Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.034 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.034 Généré par l'IA

Court dismisses police inspector's suspension appeal due to failure to prove subjective bias of disciplinary board members.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.034
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Gunther Van Ghelewe's request to suspend the execution of his dismissal from the police force. The inspector alleged subjective bias by a police board member who had previously sanctioned him for disrespectful behavior, but provided no concrete evidence of actual prejudice in this specific case. The court ruled that mere subjective impressions or past conflicts do not constitute proof of bias required to halt administrative proceedings.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the Council of State Act; The principle of impartiality requires concrete evidence of bias to suspend proceedings, as subjective impressions or past disciplinary conflicts alone are insufficient to prove actual prejudice.

Mots-clés

Généré par l'IA
subjective bias impartiality principle police disciplinary board suspension of execution concrete evidence requirement faute policière motif de police violence ou menace contre les autorités

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Council of State Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 236.034 van 10 oktober 2016

in de zaak A. 218.436/XIV-36.923

In zake: Gunther VAN GHELEWE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de POLITIEZONE 5450 BREDENE - DE HAAN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Peeters kantoor houdend te 8310 Assebroek-Brugge Baron Ruzettelaan 27

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 17 februari 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit van het politiecollege van de lokale politie zone Bredene / De Haan dd. 21 december 2015 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.923-1/23

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie Bredene -

De Haan (PZ 5450).

3.2. Op 3 juni 2015 wordt aan verzoeker het inleidend verslag van 2 juni 2015 ter kennis gebracht. De hogere tuchtoverheid deelt er haar voornemen in mee tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.

3.3. Na verzoeker te hebben gehoord, formuleert de hogere tuchtoverheid op 15 juli 2015 het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

3.4. Verzoeker dient een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad, die in zijn definitief advies van 2 december 2015 adviseert dat de feiten bewezen zijn, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken en dat de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege de gepaste straf is.

XIV-36.923-2/23

3.5. De hogere tuchtoverheid beslist op 21 december 2015 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen en dit met ingang van de dag van de kennisgeving.

Dit is de bestreden beslissing.

Zij stelt het volgende:

“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op basis van de stukken van het dossier en in het bijzonder het navolgend pv opgesteld door PZ Oostende met nummer 020073/2014 kunnen de feiten geschetst worden als volgt :

• INP Gunther Van Ghelewe (verder ook betrokkene genoemd) was binnen de politiezone Bredene/De Haan werkzaam binnen de wijkzorg. Op 29 juli 2013 werd een ordemaatregel getroffen tegen INP Gunther van Ghelewe en mag hij sedert voormelde datum enkel binnendienst doen Betrokkene was in ziekteverlof van eind augustus 2014 tot en met 22 maart 2015, dit na de feiten op 22.08.2014 (zie verder in chronologie).

• Op 04.12.2014 krijgt HINP [K. V.], wachtofficier PZ Bredene/De Haan, inlichtingen dat zich moeilijkheden hebben voorgedaan tussen Gunther Van Ghelewe en mevrouw [M. D.]. Zij zouden in een hevige discussie verwikkeld zijn op straat en mevrouw [D.] zou gekwetst zijn aan de arm en de halsstreek. Deze feiten zouden zich hebben voorgedaan te Oostende in de Langestraat. Omstreeks 21.00u. worden de collega's van PZ Oostende in kennis gesteld van deze feiten en wordt gevraagd bij Gunther Van Ghelewe nazicht te doen of alles in orde is.

• In het navolgend PV opgemaakt door PZ Oostende is te lezen dat HINP [V. S.], INP [D.] en INP [B.], allen werkzaam binnen PZ Oostende, zich begeven naar de woning van betrokkene in de H. Serruyslaan 68 te 8400 Oostende. Op hun aanbellen wordt de parlofoon opgenomen. Er komt aanvankelijk geen antwoord. Wanneer betrokkenen zich kenbaar maken als leden van de PZ Oostende en vragen aan betrokkene om even te kunnen praten, komt er nog steeds geen reactie. Na aandringen komt als enige reactie „neen, het is allemaal niet nodig, het heeft geen zin‟.

Enkele ogenblikken later komt een man uit het appartementsgebouw gelopen.

Deze man is duidelijk opgewonden en opgefokt. Hij wordt aangesproken door INP [D.] met de vraag of hij Gunther Van Ghelewe is. Er komt eerst geen reactie maar even later komt de man op zijn stappen terug, identificeert zich inderdaad als Gunther Van Ghelewe en reageert verbaal zeer agressief.

