Court dismisses suspension request as urgency not proven by hypothetical penalties or future timing.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a provincial decision regarding noise limits for a greenhouse facility. The applicant argued that strict timelines for remediation plans and potential criminal sanctions created irreparable harm, but the court found these to be mere hypotheticals. The court emphasized that urgency cannot be inferred solely from the procedural duration or the existence of future deadlines without concrete evidence of immediate, irreversible damage.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph; Article 17, § 2, third paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State: Urgency for suspension requires proof of irreparable harm that cannot be avoided without suspension, excluding hypothetical penalties or future procedural delays.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 236.017 van 6 oktober 2016
in de zaak A. 218.791/VII-39.642.
In zake : de BVBA UYTTERHOEVEN DIRK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 21 maart 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 januari 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 27 februari 2014, houdende wijziging en aanvulling van de bijzondere voorwaarden, opgelegd in de vergunningsbesluiten van 9 oktober 2008 en 31 oktober 2012 voor de exploitatie van een tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Hoogstraat 60 te Sint-Katelijne-Waver, gegrond wordt verklaard.
VII-39.642-1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yasmine Vuylsteke, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de Hoogstraat 60 te Sint-Katelijne-Waver.
3.2. Op 9 oktober 2008 verkrijgt de verzoekende partij een milieuvergunning voor de uitbreiding van de inrichting met een warmtekrachtkoppeling (hierna: WKK) bestaande uit een gasmotor met een nominaal vermogen van 1.958 kW en een bijkomende generator met een elektrisch vermogen van 2.070 kW. Aan deze vergunning is een bijzondere voorwaarde
VII-39.642-2/8
verbonden waarin wordt gesteld dat de exploitant aan de algemene geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen moet voldoen en dat binnen een termijn van zes maanden na de ingebruikname van de WKK-installatie geluidsmetingen moeten worden uitgevoerd door een erkend geluidsdeskundige.
3.3. De deputatie van de provincie Antwerpen verleent op 31 oktober 2012 een milieuvergunning voor de uitbreiding van de inrichting met een tweede WKK-installatie. Ook deze vergunning gaat gepaard met het opleggen van bijzondere voorwaarden die als volgt luiden:
“- De nieuwe WKK dient in een binnenomkasting geplaatst te worden die het geluid reduceert naar maximaal 70 dB(A) op 1 meter van de wanden van de omkasting.
- De nieuwe en de vergunde WKK worden in een nieuw op te richten loods geplaatst die voldoende akoestisch is geïsoleerd zodat eventuele overdracht van het geluid naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt (ook voor de lage frequenties).
- De exploitant plaatst een geluidsdemper op de in- en uitlaat, zodat het geluidsdrukniveau maximaal 70 dB(A) bedraagt op 1 meter afstand.
- Binnen een termijn van 6 maanden na het in gebruik stellen van de nieuwe WKK-installatie dient de exploitant een akoestische controlemeting te laten uitvoeren ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen door een erkend deskundige in de discipline geluid. De meetwaarden dienen te voldoen aan de richtwaarden voor agrarische gebieden (gebied 5bis° in bijlage 2.2.1 en 4.5.4 van Vlarem II) voor alle woningen in de omgeving. De toetsing aan deze richtwaarden gebeurt conform hoofdstukken 2.2 en 4.5 van Vlarem II en hun bijlagen, met inbegrip van eventuele correcties voor tonaliteit, nieuwe inrichtingen e.d. Dit rapport dient in 4-voud overgemaakt te worden aan de vergunningverlenende overheid, die dit ter evaluatie overmaakt aan de AMV en ter informatie aan de AMI en het schepencollege”.
3.4. Op 25 oktober 2013 dient de afdeling Milieu-inspectie, op grond van artikel 45 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991
houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), bij de deputatie van de provincie Antwerpen een verzoek in om de geldende bijzondere vergunningsvoorwaarden te wijzigen en aan te vullen. Als reden wordt verwezen naar klachten over geluidshinder sinds de ingebruikname
VII-39.642-3/8
van de WKK die een lage bromtoon zou veroorzaken.
3.5. Bij besluit van 27 februari 2014 wijzigt en vult de deputatie van de provincie Antwerpen de bijzondere vergunningsvoorwaarden aan.
3.6. Tegen deze beslissing stelt een omwonende, die zegt hinder te ondervinden van de WKK-installatie, beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
Hij vraagt de bijzondere voorwaarden zodanig te herformuleren dat de impact van de exploitatie op de omgeving beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau en de geldende milieunormen worden gerespecteerd.
3.7. De afdeling Milieuvergunningen adviseert op 22 juli 2014 om het ontvankelijk bevonden beroep gegrond te verklaren en de vergunningsvoorwaarden te wijzigen.
