Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.690 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.690 Généré par l'IA

Court dismisses claim for suspension of enforcement due to applicant's failure to appear and lack of force majeure.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.690
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a temporary suspension order. The applicant failed to appear at the hearing and later claimed technical failures prevented them from accessing the summons, but offered no credible evidence of force majeure. Consequently, the court applied Article 4 of the Rules of Procedure for Summary Proceedings, which mandates dismissal when a party is absent without representation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 4 of the Rules of Procedure for Summary Proceedings; Article 13 of the Code of Judicial Organization; When a party fails to appear or be represented, the claim is dismissed unless force majeure is proven; mere technical difficulties without proof of impossibility to act do not constitute force majeure.

Mots-clés

Généré par l'IA
force majeure summary proceedings failure to appear suspension of enforcement electronic filing procedural default Council of State suspension provisoire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4 of the Royal Decree of 5 December 1991 laying down the rules of procedure for summary proceedings before the Council of State
Overeenkomstig artikel 85bis, § 4, van dezelfde regeling is deze keuze definitief voor de dossierbeheerder.
Article 13 of the Code of Judicial Organization
Naar luid van artikel 85bis, § 13, van de algemeneprocedureregeling deelt de Raad van State de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 236.690 van 7 december 2016

in de zaak A. 219.205/XIV-37.027

In zake: Linsey CLAES

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Bijnens kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 119

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 10 mei 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 maart 2016 van de burgemeester van de stad Antwerpen houdende de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden met inhouding van 25 procent van de wedde.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.062 van 11 oktober 2016 wordt het debat in de zaak heropend.

De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

XIV-37.027-1/6

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Marie-Julie Put, die loco advocaat Luc Bijnens verschijnt voor verzoekster, en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Regelmatigheid van de rechtspleging

3. In het tussenarrest nr. 236.062 van 11 oktober 2016 werd het debat in de zaak heropend nadat het volgende werd vastgesteld:

“3. Verzoekster is ter terechtzitting noch verschenen noch vertegenwoordigd.

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding‟ voor de Raad van State schrijft voor dat de vordering tot toekenning van de schorsing in dat geval wordt afgewezen.

4. Na de sluiting van het debat laat verzoekster met een brief van 13 september 2016 het volgende weten aan de Raad van State:

„[…]

Door de gebrekkige werking van het elektronisch dossier heeft mijn studie geen kennis kunnen nemen van de zittingsdag en was mijn studie aldus, door omstandigheden buiten haar wil, niet aanwezig ter zitting dd. 07.09.2016.

Mijn studie is van mening dat het van uiterst belang is dat [verzoekster] ter zitting wordt vertegenwoordigd door haar raadsman en wij verzoeken U derhalve vriendelijk de heropening der debatten te bevelen.‟

XIV-37.027-2/6

5. Aangezien de aangehaalde reden voor de afwezigheid ter terechtzitting nog niet het voorwerp heeft kunnen uitmaken van een tegensprekelijk debat tussen de partijen, is er, gelet op zijn mogelijke weerslag op het lot van de voorliggende vordering, aanleiding om ambtshalve het debat te heropenen.”

4. Met een brief van 11 oktober 2016, voorafgaand aan de betekening van bovenvermeld tussenarrest, vraagt verzoekster nogmaals om de heropening van het debat te bevelen en laat zij nog het volgende weten aan de Raad van State:

“[…]

Ik dien er U op te wijzen dat het elektronisch dossier mijn studie geen toelating gaf het oproepingsbericht te openen. Steeds verscheen de melding „ondertekening vereist‟.

Na een uitgebreid telefonisch onderhoud met de bevoegde griffie, werd mijn studie medegedeeld dat de bewuste briefwisseling nog door de verzender diende te worden ondertekend alvorens mijn studie deze kon openen. Van het verdere verloop zou mijn studie elektronisch op de hoogte worden gehouden.

Mijn studie heeft geen elektronische oproep of melding ontvangen dat het oproepingsbericht werd ondertekend en aldus kon worden geopend.

Derhalve is mijn studie niet op de hoogte gesteld van de zittingsdag en verzoek ik U nogmaals vriendelijk de heropening der debatten te bevelen.”