Vervolgens doen zich volgende feiten voor :

„hij maakt ons duidelijk dat hij wel degelijk Van Ghelewe Günther is en dat we hem moeten gerust laten. Hij heeft geen zaken met ons en reageert verbaal zeer agressief. We proberen hem te kalmeren en duidelijk te maken dat we enkel met hem willen praten. Hij lijkt ons niet te geloven en zet het op een lopen in de richting van het appartementsgebouw. Wij proberen hem te stoppen en dringen nogmaals aan om te praten. Van Ghelewe Günther reageert opnieuw zeer opgefokt en agressief. Zijn verbale agressie gaat over in fysieke agressie en hij probeert ons

XIV-36.923-3/23

verschillende keren weg te duwen om zo het gebouw te kunnen betreden. We proberen dit te verhinderen gezien we nog steeds niet de juiste toedracht van de feiten kennen. Van Ghelewe Günther verzet zich nu zodanig dat we genoodzaakt zijn om hem te immobiliseren. INP [L. B.] neemt hem vast rond de nek-schouder maar door het verzet van Van Ghelewe Günther komen ze samen met INP [D. C.]

ten val en liggen ze alledrie op de grond. Opsteller kan vervolgens overgaan tot het boeien van Van Ghelewe Günther. Hij blijft zich hierbij steeds verzetten.

Van Ghelewe Günther zit uiteindelijk geboeid aan beide armen op de grond. Nog wil hij voortdurend opstaan en weggaan. Hij roept dat we hem moeten loslaten. We proberen op hem in te praten en stellen dat we collega's zijn, dat hij niet zo moet reageren en vragen hem opnieuw kalm te zijn. Uiteindelijk zegt hij kalm te zullen zijn en vraagt hij om de boeien los te maken. We gaan hier op in en Van Ghelewe Günther is uiteindelijk niet langer dan een tweetal minuten geboeid gebleven. Van Ghelewe Günther heeft op dat moment iets gedronken (een alcoholgeur wordt waargenomen) maar is zeker niet dronken.‟ Van dit weerspannig gedrag wordt geen afzonderlijk pv opgesteld.

Later wordt betrokkene nog schriftelijk uitgenodigd voor verhoor. Hij neemt telefonisch contact op met PZ Oostende en wenst geen verklaring af te leggen en gebruik te maken van zijn zwijgrecht.

De feiten vonden plaats in de privésfeer.

Bovenstaande feiten zijn de feiten die ten laste worden gelegd […].

2.2 Chronologie van antecedenten Eerder gaven feiten gepleegd door Gunther Van Ghelewe aanleiding tot diverse tucht- en strafrechtelijke initiatieven. Deze kunnen chronologisch samengevat worden als volgt :

• Het politiecollege besliste in zitting van 20 augustus 2014 tot het opleggen van […] een blaam voor het ongeoorloofd gedrag t.o.v. de burgemeester van Bredene (feiten dd. 26 juni 2014).

• Het politiecollege besliste in zitting van 18 december 2014 tot het opleggen van de zware tuchtstraf terugzetting in weddeschaal voor het misbruik van de dienstgsm en diensturen (feiten die plaatsvonden gedurende de tijdspanne april 2010-juli 2013);

• De correctionele rechtbank besliste op 6 januari 2015 voor het toebrengen van opzettelijke slagen aan een hiërarchische overste tot een opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van 3 jaar;

• Het politiecollege besliste in zitting van 26 maart 2015 tot het opleggen van een zware tuchtstraf van schorsing van 3 maanden voor het beschadigen van een bureel en computermateriaal alsook voor het fysiek agressief geweld t.o.v. een hiërarchische overste en een collega (feiten 7 januari 2014);

• Het politiecollege besliste in zitting van 11 mei 2015 tot het opleggen van een zware tuchtstraf van schorsing van 2 weken voor het ongeoorloofd gedrag t.o.v. een burger en een hiërarchische overste en het uiten van een voorgenomen ongepaste houding t.o.v. een overheid (feiten dd. 22 augustus 2014).

Het onaangepast en grensoverschrijdend gedrag dat betrokkene vertoont, is een gegeven dat zich reeds gedurende enkele jaren manifesteert. Dit blijkt onder meer ook uit de beslissing van de korpschef op 19 maart 2010 tot het opleggen van een blaam wegens het ongeoorloofd gedrag t.o.v. een ambtenaar van de gemeente Bredene tijdens een wijkoverleg (feiten dd. 17 september 2009). Deze feiten kunnen niet meegenomen worden bij de strafbepaling (zie verder) doch geven een zicht op de periode van wangedrag.

XIV-36.923-4/23

2.3 Uiteenzetting van de gevolgen De niet doorgehaalde tuchtstraffen en de feiten zoals weergegeven in punt 2.1

tonen een onaangepast en grensoverschrijdend gedrag aan.

Uit het relaas van de feiten komt vast te staan dat Gunther Van Ghelewe zijn eigen emoties niet de baas is, zich niet kan beheersen en er niet voor terugdeinst om zowel het welzijn als de integriteit van derden - in casu collega's van de politiezone Oostende - in gevaar te brengen door geweld te gebruiken.

De feiten vermeld onder 2.1. ten aanzien van de geüniformeerde collega's van PZ Oostende die zich hebben voorgedaan op een publieke plaats, zijn flagrant in strijd met de waardigheid van het ambt en volledig onaanvaardbaar in hoofde van een politieambtenaar, zelfs zo deze feiten zich in de privésfeer hebben voorgedaan en zijn als dusdanig tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet.

