Court dismisses suspension request due to failure to prove urgency and lack of concrete grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of a mining permit decision. The applicants argued for immediate invalidation but failed to provide specific evidence demonstrating that waiting for the final ruling would cause irreparable harm. The court ruled that the mere desire for a declaration of illegality does not satisfy the strict requirement for urgency under administrative law.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; Urgency in suspension requests requires concrete proof of imminent serious harm, not just general dissatisfaction with the current situation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 236.514 van 24 november 2016
in de zaak A. 220.203/VII-39.783.
In zake : 1. Lucien CUVELIER
2. Noël VLIEGHE
3. Johny DE BEUF
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan Defoort en tevens door advocaten Isabelle Larmuseau en Alison Houthuys kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV AGRISTO
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 7 september 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 25 juli 2016 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van
VII-39.783-1/7
28 januari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Agristo/NV Aspiravi voor het veranderen van een aardappelverwerkend bedrijf met biogasvalorisatie, gelegen aan de Waterstraat 40 te Harelbeke, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Alison Houthuys, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.783-2/7
III. Tussenkomst
3. Met een op 22 september 2016 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de NV Agristo om in het geding te mogen tussenkomen.
Er is grond om dat verzoek in te willigen.
IV. Feiten
4.1. De tussenkomende partij is een aardappelverwerkend bedrijf. Zij baat dit bedrijf uit aan de Waterstraat 40 te Harelbeke. De basismilieuvergunning hiertoe dateert uit 2004. Het bedrijf is inmiddels gegroeid en heeft diverse wijzigingen ondergaan. De tussenkomende partij dient op 2 september 2015 een milieuvergunningsaanvraag in die er, zoals zij zelf aangeeft, in wezen toe strekt de juridische toestand te actualiseren en te regulariseren.
4.2. Op 28 januari 2016 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een vergunning voor een termijn verstrijkend op 19 december 2022 - einddatum van de voormelde basisvergunning. Middels deze vergunning worden aan de tussenkomende partij ook een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden opgelegd.
4.3. Tegen deze vergunningsbeslissing worden een aantal administratieve beroepen ingesteld, onder meer door de huidige verzoekers.
4.4. Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verklaart de bevoegde Vlaamse minister op 25 juli 2016 deze beroepen gedeeltelijk gegrond, in die zin dat de beroepen beslissing wordt bevestigd doch dat de bijzondere exploitatievoorwaarden worden gewijzigd.
Dit is het bestreden besluit.
VII-39.783-3/7
V. Grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing
5. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring én dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
VI. Spoedeisendheid
Standpunt van de partijen
6. De verzoekers zetten uiteen dat zij reeds 31 respectievelijk 27
jaar onaanvaardbare en illegale hinder ondergaan van de exploitatie van de tussenkomende partij, zodat zij vrezen dat cynisch genoeg de vraag zou kunnen rijzen of er thans dan wel sprake is van hoogdringendheid. Op een al even cynische wijze hopen zij overigens dat de tussenkomende partij, in het licht van haar nakende verhuis en het aankomende einde van de basisvergunning, “hier en daar wat defecte onderdelen van haar installatie (...) (zal willen) herstellen en hier en daar al eens een „beste beschikbare techniek‟ (zal willen) toe(...)passen”.
Eén en ander noopt de verzoekers ertoe de Raad van State te verzoeken “middels een schorsingsarrest (...) hoogdringend duidelijk te (willen)
maken dat géén regularisatie kon worden verleend en dat op basis van het voorliggend onvolkomen project-MER ook géén wettige milieuvergunningsvoorwaarden konden worden geconcipieerd”.
7. De verwerende partij repliceert dat de verzoekers aldus nalaten uiteen te zetten waarom de zaak voor hen dermate hoogdringend is dat een gewone afhandeling van de vernietigingsprocedure niet volstaat. Zij merkt daarbij op dat enerzijds een groot deel van de exploitatie van het in het geding zijnde bedrijf
VII-39.783-4/7
vergund is, terwijl anderzijds middels het bestreden besluit de zonder vergunning tot stand gekomen exploitatie aan milderende maatregelen wordt onderworpen. In wezen houdt het bestreden besluit mitsdien een verbetering in, vergeleken met de actuele situatie. De verwerende partij besluit dan ook dat de verzoekers de beweerde hoogdringendheid niet aannemelijk maken.
8. De tussenkomende partij stelt dat de verzoekers zelf erkennen dat er geen sprake is van hoogdringendheid. Zij tonen niet aan om welke reden er niet zou kunnen worden gewacht op de afwikkeling van het beroep tot nietigverklaring en formuleren geen enkele concrete grief die is gerelateerd aan de beweerde nadelen. De tussenkomende partij merkt ook op dat de verzoekers geen concrete bezwaren hebben geformuleerd lopende het openbaar onderzoek, noch tijdens de administratieve beroepsprocedure. Louter werd verwezen “naar eerdere rechterlijke uitspraken (...) gerelateerd (...) aan het ogenblik waarop er nog geen planologische oplossing was door middel van een planologisch attest en een GRUP”, doch deze hebben “in het geheel geen uitstaans met de bestreden beslissing”. De tussenkomende partij benadrukt voorts dat het verzoekschrift “bol staat van foutieve beweringen en er enkel op gericht is om een negatieve sfeerschepping te creëren die niets te maken heeft met het wettigheidsonderzoek door (...) (de) Raad (van State)”. Zij voegt er nog aan toe dat de loutere bewering als zou er sprake zijn van illegale exploitatie op zichzelf niet het bewijs vormt van spoedeisendheid, nu de Raad van State herhaaldelijk heeft gewezen op de autonome aard van de cumulatief te vervullen schorsingsvoorwaarden.
Beoordeling
9. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
VII-39.783-5/7
De verzoekers moeten daarbij concreet aantonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kunnen afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijk schadelijke gevolgen. Zij moeten eigen, specifieke gegevens aanbrengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
10. Zo uit het relaas van de verzoekers blijkt dat zij zich danig ergeren aan de reeds in het verleden ondergane ongemakken van de thans bestreden exploitatie, neemt zulks niet weg dat ook zij, als hierboven gesteld, concreet moeten aantonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kunnen afwachten. In het verzoekschrift ontbreekt een dergelijke concrete uiteenzetting. Louter wensen zij dat bij hoogdringendheid de onwettigheid van het bestreden besluit zou komen vast te staan. Daarmee onderscheiden zij zich evenwel niet van eenieder die bij de Raad van State om de nietigverklaring van een bestuurshandeling vraagt.
De spoedeisendheid wordt niet aangetoond.
11. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.
BESLISSING
1. Het verzoek van de NV Agristo tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
VII-39.783-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Peter Sourbron
VII-39.783-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.514