Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.570 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.570 Généré par l'IA

Court dismisses appeal on admissibility grounds due to lack of interest after departure deadline passed.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.570
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation declared the appeal admissible but ordered a reopening of the debate regarding the applicants' standing. The applicants challenged only the administrative body's assessment of the 30-day departure deadline under the Aliens Act, arguing it was insufficiently motivated. The court noted that since the applicants had already departed the territory before filing the appeal, their interest in contesting the specific procedural timing of the order had lapsed.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 74/14 of the Aliens Act; The Court of Cassation must assess whether an applicant retains a legitimate interest in an appeal if the contested administrative act's operative effects have already ceased to exist due to the applicant's departure from the territory.

Mots-clés

Généré par l'IA
Aliens Act departure deadline interest in appeal admissibility procedural standing territorial departure administrative order délai de départ

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 74/14 of the Aliens Act of 15 December 1980

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
GwH 30 September 2010, nr. 109/2010
De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 236.570 van 29 november 2016

in de zaak A. 215.378/XIV-36.321

In zake : 1. XXX

2. XXX

3. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie kantoor houdend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 B

alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 maart 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 138.721 van 18 februari 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

XIV-36.321-1/5

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.285 van 13 mei 2015.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2015.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dirk Geens, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Dieter Decock heeft een advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

XIV-36.321-2/5

III. Feiten

3. Op 2 oktober 2014 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding in hoofde van eerste verzoekster en haar minderjarig kind, tweede verzoekster, een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.

De verzoekers, eerste verzoekster zowel in eigen naam als in naam van tweede verzoekster en derde verzoeker enkel in naam van tweede verzoekster, dienen op 18 november 2014 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 2 oktober 2014 met een arrest van 18 februari 2015. Dit is het bestreden arrest.

IV. Ambtshalve exceptie: ontvankelijkheid van het cassatieberoep - belang

4. Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen.

Het staat aan de Raad van State, desnoods ambtshalve, te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).

5. Te dezen blijkt dat de verzoekers zich in het enige middel uitsluitend richten tegen de beoordeling in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd wat betreft de in artikel 74/14 van de

XIV-36.321-3/5

wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) voorziene mogelijkheid om bij het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten af te wijken van de in § 1, eerste lid, van dat artikel voorziene termijn van 30 dagen om vrijwillig het grondgebied te verlaten en daarbij met toepassing van § 3 van hetzelfde artikel geen enkele termijn te geven.

De vraag rijst of de verzoekers zich aldus niet uitsluitend richten tegen de beoordeling van de wettigheid van een uitvoeringsmodaliteit, zonder zich te richten tegen de beoordeling van de wettigheid van het bevel om het grondgebied te verlaten zelf. De vraag stelt zich of de verzoekers daarbij nog het vereiste belang hebben, vermits het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten dateert van 2 oktober 2014 en uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat het aan de verzoekers ter kennis werd gebracht op 23 oktober 2014. Ook de door de verzoekers aangehaalde en in artikel 74/14, § 1, van de vreemdelingenwet voorziene termijn van 30 dagen om het grondgebied te verlaten blijkt dus reeds te zijn verstreken terwijl de verzoekers zich volgens de gegevens van het rechtsplegingsdossier nog steeds op het grondgebied van het Rijk bevinden.

Die vragen zijn noch in de procedurestukken noch op de terechtzitting aan de orde gekomen, zodat het past te dien einde de heropening van het debat te bevelen.

BESLISSING

1. Het debat wordt heropend.

2. De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 25 januari 2017 om 10.30 uur.

XIV-36.321-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig november tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.321-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.570