3. Datum van kennisneming van de feiten De feiten bedoeld in punt 2.1 werden de korpschef door de procureur des Konings ter kennis gebracht via schrijven dd. 31 maart 2015, ontvangen op datum van 10 april 2015.

De datum van 10 april 2015 is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag vermeld in ref 1.10.

4. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten […]

Overwegende dat de verweermiddelen zoals weergegeven in het verweerschrift van de tuchtverdediging en zoals geformuleerd op de hoorzitting voor de hogere tuchtoverheid niet worden aangenomen omwille van de redenen zoals reeds vermeld in het voorstel van zware tuchtstraf na verhoor en verweer dd.15 juli 2015

hetwelk hier als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en wordt bijgevallen;

Overwegende dat ook de motivering hier als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en wordt bijgevallen;

Overwegende dat de verweermiddelen en aanvullingen hierop zoals weergegeven in het verweerschrift voor de tuchtraad en de mail van meester [C.]

dd. 8 oktober 2015 en zoals geformuleerd op de hoorzittingen voor de tuchtraad, niet worden aangenomen omwille van de redenen zoals reeds vermeld in het schrijven van de hogere tuchtoverheid dd. 8 oktober 2015 aan de tuchtraad en het schrijven van de hogere tuchtoverheid dd. 19 oktober 2015 aan de tuchtraad hier als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en wordt bijgevallen;

Overwegende dat ook de motivering hier als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en wordt bijgevallen;

Meent het politiecollege dat de ten laste gelegde feiten vaststaan en kunnen worden toegerekend;

Meent het politiecollege dat de feiten zoals opgenomen in het inleidend verslag een tuchtvergrijp uitmaken, met name een schending van de waardigheid van het ambt, onder meer voortvloeiend uit :

• Art. 132 WGP- (het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen.)

• punt 3 van de deontologische code (van de personeelsleden wordt zin voor verantwoordelijkheid verwacht)

• punt 14 van de deontologische code (personeelsleden onthouden zich van iedere daad van geweld. Daarnaast onthouden zij zich tevens van elk verbaal of

XIV-36.923-5/23

niet-verbaal gedrag die de waardigheid in het gedrang kan brengen. Dit is tevens van toepassing op gedragingen en feiten in de privésfeer.)

• punt 28 van de deontologische code (personeelsleden vermijden elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is)

• punt 41 van de deontologische code (Personeelsleden moeten elkeen, inzonderheid de collega's en oversten benaderen op een beleefde, tactvolle wijze.

Het niet naleven van deze elementaire gedragsregel alsook het niet bewaren van zijn zelfbeheersing en het vertonen agressief gedrag brengt de waardigheid van het ambt in het gedrang).

Samenvattend situeren de inbreuken zich op het domein van de integriteit en het wederzijds respect.

5. Advies van de tuchtraad Wat de termijnen en procedure betreft stelt de tuchtraad in haar advies op datum van 3 december 2015 dat de termijnen en procedure werden nageleefd.

De tuchtraad verwerpt in haar advies de verweermiddelen van de tuchtverdediging.

De tuchtraad adviseert dat de feiten bewezen zijn en toerekenbaar aan verzoeker (Gunther Van Ghelewe)

De tuchtraad adviseert dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art.3

van de Tuchtwet.

Wat straf betreft, heeft de tuchtraad geadviseerd dat de zware straf van het ontslag van ambtswege, in het belang van de dienst de enige gepaste straf is.

Het politiecollege in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid schaart zich ten volle achter het advies van de tuchtraad.

6. Bevissing […]

Overwegende dat het politiecollege meent dat de weerhouden feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 4 een tuchtvergrijp uitmaken;

Overwegende dat het politiecollege in hoedanigheid van hogere tuchtoverheid van oordeel is dat zowel in hoofde van de bestuurlijke overheid het vertrouwen onherroepelijk geschonden is;

Overwegende dat het politiecollege in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, het advies van de tuchtraad dd. 3 december 2015 en al zijn onderliggende motieven integraal bijtreedt en onderschrijft;

Overwegende dat het politiecollege meent dat in het belang van de dienst, het ontslag van ambtswege de enige gepaste straf is;

In zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid legt het politiecollege u, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op.

Overeenkomstig artikel 39 van het KB Tucht (ref 2) heeft het ontslag van ambtswege uitwerking op de dag van de kennisgeving ervan.

[…]”

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling

XIV-36.923-6/23

ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet) omdat hij meent dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar gedrag. Eerstens merkt hij op dat luidens de bewoordingen van het inleidend verslag en de notulen van het politiecollege van 3 juni 2015 het politiecollege hem wil straffen voor zogenaamd weerspannig gedrag met fysiek geweld ten aanzien van personeelsleden van de politiezone Oostende en dat dit “in de verdere procedure ook zo [is] gebleven.”

