Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.033 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.033 Généré par l'IA

Court dismisses police officer's suspension of transfer order due to lack of urgent need and serious grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.033
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the police officer's request to suspend the enforcement of her transfer to a local information hub. The officer argued that the temporary transfer caused severe psychological stress and that she could not wait for the final annulment proceedings. The court found that the officer failed to demonstrate the transfer caused irreparable harm or that the annulment process was excessively long, thus lacking the necessary conditions for suspension.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and § 2, third paragraph, of the coordinated laws on the Council of State: A request for suspension of enforcement requires both urgent need for handling in annulment proceedings and at least one serious ground justifying non-enforcement; mere duration of proceedings or general stress does not suffice.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement police disciplinary measure urgent need requirement serious grounds standard annulment proceedings duration psychological stress impact temporary transfer order suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1, of the coordinated laws on the Council of State
Article 17, § 2, third paragraph, of the coordinated laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 236.033 van 10 oktober 2016

in de zaak A. 218.994/XIV-36.999

In zake: Karin GEYSKENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 3290 Diest Schellekensberg 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de LOKALE POLITIEZONE 5366

GEEL - LAAKDAL - MEERHOUT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ineke Michielsen kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 22 maart 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 januari 2016 van de korpschef van de politiezone Geel-Laakdal-Meerhout tot herplaatsing bij ordemaatregel van verzoekster.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

XIV-36.999-1/6

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tinneke Huyghe, die loco advocaat Iris Exelmans verschijnt voor verzoekster, en advocaat Bram Vangeel, die loco advocaat Ineke Michielsen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is inspecteur van politie bij de politiezone 5366

Geel-Laakdal-Meerhout.

Tot vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing oefende verzoekster een functie uit bij het team recherche in dezelfde politiezone.

3.2. Op 19 januari 2016 beslist de korpschef om verzoekster vanaf 19 januari 2016 te herplaatsen van het team recherche naar het lokaal informatiekruispunt in de functie van inspecteur lokaal informatiekruispunt. Ook wordt beslist deze herplaatsing te herevalueren “binnen de maand na een vonnis of

XIV-36.999-2/6

arrest in kracht van gewijsde en deze beslissing, afhankelijk van de situatie te herzien of te behouden.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

Standpunt van verzoekster

6. Verzoekster voert aan dat uit het door haar bijgebrachte medisch attest blijkt dat zij door de herplaatsing psychische schade lijdt, alsook dat het “in het korps [ook lijkt] alsof verzoekster al schuldig is en dat er al een maatregel nodig was.”

XIV-36.999-3/6

Beoordeling

7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoekster toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.

Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt”

(memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”

(memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).

Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

XIV-36.999-4/6

8. De bestreden beslissing is een herplaatsing bij ordemaatregel.

Een dergelijke maatregel in het belang van de dienst veroorzaakt in beginsel vanwege zijn voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard, aan verzoekster geen schadelijke gevolgen of nadelen die van dien aard zijn dat verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten. Het komt aan verzoekster toe aan te tonen dat in haar geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat zij de tijdelijke herplaatsing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.

Dat verzoekster, naar zij stelt, “psychische schade lijdt” door de bestreden beslissing, is een gegeven dat refereert aan een nadeel dat verzoekster ingevolge deze beslissing kan lijden. Ter adstructie van dit nadeel legt verzoekster een medisch attest over. Daarin attesteert de huisarts dat zij verzoekster in behandeling heeft “wegens een belangrijk stresssyndroom”, dat “up & downs [kent], met het tegenkomen van verschillende stressoren, met een duidelijke verergering sinds 17/12/2015”. Los van de vraag of op grond van dit attest kan worden vastgesteld dat er een oorzakelijk verband blijkt tussen de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing en de door verzoekster ingeroepen psychische schade, maakt verzoekster met dit attest niet in concreto aannemelijk dat de schade die zij stelt te lijden, van die aard is dat, indien verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde moet afwachten, zij zich in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

Wat het door verzoekster aangevoerde argument betreft dat het in het korps al lijkt dat zij schuldig is en dat er al een maatregel nodig is, wordt eraan herinnerd dat de bestreden beslissing een ordemaatregel is. Die laat derhalve de vraag naar de schuld van verzoekster buiten beschouwing. De enkele, in algemene termen gestelde, verwijzing naar de mogelijke perceptie door derden van de betekenis en de draagwijdte van de bestreden beslissing, toont op zich niet aan dat verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.

XIV-36.999-5/6

9. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid.

Conclusie

10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.999-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.033