Belgian court dismisses urgent suspension request due to applicant's failure to act with required diligence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of a school board decision regarding her orientation certificate. Although the applicant argued that delaying the ruling would cause her to lose a school year, the court found she failed to act with the necessary diligence by submitting her request over a month after receiving the decision. Consequently, the court ruled that the manifest lack of promptness negated the existence of the extreme urgency required for such relief.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; A request for suspension based on extreme urgency is inadmissible if the applicant fails to act with the requisite diligence, thereby negating the existence of such urgency.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 236.340 van 31 oktober 2016
in de zaak A. 220.574/IX-8947
In zake: Jana SCHOENMAEKERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Geukens kantoor houdend te 3700 Tongeren Moerenstraat 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS
SINT-JOZEF BILZEN-HOESELT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 25 oktober 2016, strekt tot de schor-
sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be-
slissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Jozef Bilzen-Hoeselt van 14 september 2016, waarbij het aan Jana Schoen-
maekers toegekende oriënteringsattest C wordt bevestigd.
De verzoekende partij vraagt ook dat de Raad van State aan de verwerende partij zou bevelen “een nieuwe beslissing te nemen binnen een termijn van 10 dagen na de datum van uitspraak van [de] Raad”.
IX-8947-1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016, om 11.00 uur.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Kristof Driesen, die loco advocaat Rik Geukens ver-
schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2015-2016 leerling in het tweede jaar, derde graad economie - moderne talen (ASO). Zij start dit schooljaar in een andere onderwijsinstelling en stapt in de loop van het schooljaar over naar de school van de verwerende partij.
Op het einde van het schooljaar wordt haar door de delibererende klassenraad een oriënteringsattest C toegekend.
IX-8947-2/8
De door verzoekster daarop doorlopen beroepsprocedure resul-
teert – na een tweede bijeenkomst van de klassenraad die op 29 augustus 2016 het C-attest bevestigt en beroep bij het schoolbestuur – in de thans bestreden beslissing van de beroepscommissie. Op 14 september 2016 beslist deze commissie, ver-
zoekster gehoord, dat het C-attest gehandhaafd wordt.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Verzoekster bestrijdt de beslissing van de beroepscommissie in een zogenaamd ‘enig verzoekschrift’ zowel met een vordering tot schorsing als met een annulatieberoep. Het instellen van een beroep tot nietigverklaring is een daad van beschikking. Dat heeft gevolgen in verband met het optreden van een minderjarige, zoals verzoekster, voor de Raad van State.
Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om zelf in persoon een beroep bij de Raad van State in te leiden en de procedure te voeren. De minderjarige moet alsdan vertegenwoordigd worden door hen die het gezag over zijn persoon uitoefenen.
In dat verband volgt uit de bepalingen van de artikelen 373 en 376 van het Burgerlijk Wetboek, zo lijkt, dat ouders die als wettelijke vertegen-
woordigers van hun minderjarig kind een annulatieberoep bij de Raad van State instellen, gezamenlijk moeten optreden.
5. Het inleidend verzoekschrift is ingediend door Daisy Hansen, “handelend als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter”.
De raadsman van verzoekster verklaart op de terechtzitting dat verzoekster binnenkort meerderjarig is maar dat momenteel het ouderlijk gezag over verzoekster nog gezamenlijk, door de vader én door de moeder, wordt uit-
geoefend.
IX-8947-3/8
6. Dat betekent, zo lijkt, dat het annulatieberoep niet op ontvanke-
lijke wijze door de moeder van verzoekster alleen kan worden ingesteld als wet-
telijke vertegenwoordiger van verzoekster.
7. De vraag rijst dan ook, of er in die omstandigheden reden is om de gelijktijdig met het annulatieberoep ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het verzoek tot het bevelen van voorlopige maat-
regelen onontvankelijk te verklaren.
Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze ambtshalve exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
9. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsproce-
dure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mo-
gelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uit-
oefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt.
IX-8947-4/8
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder-
lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op dui-
delijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-
lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feite-
lijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennis-
name van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
10. Van verzoekster – die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten – wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
IX-8947-5/8
11. Zodra verzoekster kennis kreeg van de beslissing van de be-
roepscommissie tot handhaving van het oriënteringsattest C wist zij onmiddellijk dat zij niet langer de door haar geambieerde studieloopbaan kon voortzetten.
12. Omtrent de uiterst dringende noodzakelijkheid is in het ver-
zoekschrift enkel het volgende te lezen:
“Het is noodzakelijk voor verzoekster dat dit verzoekschrift met de meeste spoedeisendheid behandeld wordt;
Verzoekster is namelijk verplicht om op basis van de beslissing van de delibererende klassenraad enerzijds en de commissie anderzijds haar 6e middelbaar opnieuw over te doen;
Indien echter de Raad van State deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, zou verzoekster haar diploma middelbaar onderwijs kunnen bereiken en alsnog haar hogere studies opstarten.
Om een verdere achterstand te vermijden is het dan ook noodzakelijk dat zij zo snel mogelijk bij haar leeftijdsgenoten kan aansluiten en kan bijhalen wat tot nu toe gezien is, aangezien nu de kans bestaat op verlies van een schooljaar;
Indien de Raad van State immers bij gewone rechtspleging zou oordelen dat de vordering gegrond is, zal het schooljaar zo ver gevorderd zijn, dat er alsnog geen enkel voordeel is voor verzoekster aangezien dit dan niet meer op te halen zou zijn.”
Er dient aldus te worden vastgesteld dat verzoekster in het in-
leidend verzoekschrift geen feiten of omstandigheden vermeldt die volgens haar kunnen verantwoorden dat in haar geval de diligentie niet zou moeten worden afgemeten vanaf de kennisname van de bestreden beslissing.
De Raad van State dient dan ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vordering.
13. De bestreden beslissing dateert van 14 september 2016 en is nog dezelfde dag met een aangetekende zending aan verzoekster verzonden. Ver-
zoekster verklaart in het inleidend verzoekschrift nergens wanneer zij er kennis van had. Uit de gegevens van e-Tracker (bpost) blijkt evenwel dat de aangetekende
IX-8947-6/8
zending waarmee deze beslissing aan haar is aangezegd, geleverd is op 15 sep-
tember 2016.
14. De beslissing is niet zomaar een beslissing die plots of onver-
wachts over haar is genomen. Ze is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoekster heeft ingesteld tegen een eerdere klassenraadbeslissing en waarvan verzoekster in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten.
De voorliggende vordering is niettemin pas op 25 oktober 2016
– dus veertig dagen of meer dan vijf, bijna zes weken later – aan de Raad van State bezorgd.
Dit is voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat.
15. Een en ander leidt ertoe dat moet worden besloten dat verzoek-
ster niet met de vereiste spoed is opgetreden. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door haar aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifeste gebrek aan diligentie, dat de negatie zelf is van het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering.
16. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voor-
waarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
17. Om dezelfde reden wordt ook het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen, dat immers niet afzonderlijk is uitgewerkt, afgewezen.
IX-8947-7/8
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 oktober 2016, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-8947-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.340