Vervolgens overloopt verzoeker het feitelijk relaas uit het proces-verbaal van de lokale politie Oostende, waarop hij concludeert dat er te dezen sprake is van een feitelijke vrijheidsbeneming en van een onrechtmatig optreden in hoofde van zijn collega‟s van de lokale politie Oostende “zodat het zijn volste recht was om zich te verzetten tegen deze illegale manier van handelen”. Hij verduidelijkt dat het gebruik van dwang immers slechts is toegelaten in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. Te dezen kan volgens verzoeker de vrijheidsbeneming enkel terugvallen op de voorschriften inzake de bestuurlijke aanhouding en op artikel 31 van de wet van 5 augustus 1992 „op het politieambt‟ (hierna: de wet op het politieambt) dat de gevallen groepeert waarin de politie op eigen gezag kan overgaan tot een bestuurlijke aanhouding. Verzet tegen een wederrechtelijke aanhouding is geen weerspannigheid en indien de conclusie is dat verzoeker aldus heeft gehandeld, dan kan dit onmogelijk tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Vervolgens onderzoekt verzoeker of een van de in artikel 31 van de wet op het

XIV-36.923-7/23

politieambt bepaalde gevallen toepasselijk is, en komt hij tot het besluit dat dit niet het geval is. Zodoende is er volgens verzoeker sprake van een onrechtmatige vrijheidsbeneming en niet van weerspannigheid en vormen zijn gedragingen jegens de collega‟s van de lokale politie Oostende geen tuchtrechtelijk laakbaar gedrag. Verzoeker merkt daarbij op dat het proces-verbaal wel vermeldt dat de aanhouding is ingeschreven in het register, maar niet dat de officier van bestuurlijke politie in kennis is gesteld. Bovendien is de bestuurlijke aanhouding luidens artikel 31 van de wet op het politieambt enkel toegelaten in geval van volstrekte noodzaak waarbij de openbare orde centraal staat en niet het voeren van een onderzoek, wat volgens verzoeker te dezen het geval is. De aanhouding kadert volgens verzoeker evenmin in een identiteitscontrole zoals voorzien in artikel 34

van de wet op het politieambt, minstens maakt het proces-verbaal dit niet aannemelijk, noch werd het gebruik van geweld voorafgegaan door een waarschuwing zoals voorgeschreven door artikel 37 van de wet op het politieambt, hetgeen hij detailleert. Verzoeker besluit dat hij zich niet op een manier heeft gedragen die hem tuchtrechtelijk kan worden verweten en dat er geen sprake is van een tekortkoming aan de beroepsplichten of van een handeling die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. Zodoende is de basisbestaansreden voor tuchtrechtelijk optreden afwezig en is artikel 3 van de tuchtwet geschonden. De tegenwerpingen lopende de behandeling van de zaak voor de Tuchtraad doen volgens verzoeker geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen en hij verwijst daartoe naar het advies van de Tuchtraad. Hij bekritiseert vooreerst dat inzake het gegeven dat de klemtoon van de bestraffing “in eerste instantie en vooral” ligt op de verbale en fysieke agressie die aan de beweerde bestuurlijke aanhouding voorafgaat. Volgens verzoeker past het om in het proces-verbaal deel uitmakende van het tuchtdossier, na te gaan welke handelingen het dan wel zouden zijn, waarna hij die overloopt aan de hand van het feitelijk relaas uit het proces-verbaal van de lokale politie Oostende. Hij betoogt dat de illustratieve kenmerken van het opgewonden en opgefokt zijn en van het verbaal agressief reageren, niet worden verduidelijkt. Verzoeker wijst erop dat hij wel zenuwachtig zal zijn geweest op dat moment gelet op zijn medische toestand. Het gegeven dat hij opgewonden is, is volgens verzoeker niet van aard om een tuchtfeit uit te maken. Voorts mocht hij

XIV-36.923-8/23

met recht en rede zich verzetten tegen een onrechtmatige vrijheidsberoving.

Daarbij benadrukt verzoeker dat niet mag worden vergeten dat hij voor de Tuchtraad een medisch attest heeft voorgelegd waarin wordt gesteld dat hij arbeidsongeschikt is verklaard om redenen van stress en stemmingsverschijnselen.

Het had volgens hem pas gegeven indien de verwerende partij ook nu zich tot de arbeidsgeneesheer had gewend. Verzoeker betwist tot slot nog de these van de inspecteur-generaal van de Tuchtraad dat de verbalisanten zouden hebben gehandeld in een situatie van heterdaad nu zij pas na telefonisch contact met de politiezone Bredene - De Haan op de hoogte werden gesteld van de achterliggende reden van hun interventie, hetgeen hij omstandig detailleert.

Beoordeling

6. Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt:

“Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.”

