Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.010 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.010 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for school director due to lack of urgency and medical condition insufficient for interim measure.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.010
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a disciplinary suspension and restore him to his position as school director. The applicant argued that his medical condition and the stress of returning to the classroom created an urgent need for interim relief, but the court found no specific evidence of urgency. Consequently, the court ruled that the applicant's absence due to illness had already ended and the stress from the move could not be cured by a future ruling.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; An interim measure requires proof of urgency and irreparable harm, which is not met if the underlying situation has already resolved or if the applicant's absence due to illness has ceased.

Mots-clés

Généré par l'IA
interim measure school director disciplinary suspension urgency requirement medical condition administrative procedure Council of State rééducation dans la même profession

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 236.010 van 6 oktober 2016

in de zaak A. 219.299/IX-8868

In zake: Eddy DESMET

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van de Cauter kantoor houdend te 1050 Brussel Dautzenbergstraat 42

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15

Tussenkomende partij:

het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 – Vlaamse Ardennen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 20 mei 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van beslissing GO/2016/05/Desmet van de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs van 7 maart 2016.

IX-8868-1/10

De verzoekende partij vraagt tevens als voorlopige maatregel “om onmiddellijk in zijn functie van directeur van de basisschool Dr. Ovide Decroly te Ronse hersteld te worden”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Het Gemeenschapsonderwijs heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Hans Van de Cauter, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij, Frederik Stevens, adjunct van de directeur, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor het Gemeenschapsonderwijs, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

IX-8868-2/10

III. Feiten

3.1. Verzoeker wordt met ingang van 1 september 2006 benoemd tot directeur van de basisschool Dr. O. Decroly te Ronse, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 21 van het Gemeenschapsonderwijs.

3.2. Bij beslissing van 18 september 2015 van de algemeen directeur van de scholengroep wordt verzoeker preventief geschorst bij hoogdringendheid.

Aanleiding hiervoor zijn uitlatingen van verzoeker in e-mails gericht aan een lid van de Vlaamse regering.

Op 1 oktober 2015 bevestigt de raad van bestuur van de scho-

lengroep de beslissing van de algemeen directeur en beslist hij een tuchtprocedure op te starten.

Op 17 november 2015 verwerpt de kamer van beroep de door verzoeker tegen de preventieve schorsing ingestelde beroepen.

3.3. De raad van bestuur van de scholengroep beslist op 8 december 2015 om verzoeker de tuchtstraf „terugzetting in rang‟ op te leggen.

Verzoeker tekent hiertegen beroep aan bij de kamer van beroep.

Bij de thans bestreden beslissing wordt de voor de kamer van beroep aangevochten beslissing op 7 maart 2016 bevestigd.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4.1. In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker zowel de Vlaamse Gemeenschap als het Gemeenschapsonderwijs als verwerende partij aangemerkt.

IX-8868-3/10

Het Gemeenschapsonderwijs heeft, door de griffiediensten van de Raad daartoe uitgenodigd, een nota met opmerkingen neergelegd. In die nota werpt deze partij geheel correct op dat zij ten onrechte als verwerende partij is aangeduid, terwijl zij enkel belanghebbende partij is. De bestreden beslissing gaat immers uit van de kamer van beroep, orgaan van de Vlaamse Gemeenschap.

4.2. Het Gemeenschapsonderwijs heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Er is dan ook reden om zijn ter terechtzitting geformuleerde verzoek om in de zaak tussen te komen, in te willigen. Zijn nota met opmerkingen moet overeenkomstig als een verzoekschrift tot tussenkomst in het debat worden ontvangen.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

Uiteenzetting

6. In het inleidend verzoekschrift argumenteert verzoeker de spoedeisendheid van de “schorsing en voorlopige maatregelen” als volgt:

“V.l. Vervreemding van de school De opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is wegens hoogdringendheid gerechtvaardigd. De zaak is immers dringend aangezien door de terugzetting in rang verzoeker snel van zijn school zal vervreemden, wat de heruitoefening van zijn taak als directeur in de toe-

komst zal bemoeilijken. Hij zal immers minder efficiënt zijn taak kunnen vervullen als hij nog lang afwezig blijft.

IX-8868-4/10

V.2. Onaangepaste onderwijsopdracht Bovendien eindigde op 4 mei 2016 de preventieve schorsingsperiode van verzoeker en werd verzoeker vanaf 5 mei 2016 tewerkgesteld als leraar in twee andere scholen: de Middenschool en het Koninklijk Atheneum te Avelgem.