5. Verzoekster heeft er bij het indienen van haar vordering tot schorsing voor gekozen om gebruik te maken van de elektronische procesvoering zoals voorzien in artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

„tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemeneprocedureregeling). Overeenkomstig artikel 85bis, § 4, van dezelfde regeling is deze keuze definitief voor de dossierbeheerder.

Uit wat voorafgaat volgt dat, door te kiezen voor de elektronische procedure, verzoekster er dient over te waken dat haar informaticamiddelen haar toelaten kennis te nemen van de processtukken, alsook van de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen die door de Raad van State worden neergelegd in het elektronisch dossier.

XIV-37.027-3/6

6. Naar luid van artikel 85bis, § 13, van de algemeneprocedureregeling deelt de Raad van State de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd.

Uit het overzicht van de datums in het elektronisch dossier blijkt te dezen dat op 5 juli 2016 aan verzoekster een e-mail werd verstuurd ter kennisgeving van de terbeschikkingsstelling van de beschikking van 28 juni 2016

houdende vaststelling van de terechtzitting. Op 11 juli 2016 werd vervolgens een herinneringsbericht verstuurd naar verzoekster. Conform artikel 85bis, § 13, vierde lid, van de algemeneprocedureregeling wordt de beschikking houdende vaststelling aldus geacht aan verzoekster ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van 14 juli 2016. Uit dat overzicht blijkt tevens dat de verwerende partij, die eveneens gebruik maakt van de elektronische procesvoering, tijdig kennis heeft kunnen nemen van elk stuk dat door de griffie van de Raad van State op het elektronisch platform ter beschikking werd gesteld. Concreet blijkt uit het voormelde overzicht dat zij op 5 juli 2016 kennisnam van de oproeping.

Uit de gegevens van het elektronisch dossier blijkt aldus dat inzake de neerlegging van de oproeping de elektronische procedure werd gerespecteerd. Het hiervoor uiteengezette wettelijk vermoeden van kennisgeving ervan is derhalve toepasselijk.

7. Verzoekster betwist dat zij kennis heeft kunnen nemen van de door de griffie elektronisch neergelegde oproeping.

XIV-37.027-4/6

Ter adstructie van haar stelling beperkt zij zich te dezen tot de niet-gestaafde bewering dat zij “[d]oor de gebrekkige werking van het dossier” er geen kennis van kon nemen, alsook dat “het elektronisch dossier mijn studie geen toelating gaf het oproepingsbericht te openen”, waarbij steeds de melding “ondertekening vereist” verscheen. In wezen beroept verzoekster zich ter zake aldus op overmacht.

Op een verzoeker die overmacht inroept om aan te tonen dat in zijn hoofde het voormelde wettelijk vermoeden niet geldt, of die aanvoert dat hij door overmacht het betrokken stuk niet kon raadplegen, rust de last om op geloofwaardige wijze zijn grond tot overmacht in te roepen, en aannemelijk te maken.

Verzoekster brengt geen enkel begin van bewijs bij van haar beweringen, ook niet ter terechtzitting nadat het debat in de zaak net omwille van de door haar beweerde problemen inzake kennisneming van de oproeping werd heropend. Evenmin maakt verzoekster aannemelijk dat de door haar aangevoerde reden voor het niet kunnen raadplegen van de oproeping, beantwoorden aan het begrip overmacht - dat immers een buiten haar wil gelegen feit of gebeurtenis veronderstelt die door verzoekster niet kon worden voorzien, noch vermeden - nu verzoeksters beweringen op zich niet toelaten te oordelen dat de reden waarom zij geen kennis kon nemen van de oproeping, enkel te wijten is aan een vreemde oorzaak.

Uit wat voorafgaat volgt dat in de concrete omstandigheden van de zaak verzoekster het bestaan van overmacht niet aannemelijk maakt. Het wettelijk vermoeden van regelmatige kennisneming van de oproeping blijft derhalve gelden.

8. In het tussenarrest nr. 236.062 van 11 oktober 2016 werd op wettige wijze vastgesteld dat verzoekster ter terechtzitting op 7 september 2016

niet was verschenen noch vertegenwoordigd.

XIV-37.027-5/6

De vordering tot toekenning van de schorsing moet dan ook met toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding‟ voor de Raad van State worden afgewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.027-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.690