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen

XIV-36.923-9/23

zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

7. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.5.). Hieruit blijkt dat “de feiten zoals weergegeven […] geen alleenstaand feit [vormen] maar […] een zoveelste schakel [zijn] van een keten van onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” en dat “uit het relaas van de feiten komt vast te staan dat [verzoeker] zijn eigen emoties niet de baas is, zich niet kan beheersen en er niet voor terugdeinst om zowel het welzijn als de integriteit van derden - in casu politieambtenaren van de politiezone Oostende - in gevaar te brengen door geweld te gebruiken.” Hieruit blijkt dat zowel het fysiek als verbaal agressief gedrag van verzoeker tegenover geüniformeerde politieambtenaren van de politiezone Oostende bij het uitoefenen van hun politionele taken op een publieke plaats, als flagrant in strijd met de waardigheid van het ambt en volledig onaanvaardbaar in hoofde van een politieambtenaar wordt beschouwd. De verwerende partij steunt zich hiertoe op het na volgend proces-verbaal van 11 december 2014 van de lokale politie. In deze stand van het geding blijkt hieruit op genoegzame wijze dat verzoeker fysiek en verbaal agressief gedrag vertoonde tegenover geüniformeerde politieambtenaren bij het uitoefenen van hun politionele taken op een publieke plaats. Dat in het betrokken proces-verbaal en bij uitbreiding in het administratief dossier, niet nader is toegelicht welke die handelingen van fysiek en verbaal agressief geweld waren, is op het eerste gezicht niet relevant voor de vaststelling dat verzoekers gedrag dit karakter had.

Verzoeker meent ook dat hij het recht had om zich te verzetten tegen wat hij een wederrechtelijke vrijheidsberoving noemt. In deze stand van het geding stelt de Raad van State allereerst vast dat uit het feitenrelaas, dat steun vindt in het administratief dossier, afdoende blijkt dat verzoeker reeds van in het begin -

d.i. op het ogenblik dat hij het appartement verlaat - agressief gedrag vertoont.

XIV-36.923-10/23

Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat het laakbaar geachte verbaal en fysiek geweld tegenover politieambtenaren in een publieke ruimte, moet worden verengd tot het verzet bij wat hij een wederrechtelijke vrijheidsberoving noemt. Wat voorts dit verbaal en agressief gedrag betreft bij dit verzet - en zonder overigens dat de Raad van State in deze stand van het geding moet onderzoeken of verzoekers afweerdaad te dezen ogenblikkelijk, noodzakelijk en proportioneel was om als gewettigd geweld over te komen - stelt de Raad van State in deze stand van het geding vast dat de verwerende partij uit de stukken van het administratief dossier en in het bijzonder uit het proces-verbaal dat te dier gelegenheid werd opgesteld, kon afleiden dat op het ogenblik dat aan verzoeker werd gevraagd zich kenbaar te maken en om te praten - hetgeen hij weigerde te doen - er nog geen sprake was van enige vrijheidsberoving, noch doordat de interveniërende politieambtenaren hem probeerden te stoppen en nogmaals aandrongen om met hen te praten zonder verzoeker hierbij van zijn vrijheid te beroven. Ook blijft de verwerende partij binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid door uit dat proces-verbaal af te leiden dat de interveniërende politieambtenaren verzoeker pas immobiliseerden en boeiden nadat verzoeker verbaal en fysiek agressief was en verzoeker hen poogde weg te duwen en daarbij eveneens fysiek geweld gebruikte. In deze feitelijke context kan verzoeker aldus niet worden gevolgd dat het door de politieambtenaren gebruikte geweld onwettig was en de grenzen van, te dezen, de bestuurlijke aanhouding, overschreed. Verzoeker geeft ter zake weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van het incident van 4 december 2014 in het algemeen en het politiegeweld en het verzet op dat ogenblik in het bijzonder, maar hij maakt in de huidige stand van het geding niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, op dat punt tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.

Uit wat voorafgaat volgt dat in de huidige stand van het geding moet worden aangenomen dat de verwerende partij de grenzen van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan door te besluiten dat

XIV-36.923-11/23

verzoekers gedrag ten aanzien van zijn interveniërende politieambtenaren van de politiezone Oostende een tuchtvergrijp vormt.

8. In de mate dat verzoeker zich beroept op het voor de Tuchtraad neergelegde medisch attest en de daaruit blijkende medische toestand, wordt verwezen naar de behandeling van het tweede middel.

In de mate dat verzoeker zich beroept op het argument dat er geen sprake kan zijn van een toestand van betrapping op heterdaad - zodat de handelwijze van de interveniërende politieambtenaren uit de politiezone Oostende niet kan worden ingekaderd in artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering -

blijkt uit de bestreden beslissing dat die niet op een dergelijk motief steunt. Het middel is aldus, wat deze kritiek betreft, om die reden alleen reeds niet ernstig.

9. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

10. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, de materiëlemotiverings-

plicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Vooreerst leidt hij een schending van de materiëlemotiverings-

plicht af uit de omstandigheid dat er volgens hem geen sprake is “van een historiek van een voortgezet onaangepast en grensoverschrijdend gedrag”, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld. Volgens hem is er geen keten van gebeurtenissen, maar hebben alle tuchtperikelen waarbij hij is betrokken geraakt, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks te maken met zijn tumultueuze relatie met M.