Zijn onderwijsopdracht bestaat hoofdzakelijk uit Engels en een aantal les-

tijden Frans. Verzoeker geeft echter geen Engelse les meer sinds het jaar 1987. Sinds zijn directeurschap aan basisschool Dr. Ovide Decroly is in beide scholen ondertussen heel wat veranderd. Zowat alles is gedigitali-

seerd: het invullen van de klasagenda, het bijhouden van de behandelde leerstof, het opstellen van de lesvoorbereidingen, de leerlingenbegeleiding, de leerbegeleiding, de evaluatie en de rapportering, enz. Er wordt inmid-

dels ook geen gebruik meer gemaakt van wandkaarten. De lesmethoden worden begeleid door digitale bordboeken en bijgevolg wordt er geen ge-

bruik meer gemaakt van het klassieke schoolbord, maar van interactieve digitale borden. Daarbij komt ook nog dat alle leerplannen sinds zijn ver-

trek uit het secundair onderwijs gevoelig veranderd zijn. De leerboeken zijn allemaal volledig nieuw en dus aangepast aan de nieuwe leerplannen.

Er is zodanig veel veranderd, dat verzoeker onmogelijk alles kan verwer-

ken in een relatief kort tijdsbestek. Bovendien hebben de leerlingen reeds gedurende acht maanden les gekregen van een bepaalde leerkracht en valt verzoeker plots als een spreekwoordelijke „hond in een kegelspel‟ binnen in hun schoolleven. Ook staan de eindexamens voor de deur: hoe kan verzoeker op een pedagogisch-didactisch verantwoorde wijze de leerstof die door andere leerkrachten werd gegeven examineren en/of de leerstof verder afwerken? Verzoeker werd op het einde van het schooljaar voor een zo goed als onmogelijke opdracht geplaatst...

De nieuwe onderwijsopdracht van verzoeker is dan ook totaal onaangepast en hij heeft de indruk dat die alleen dient om [hem] te pesten en nog zwaarder te straffen, wat onaanvaardbaar is.

V.3. Stress De sanctie die verzoeker onderging en de nieuwe onaangepaste onder-

wijsopdracht leiden ook tot een zware, en potentieel gevaarlijke stress.

De volgende getuigenis van verzoeker schetst de stresserende sfeer waarin de verhuis van de ene naar de andere school gebeurt:

„Daarbij komt nog dat ik al mijn persoonlijk didactisch materiaal tegen woensdagavond diende te verwijderen uit de basisschool waarvan ik gedurende een tiental jaar directeur was. Ik kan u ga-

randeren dat ik ondertussen heel wat materiaal met eigen financiële middelen had aangekocht tijdens mijn loopbaan (34 jaar) als leer-

kracht Frans-Geschiedenis-Kunstgeschiedenis (in het dag- en volwassenenonderwijs). We hebben woensdagnamiddag met 7 personen (mijn broer, zus, schoonzus en neef, de conciërge van de school, een onderhoudswerkman en ikzelf) al mijn materiaal op-

geladen in twee bestelwagens met aanhangwagen en in onze per-

soonlijke voertuigen en dit alles overgebracht naar de pri-

vé-kelderruimte van de vroegere directeur van het Koninklijk Atheneum te Ronse, die in Avelgem woont en begrip betoonde voor

IX-8868-5/10

de schier onmogelijke opdracht die me sinds vorige week vrijdag-

namiddag te beurt viel. Na afloop van deze gedwongen verhuis was iedereen zowat doodop. Zelf was ik oververmoeid, want op zater-

dag, 30 april en op dinsdag, 03 mei jl. had ik – buiten de schooluren – samen met mijn broer en mijn neef reeds mijn vroeger bureau leeggemaakt en alle materiaal zoveel mogelijk bijeengebracht in een gemeenschappelijke ruimte, zodat we op woensdag alles „makkelijker‟ konden laden in de bestelwagen. Ook dienden er vijf metalen kasten volgestapeld met leerboeken, historische atlassen, naslagwerken, kunstboeken, dia‟s, dvd‟s, enz. te worden leegge-

