekster heeft genomen: “weliswaar op gewijzigde motieven” wordt de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen opnieuw “bevestigd”.

IX-8941-3/5

5. Gelet op deze nieuwe beslissing van de beroepscommissie heeft de voorliggende vordering, zoals verzoekster ter terechtzitting toegeeft, haar voorwerp verloren of is ze minstens doelloos geworden.

De omstandigheid dat aan verzoekster door de nieuwe beslissing van de beroepscommissie geen A-attest is verleend, zoals door verzoekster in hoofdorde als voorlopige maatregel wordt gevorderd, doet daar niets aan af. De beroepscommissie heeft zich immers op 7 december 2016 expliciet uitgesproken met betrekking tot de evaluatie van verzoekster en dienvolgens haar door ver-

zoekster bekritiseerde stilzitten beëindigd. Minstens impliciet heeft zij aldus haar door de Raad van State geschorste beslissing van 6 oktober 2016 ingetrokken en ze vervangen door een nieuwe. Verzoekster kan, zoals zij zelf ook ter terechtzitting aangeeft, deze nieuw genomen beslissing desgevallend bestrijden met de middelen die het recht haar daarvoor ter beschikking stelt.

6. Uit het voorgaande volgt dat de voorliggende vordering dient te worden verworpen.

IV. Kosten

7. Verzoekster vraagt in haar verzoekschrift de “[k]osten van de procedure, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen [...] ten laste van de verwerende partij” te leggen.

8. Er zij aan herinnerd dat de tenlastelegging van de kosten zal worden bepaald bij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-8941-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 decem-

ber 2016, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-8941-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.730