D. XIV-36.923-12/23

Verzoeker betoogt dat in het raam van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel de tuchtoverheid alle relevante gegevens bij de afweging van de strafmaat in acht moet nemen. Te dezen wijst hij erop dat de tuchtoverheid op de hoogte was van het feit “dat verzoeker psychisch moeilijke tijden beleefde” -

hetgeen hij omstandig detailleert - en de langdurige en aansluitende periode van arbeidsongeschiktheid nooit heeft betwist. Verzoeker stond onder zware druk en er is volgens hem geen deugdelijke reden om te stellen dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden zou zijn, zodat er een noodzaak bestond om hem uit het korps te verwijderen. Zodoende is de materiëlemotiveringsplicht geschonden.

Verzoeker wijst er ook op dat hij voor de Tuchtraad een verduidelijkend medisch attest van de huisarts heeft meegedeeld waarin die verklaart dat hij verzoeker vanaf 25 augustus 2014 tot en met 22 maart 2015

geregeld heeft gezien op consultatie en dat verzoeker dan arbeidsongeschikt werd verklaard “wegens stress en stemmingsverschijnselen naar aanleiding van een lopende rechtszaak, tuchtprocedure en aanhoudende ordemaatregelen opgelegd door de korpschef.” Verzoeker vindt geen uitdrukkelijke en afdoende motivering omtrent zijn gezondheidstoestand en invloed daarvan op het bepalen van de strafmaat terug. In het voorstel van zware tuchtstraf stelt de tuchtoverheid alleen maar dat verzoeker geen bewijs voorlegt van de door hem aangehaalde medische problematiek, dat zij geen kennis heeft van medische bevindingen en daarmee inhoudelijk dan ook geen rekening kan houden. Volgens verzoeker is daaraan tegemoetgekomen door voorlegging van een uitdrukkelijk medisch attest van 7 oktober 2015 dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en door de attesten die hij bij zijn verzoekschrift voegt. Verzoeker betwist de stelling van de tuchtoverheid dat het attest van 7 oktober 2015 een a posteriori meegedeeld attest zou zijn aangezien het een attestering is van de arts die hem over de bewuste periode heeft behandeld, opgevolgd en medisch arbeidsongeschikt heeft verklaard.

De motivatie van de tuchtoverheid om geen rekening te houden met deze medische attestering is volgens verzoeker dan ook niet deugdelijk zodat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. In het kader van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel dient de tuchtoverheid bovendien rekening te houden

XIV-36.923-13/23

met de pertinente medische gegevens. Verzoeker meent dat de feiten ook niet mogen worden overdreven en dat de bestraffing met het ontslag van ambtswege in dergelijke omstandigheden disproportioneel is. Volgens hem was het handelen van de collega‟s van de politiezone Oostende ook niet volgens het boekje, zijn verzoekers eigen houding en gedrag ten zeerste te relativeren en ook kortstondig van aard en daarenboven onmiskenbaar beïnvloed ingevolge de algemene ziektetoestand van stress en stemmingsverschijnselen, dan nog gerelateerd aan alle problemen met M. D. dewelke weer rechtstreeks ten grondslag lagen van de reden waarom de collega‟s polshoogte kwamen nemen.

Tot slot acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

Volgens hem had de tuchtoverheid zich in het kader van de zorgvuldigheid moeten bevragen bij de arbeidsgeneesheer, die op de hoogte is van zijn gezondheidstoestand, zoals dit naar aanleiding van een eerdere tuchtinbreuk van begin 2014 wel is gebeurd.

Beoordeling

De schending van de materiëlemotiveringsplicht

11. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere

XIV-36.923-14/23

bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

12. Verzoeker bekritiseert dat er in zijn hoofde sprake is van een “historiek van een voortgezet onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” en volgens hem hebben alle feitelijkheden finaal te maken met verzoekers tumultueuze relatie met M. D.

Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij oordeelt dat “het onaangepast en grensoverschrijdend gedrag dat betrokkene vertoont, [..] een gegeven [is] dat zich reeds gedurende enkele jaren manifesteert” (zie supra, punt 3.5). Ter adstructie van dit standpunt brengt de hogere tuchtoverheid onder meer een aantal strafrechtelijke en tuchtrechtelijke antecedenten in herinnering. Op het eerste gezicht blijkt dat op één na, die telkenmale gedragingen betreffen van verbale en/of fysieke agressie tegenover overheden, hiërarchische oversten, collega‟s, alsook dat het gedrag recidief lijkt en zich reeds sinds enkele jaren manifesteert. In deze stand van het geding blijft de hogere tuchtoverheid binnen haar beoordelingsbevoegheid door te stellen dat verzoeker een “onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” vertoont. Los van de vraag of verzoeker aannemelijk maakt dat alle tuchtperikelen waarbij hij is betrokken geraakt, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks te maken zouden hebben met zijn tumultueuze relatie met M. D., blijft de verwerende partij binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid van de feiten, door te overwegen in haar