maakt.‟ Verzoeker is door dit alles psychisch zwaar aangedaan. Hij was genood-

zaakt zijn huisarts te raadplegen. Hij heeft hem het hele verhaal verteld en hem gezegd dat hij de situatie echt niet meer aankon. Deze dokter schrijft heel zeker niet zo makkelijk een ziektebriefje, maar doordat het voor ver-

zoeker absoluut niet meer ging, heeft hij hem tot en met 22 mei 2016

ziekteverlof verleend (stuk 10). Verzoeker is totaal uitgeput. Hij kan zich niet meer concentreren, kan de slaap niet vatten, is bijzonder prikkelbaar, heeft zowat overal fysieke klachten en vooral ook hevige hoofdpijn. Zijn gezondheid lijdt dus zwaar onder de onterechte, minstens sterk overdreven sanctie.

Verzoeker moest ook op 18 mei 2016 op medisch onderzoek gaan bij de specialist die hem verder opvolgt voor de chirurgische ingreep die hij in juli 2014 onderging wegens kanker (stukken 8 en 9). Van die kankeringreep is verzoeker nog niet helemaal hersteld en het risico op hervallen door de overmatige stress die deze zaak bij hem opwekt, is dan ook groot. De arts heeft het ziekteverlof van verzoeker verlengd tot 19 juni 2016 en heeft hem nieuwe, zwaardere medicatie voorgeschreven.

Verzoeker heeft onmiddellijk de beide schooldirecties op de hoogte ge-

bracht. Ze betonen volop begrip voor de moeilijke situatie waarin hij zich thans bevindt en ze begrijpen niet dat de Raad van Bestuur van de Scho-

lengroep op dit moment van het schooljaar de onderwijskundige organisa-

tie van beide scholen helemaal op de helling wil zetten door hun beslissing om hem terug te zetten in rang van directeur tot leerkracht en hem nu nog te affecteren aan beide onderwijsinstellingen. In beide scholen zouden im-

mers drie tijdelijke leerkrachten moeten ontslagen worden en de leerlingen zouden op amper vier weken voor de eindexamens een nieuwe leerkracht krijgen. De directies vragen zich dan ook terecht af hoe ze dit uitgelegd krijgen bij de ouders. De administratieve plichtplegingen zijn dusdanig gedigitaliseerd dat het voor verzoeker praktisch gezien onmogelijk is om alles nog tijdig te kunnen verwerken. Tot overmaat van ramp is de ICT-coördinator van beide scholen thans met ziekteverlof wegens een operatieve ingreep en kan hij verzoeker dus geen uitleg verschaffen over de administratieve gegevensverwerking.

Het resultaat van dit alles is dat verzoeker momenteel totaal van de kaart is en aan een serieuze depressie lijdt.

De terugzetting in rang is ook vernederend voor een persoon die zich met hart en ziel voor zijn school heeft ingezet.

IX-8868-6/10

Die maatregel berokkent hem dan ook lichamelijke en morele schade, die oploopt met de tijd.”

Beoordeling

7. De bestreden tuchtmaatregel legt verzoeker de terugzetting in rang op, maar houdt niet in dat hij uit de school verwijderd moet worden. De nieuwe plaats van tewerkstelling van verzoeker is dan ook een nakomende beslis-

sing van het Gemeenschapsonderwijs, die overigens niet als voorwerp in de hui-

dige rechtsstrijd is gebracht. Hoe dan ook maakt verzoeker niet aannemelijk hoe zijn afwezigheid van de school gedurende de tijd die nodig is voor de behandeling van het annulatieberoep hem niet meer in staat zou stellen om na een eventuele nietigverklaring zijn ambt van directeur opnieuw uit te oefenen. Het blijft bij een niet onderbouwde, niet geconcretiseerde bewering. Ten slotte was verzoeker reeds verwijderd uit de school door zijn preventieve schorsing sinds 18 september 2015

en ligt het, zoals de tussenkomende partij opmerkt, in de lijn der verwachtingen dat in geval van een inwilliging van de huidige vordering, aan verzoeker opnieuw een preventieve schorsing zal worden opgelegd in afwachting van het eindarrest en, eventueel, de nieuwe beslissing van de kamer van beroep.

8. Over de nieuwe onderwijsopdracht van verzoeker bestaat on-

duidelijkheid.