3.8. Met het thans bestreden besluit van 13 januari 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep gegrond. De beroepen beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 27 februari 2014 wordt als volgt gewijzigd:
“in artikel 1, van het bestreden besluit wordt de aanvulling met volgende bijzondere voorwaarde ‘De WKK-installatie mag tussen 24u en 6u enkel in werking zijn indien het specifiek geluid van de installatie voldoet aan de richtwaarde voor agrarische gebieden tijdens de nachtperiode (cfr. bijlage 4.5.4, van Vlarem II). Indien het specifiek geluid van de installatie hier niet aan kan voldoen, legt de exploitant zijn installatie stil tussen 24u en 6u of worden er bijkomende saneringsmaatregelen uitgevoerd’ vervangen door:
‘1. het specifiek geluid afkomstig van de WKK-installatie en bijhorende CO2-ventilatoren wordt ter hoogte van de nabijgelegen woningen beperkt tot 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode;
2. de deuren die toegang geven tot de overkoepelende loods, moeten te allen tijde gesloten zijn;
3. binnen een termijn van 6 maanden na ondertekening van onderhavig ministerieel besluit stelt het bedrijf in overleg met een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen een saneringsplan op en maakt dit ter goedkeuring over aan de afdeling Milieu-Inspectie en ter kennisgeving aan de afdeling
VII-39.642-4/8
Milieuvergunningen. Het saneringsplan bevat een beschrijving van de mogelijkheden tot verbetering van de situatie van de CO2-ventilatoren en de WKK-installatie en van de concrete maatregelen die moeten getroffen worden om te voldoen aan de normen voor specifiek geluid zoals opgelegd in punt 1 en om te voldoen aan onderstaande geluidsdrukniveaus per tertsband in de nabijgelegen woningen:
Frequentie (Hz) 20 25 31,5 40 650 63 80 100 125
Referentiecurve 74 62 55 46 39 33 27 22 17,5
(dB)
De beoordeling van deze referentiecurve en de bijhorende meetvoorschriften moet gebeuren volgens de voorschriften van de Nederlandse NSG-richtlijn laagfrequent geluid (als bijlage gehecht aan het ministerieel besluit). Het saneringsplan bevat de uitvoeringstermijnen van de concrete maatregelen. In het saneringsplan moet rekening worden gehouden met de metingen en inzichten uit de reeds uitgevoerde studies inzake de geluidshinder.
Binnen een termijn van 18 maanden na ondertekening van onderhavig ministerieel besluit moet dit saneringsplan in overleg met de erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen volledig geïmplementeerd zijn.
Binnen een termijn van 3 maanden na de sanering moet een controlemeting uitgevoerd worden door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen om aan te tonen dat voldaan wordt aan de referentiecurve opgelegd in de bijzondere voorwaarden’”.
IV. Onderzoek van de vordering
4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
5. De verzoekende partij stelt dat de zaak spoedeisendheid is “gelet op de in de bestreden beslissing opgelegde timing”; conform artikel 2 van de
VII-39.642-5/8
bestreden beslissing, moet immers binnen een termijn van zes maanden na de ondertekening van de bestreden beslissing een saneringsplan worden opgemaakt door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen. Dit saneringsplan dient te zijn geïmplementeerd binnen een termijn van achttien maanden.
Rekening houdend met de opgelegde timing kan geen uitspraak ten gronde worden verwacht voor het verstrijken van de termijn voor de opmaak en de uitvoering van het saneringsplan. Zij zou zich blootstellen aan strafsancties, zelfs een exploitatieverbod, indien zij de uitspraak ten gronde zou moeten afwachten.
Beoordeling
6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.
De Raad van State mag daarenboven alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting door verzoeker bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
VII-39.642-6/8
De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
7. In zoverre de verzoekende partij verwijst naar de strikte timing voor de opmaak en de uitvoering van het saneringsplan, geldt dat de spoedeisendheid niet kan voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. De timing die door de bestreden bijzondere voorwaarden wordt opgelegd is op zich niet gelijk te stellen met een toestand met “onherroepelijke schadelijke gevolgen”. Waar in de uiteenzetting van de verzoekende partij gewag wordt gemaakt van mogelijke strafsancties of een exploitatieverbod, betreft het op dit ogenblik louter hypothetische veronderstellingen waardoor de spoedeisendheid van de zaak niet wordt aangetoond. In dit verband kan er overigens aan worden herinnerd dat een nieuwe vordering tot schorsing mag worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).
Bijgevolg maakt de verzoekende partij met haar uiteenzetting niet aannemelijk dat tijdens de duur van een annulatieprocedure onherroepelijke schadelijke gevolgen tot stand zullen komen die slechts kunnen worden vermeden door de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.
VII-39.642-7/8
8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.642-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.017