XIV-36.923-15/23

voorstel van zware tuchtstraf van 15 juli 2015 - die luidens de bestreden beslissing als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en bijgevallen -

dat de relationele problemen waarmee verzoeker kampt, “geenszins het gedrag van betrokkene kunnen goedpraten of verschonen” en “dat aan betrokkene alle hulp werd geboden om deze relationele problemen te boven te komen [en] dat dit evenwel in de praktijk niets verandert aan het gedrag van betrokkene”, alsook “dat niet is aangetoond dat de relationele problemen oorzaak zijn van het verbaal en fysiek agressief gedrag.”

13. In de mate dat verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat de tuchtoverheid alle relevante gegevens bij de afweging van de strafmaat in acht moet nemen, zijnde te dezen de omstandigheid dat verzoeker psychisch moeilijke tijden beleefde, langdurig en aansluitend arbeidsongeschikt was en onder zware druk stond, blijkt op het eerste gezicht uit de gegevens van de zaak dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk rekening hield met de omstandigheid dat verzoeker onder druk en stress stond, zonder dat zulks zou moeten inhouden dat de tuchtoverheid ipso facto verplicht een lagere straf zou moeten opleggen. De omstandigheid dat de hogere tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker ter zake niet bijtreedt, maakt op zich de motieven van de bestreden beslissing niet onwettig. Evenmin verhindert verzoekers geestesgesteldheid dat de sanctie van ontslag van ambtswege kan worden opgelegd. Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de weerslag van zijn persoonlijke geestestoestand op de strafmaat, maar in de huidige stand van het geding maakt dat op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat, tot een conclusie is gekomen waaruit schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken.

14. In de mate dat verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat de tuchtoverheid geen rekening hield met de medische attestering en in het bijzonder met het door hem voor de Tuchtraad voorgelegde attest van 7 oktober 2015, oordeelt de hogere tuchtoverheid in haar nota van

XIV-36.923-16/23

19 oktober 2015 „houdende aanvullende bemerkingen op het medisch attest dd. 7 oktober 2015‟ - waarvan de motivering integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing - dat “in ieder geval […] er geen enkele indicatie in het medisch attest terug te vinden [is] dat er enig causaal verband zou zijn tussen de medische gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten en de tuchtrechtelijk vervolgde feiten. Het bewijs daarvan ligt niet voor en kan in ieder geval aan de hand van dit a posteriori opgestelde medisch attest niet worden aangetoond”.

Zonder dat de Raad van State in deze stand van het geding moet onderzoeken of het voormelde attest een a posteriori attest betreft en welke de waarde ervan is in het licht van de toerekening van de feiten en de bepaling van de strafmaat, blijkt uit dat attest van 7 oktober 2015 dat er weliswaar sprake is van het arbeidsongeschikt verklaard zijn van verzoeker “wegens stress en stemmingsverschijnselen naar aanleiding van een lopende rechtszaak, tuchtprocedure en aanhoudende ordemaatregelen opgelegd door de korpschef”, doch uit dit attest blijkt niet dat de medische toestand de oorzaak is van de thans ten laste gelegde tuchtfeiten. In deze stand van het geding blijft de hogere tuchtoverheid aldus binnen haar beoordelingsbevoegdheid door te stellen dat uit dit attest geen enkel causaal verband blijkt tussen verzoekers medische toestand op het ogenblik van de feiten en de gepleegde tuchtfeiten. De eigen feitelijke beoordeling van verzoeker inzake de weerslag van zijn persoonlijke geestestoestand op de feiten, maakt in de huidige stand van het geding op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van dit medisch attest, tot een conclusie is gekomen waaruit schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. Wat tot slot de bij het verzoekschrift gevoegde attesten betreft, blijkt niet dat verzoeker die in het kader van de tuchtprocedure aan de hogere tuchtoverheid heeft voorgelegd.

De verwerende partij kon er dan ook bezwaarlijk mee rekening houden.

Schending van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel

15. Verzoeker betwist in het tweede middel eveneens de proportionaliteit of de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf.

XIV-36.923-17/23

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.

Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.

16. Verzoeker is een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van tuchtvergrijpen.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat “samenvattend”, de inbreuken zich situeren “op het domein van de integriteit en het wederzijds respect.” Bij de behandeling van het eerste middel is reeds vastgesteld dat de tuchtoverheid de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan door de feiten die zich hebben afgespeeld op 4 december 2014 tussen verzoeker en de verbalisanten van de lokale politie Oostende als een tuchtvergrijp te beschouwen.