Volgens de tussenkomende partij heeft verzoeker wegens ziekte geen dag les gegeven gedurende het schooljaar 2015-2016. Daar voegt zich aan toe dat een schorsingsarrest enkel uitwerking heeft voor de toekomst. De opmerkingen van verzoeker, dat hij kort voor de eindexamens van het schooljaar 2015-2016 een lesopdracht moet invullen, kunnen de spoedeisendheid dan ook niet (meer) aan-

tonen.

Volgens de verwerende partij en de tussenkomende partij heeft verzoeker voorts na het einde van zijn ziekteverlof een verlof voor tijdelijke op-

dracht (TAO) opgenomen en is hij sinds 30 mei 2016 aangesteld in onderwijsge-

IX-8868-7/10

relateerde coördinatie-uren in een CVO van het Gemeenschapsonderwijs. Hij is in dat geval niet langer belast met een onderwijsopdracht, zodat zijn betoog in ver-

band met zijn onderwijsopdracht hoe dan ook faalt om de spoedeisendheid te onderbouwen.

Volgens verzoekers raadsman echter, zou verzoeker thans belast zijn met een lesopdracht Engels in het beroepsonderwijs. Het is een verklaring ter terechtzitting; hiervan ligt geen stuk voor. Volgens de tussenkomende partij was aan verzoeker de mogelijkheid geboden om de opgenomen TAO te verlengen voor het schooljaar 2016-2017.

De terugzetting in rang houdt in dat verzoeker opnieuw leer-

kracht is en dus normaliter met een lesopdracht wordt belast. Wélke lesopdracht is andermaal niet rechtstreeks door de kamer van beroep beslist, maar houdt verband met de uitvoering van de tuchtmaatregel en volgt uit een beslissing van het Ge-

meenschapsonderwijs. Hoe dan ook overtuigt verzoeker de Raad niet om de door hem beschreven ongemakken die hij ongetwijfeld ondervindt om in afwachting van een uitspraak ten gronde terug voor een klas te moeten staan, als een verant-

woording van de spoedeisendheid in aanmerking te nemen. Van beginnende leer-

krachten wordt als inspanning niets anders verwacht. Nieuwe leerplannen vereisen van alle leerkrachten een aanpassing. In het onderwijs bestaan voorts tal van ver-

lofregelingen en is het niet ongebruikelijk voor personeelsleden om langdurige of opeenvolgende verlofregelingen op te nemen, zonder dat wordt beweerd dat zij bij hun terugkeer hun bekwaamheid om les te geven zijn kwijtgespeeld. Alleszins zij vastgesteld dat een opdracht Engels valt binnen de onderwijsbevoegdheid van verzoeker, die voor het onderwijzen van Engels en Frans in de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs beschikt over een „vereist‟ bekwaamheidsbe-

wijs, zodat van een “onaangepaste” lesopdracht geen sprake is.

9. Er zij herhaald dat een schorsingsarrest enkel uitwerking heeft voor de toekomst. Aan de stress die verzoeker beleefd heeft door de verhuis van

IX-8868-8/10

zijn bureau, kan het arrest dus niet meer verhelpen. Voor zover de stress gekoppeld wordt aan de lesopdracht, zij verwezen naar hetgeen hiervóór is overwogen.

Verzoeker wijst ook nog op zijn betreurenswaardige, ernstige medische toestand. Het is te begrijpen dat in dergelijke omstandigheden een tuchtprocedure moeten voeren en een tuchtmaatregel moeten ondergaan, voor de getroffene een bijkomende psychologische belasting betekenen. Een arrest van de Raad van State kan hieraan echter niet verhelpen als ware het een helend medicijn.

Een arrest kan enkel zorgen voor morele genoegdoening. In dat verband echter, ziet de Raad niet waarom het – beperkte – herstellende effect van die genoegdoe-

ning niet volstaat wanneer ten gronde over de zaak uitspraak volgt, nu verzoekers afwezigheid wegens ziekte tot een einde is gekomen op 30 mei 2016.

10. De spoedeisendheid is niet aangetoond. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

11. Verzoeker geeft geen specifieke, aparte uiteenzetting om de spoedeisendheid te verantwoorden voor het opleggen van een voorlopige maat-

regel. Om de redenen hiervóór uiteengezet, wordt ook het verzoek om verzoeker bij voorlopige maatregel in zijn ambt van directeur te herstellen, afgewezen.

BESLISSING

1. Het verzoek van het Gemeenschapsonderwijs tot tussenkomst in het ad-

ministratief kort geding wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-8868-9/10

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 oktober 2016, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8868-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.010