Court dismisses suspension request as the contested decision has already taken full legal effect.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a police decision extending a temporary suspension and withholding a fee. The applicant argued for immediate suspension due to urgency, but the court found the decision had already fully taken effect on August 22, 2016. Consequently, the court ruled that the enforcement could no longer cause further harm, rendering the suspension request legally futile.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 of the Coordinated Council of State Rules; A suspension of enforcement requires both urgency and a serious ground for annulment, but is denied if the contested decision has already fully taken effect and cannot cause further damage.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 236.032 van 10 oktober 2016
in de zaak A. 219.042/XIV-37.006
In zake: Dieter VAN DER CAPELLEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD-ELSENE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel Jamblinne de Meuxplein 41
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 13 juni 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het politiecollege Brussel-Hoofdstad-Elsene van 11/04/2016 […] houdende verlenging van voorlopige schorsing voor een duur van 4 maanden, van 23/4/2016 tot en met 22/08/2016, alsmede van de parallelle inhouding van wedde van 20%”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2016.
XIV-37.006-1/6
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Siegfried De Mulder, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die loco advocaat Frédéric Van De Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Het feitenrelaas is beschreven in het tussenarrest nr. 234.599 van 28 april 2016. Er wordt naar verwezen.
3.2. Het voormelde arrest verwerpt de vordering tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de thans bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
XIV-37.006-2/6
V. Schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Spoedeisendheid
Standpunt van verzoeker
6. Onder het kopje “wat het spoedeisend karakter betreft van de vordering tot schorsing” voert verzoeker aan dat de voorlopige schorsing bij ordemaatregel met inhouding van wedde “een steeds verdergaande, steeds verergerende negatieve impact” heeft op verzoekers persoon en gezinsleven.
Verzoeker acht zijn blazoen op voorhand besmeurd en wijst erop dat hij behalve 20 % van zijn basiswedde ook 100 % van de overuren, weekendprestaties en bijzondere vergoedingen verliest, hetgeen in werkelijkheid een verlies van 40 tot 50 % van zijn wedde vormt. Voorts ziet hij sinds twee jaar zijn kinderwens beëindigd door de overheid en heeft hij niet de mogelijkheid om elders te gaan werken nu hij, hoewel geschorst, nog steeds deel uitmaakt van de politie, hetgeen onverenigbaarheden met zich meebrengt.
Verzoeker vervolgt dat de overheid niet reageert op zijn vraag om voorlopig tewerkgesteld te worden desnoods in een andere dienst of binnendienst, eventueel zonder contact met het publiek. Er wordt niet gemotiveerd waarom dit geen alternatief voor de voorlopige schorsing zou kunnen zijn. De benadeling specifiek voor het niet toegewezen krijgen van een alternatieve dienstbetrekking loopt sinds de bestreden beslissing.
XIV-37.006-3/6
Verder laat verzoeker gelden dat de bestreden beslissing enkel een “standaardredenering” bevat om de inhouding van wedde te verantwoorden.
Die inhouding is disproportioneel omdat verzoeker reeds tal van bijkomende vergoedingen verliest zolang hij geschorst is. Minstens moet dit onderdeel worden geschorst.
Verzoeker benadrukt dat de aangevoerde nadelen definitief zijn.
Verzoeker is voorts van oordeel dat de ordemaatregel het karakter van een effectieve sanctie heeft gezien het definitieve verlies van wedde en het feit dat hij wordt behandeld als iemand op wie het vermoeden van onschuld niet van toepassing is.
Verzoeker wijst erop dat de termijn van de uitwerking van de bestreden beslissing slechts vier maanden is. De schorsing is verantwoord omdat de behandeling van de zaak bij een gewone procedure pas gevolg zou krijgen wanneer de bestreden beslissing al lang haar uitwerking zal hebben gehad. Tot slot verklaart hij waarom hij zich nog niet eerder tot de Raad van State heeft gewend naar aanleiding van de aan de bestreden beslissing voorafgaande ordemaatregelen van voorlopige schorsing.
Beoordeling
7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
XIV-37.006-4/6
Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.
Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).
Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
8. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing heeft enkel uitwerking voor de toekomst en ze kan een verzoeker niet meer behoeden voor reeds geleden schade. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging die reeds is voltooid, door een te bevelen vordering tot schorsing niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
Uit de gegevens van de zaak blijkt dat, zoals partijen ter terechtzitting beamen, de bestreden beslissing volledige uitwerking heeft gekregen op 22 augustus 2016. Aldus is een einde gekomen aan het in het verzoekschrift aangevoerde nadeel. Niet blijkt dat verzoeker na het verstrijken van de duur van zijn voorlopige schorsing nog een nadeel ondergaat waaruit volgt dat de zaak spoedeisend is én dat een schorsing van de bestreden beslissing alsnog zou kunnen
XIV-37.006-5/6
verhelpen. In het licht hiervan kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dus geen nut meer hebben.
9. Uit wat voorafgaat, blijkt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid.
VI. Conclusie
10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.006-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.032