Ook blijkt uit wat voorafgaat dat de verwerende partij wettig tot haar oordeel komt

XIV-36.923-18/23

dat “het onaangepast en grensoverschrijdend gedrag dat betrokkene vertoont, [..]

een gegeven [is] dat zich reeds gedurende enkele jaren manifesteert”. Voorts zet de verwerende partij in haar nota van 8 oktober 2015 aan de Tuchtraad uiteen -

waarvan de redenen luidens de bestreden beslissing als uitdrukkelijk en volledig hernomen moeten worden beschouwd en bijgevallen - dat “het […] niet tot betrokkene [lijkt] door te dringen dat dergelijk aanhoudend verbaal en agressief gedrag niet kan worden aanvaard en dat hij zich in alle omstandigheden moet kunnen beheersen, ook wanneer het familiaal wat minder gaat.” Voorts wordt betoogd in dezelfde nota dat “door deze culminatie van feiten is de maat thans vol en is de vertrouwensbreuk thans definitief (betrokkene heeft voldoende kansen gekregen om zich te herpakken) zodat de voorgestelde straf van ontslag van ambtswege wel degelijk proportioneel is”. In de huidige stand van het geding blijkt tot slot dat, anders dan hoe verzoeker het ziet, de hogere tuchtoverheid verzoekers gezondheidstoestand in haar beoordeling van de strafmaat heeft betrokken.

Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen in zijn verzoekschrift inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid - waarbij hij op het eerste gezicht de tuchtfeiten minimaliseert en inzonderheid abstractie maakt van het te dezen voor de strafmaat relevant gegeven van de “culminatie van de feiten” - maar dit maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsprincipe moet blijken.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel

17. Verzoeker voert in het middelonderdeel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel.

XIV-36.923-19/23

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

18. Uit de omstandigheid dat de tuchtoverheid zich in de voorliggende zaak niet heeft bevraagd bij de arbeidsgeneesheer terwijl zij dit in een eerdere tuchtzaak lastens verzoeker wel zou hebben gedaan, kan in de huidige stand van de procedure niet worden afgeleid dat de tuchtoverheid te dezen onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Uit wat voorafgaat blijkt immers in deze stand van het geding dat de hogere tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende gegevens inzake verzoekers medische toestand met kennis van zaken kon beslissen.

Conclusie

19. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

20. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker stelt vast dat het politiecollege bestaat uit slechts twee burgemeesters waarvan één beweert het voorwerp te zijn van een respectloze houding in hoofde van verzoeker en waarvoor hij afzonderlijk tuchtrechtelijk is vervolgd en bestraft. Met die burgemeester is er op 26 juni 2014

een polemiek ontstaan omtrent uitlatingen van de burgemeester. Er was zodoende van dan af aan sprake van persoonlijke animositeit tussen verzoeker en dit lid van

XIV-36.923-20/23

het politiecollege. Verzoeker verwijst ter zake naar de tuchtbeslissing van 20 augustus 2014. Deze burgemeester beschikt volgens verzoeker niet meer over de vereiste objectiviteit om zijn zaak onbevooroordeeld tegemoet te treden zodat er minstens een schijn van onpartijdigheid is en ook de onpartijdigheid van het politiecollege in het gedrang komt. Het politiecollege bestaat uit slechts twee burgemeesters die noodzakelijkerwijs zeer nauw dienen samen te werken en die dan ook veel belang dienen te hechten aan elkaars visies en bevlogenheden. Dat qua stemmenverdeling de betrokken burgemeester nooit op zichzelf zijn wil zou kunnen doordrukken, doet hier niet aan af: op zijn minst is tijdens het beraad zijn (minstens) schijn van partijdigheid in staat om zijn collega dusdanig te beïnvloeden “dat verzoeker er bekaaid van af komt.” Deze vaststelling belet het politiecollege niet haar wettelijke opdracht op te nemen. Een burgemeester die verhinderd is kan zich wettelijk laten vervangen en voorts moet worden gewezen op het overdrachtsmechanisme voorzien in artikel 20, 1° van de tuchtwet.

Beoordeling

21. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.

Verzoeker beroept zich op de subjectieve partijdigheid van de hogere tuchtoverheid.

Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.

22. In deze stand van het geding levert verzoeker dit bewijs niet.

XIV-36.923-21/23

Verzoeker wijst op de vooringenomen rol van één van beide leden van het politiecollege nu hij reeds eerder tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd wegens een onrespectvolle houding jegens dat lid, doch hij brengt geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat dit lid in het voorliggende tuchtdossier vooringenomen of partijdig is geweest ten aanzien van verzoeker. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet. Die indruk moet objectief kunnen worden gerechtvaardigd, rekening houdend met de concrete elementen van de zaak. Het enkele gegeven dat verzoeker reeds eerder tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd wegens zijn niet-respectvolle houding jegens de betrokken burgemeester, bewijst op zich niet dat die zich in de huidige zaak niet onpartijdig zou hebben opgesteld.

23. Het derde middel is niet ernstig.

VI. Conclusie

24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

VII. Rechtsplegingsvergoeding

25. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

XIV-36.923-22/23

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.923-23/23

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.034