Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.009 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.009 Généré par l'IA

Court dismisses school closure suspension request due to lack of urgency as parent but not school board member.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.009
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Justice of the Flemish Community rejected the applicant's request to suspend the execution of a school closure decision. Although the applicant is a parent and school board member, the court found the urgency requirement was not met because the applicant only detailed the emergency from the perspective of a parent, ignoring their role as a board member. Consequently, the court ruled that the applicant failed to demonstrate why immediate suspension was necessary given the specific circumstances of their dual capacity.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension of execution requires both urgency and a prima facie serious ground, and the applicant must substantiate urgency based on their specific legal capacity, not merely a generic claim affecting all parties.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution school closure urgency requirement school board member parental capacity Council of State procedural admissibility commune scolaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 17, § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 8, first paragraph, 4° of the Summary Procedure Rules of 5 December 1991
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 236.009 van 6 oktober 2016

in de zaak A. 219.374/IX-8871

In zake: Kevin VAN DOOREN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Rudi Van Gompel en Manuël Huygaerts kantoor houdend te 2360 Oud-Turnhout Dorp 8

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD TURNHOUT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 31 mei 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de gemeenteraad van de stad Turnhout “[g]enomen op 11 april 2016, betrekking hebbende op [de] herstructu-

rering van de Stedelijke Basisschool door sluiting van de vestiging „De Padden-

stoel‟ – goedkeuring”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld.

IX-8871-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

De verzoekende partij, advocaat Anne-Sophie Caers, die loco advocaat Manuël Huygaerts verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lize Vandersteegen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De stedelijke basisschool Turnhout, waarvan de verwerende partij het bevoegde gezag is, bestaat uit drie vestigingsplaatsen: „Parkwijk‟ (kleu-

ter- en lagere school), „Stadspark‟ (kleuterschool) en „Paddenstoel‟ (kleuter-

school).

Verzoeker is vader van een kleuter in de vestigingsplaats „Pad-

denstoel‟ en hij is lid van de schoolraad.

3.2. Op 4 februari 2016 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout dat het “de intentie [heeft] tot het [herstructureren]

van de Stedelijke Basisschool door opheffing van de vestiging „De Paddenstoel‟ […] per 1 september 2016” en dat “deze ontwerpbeslissing ter overleg [wordt

IX-8871-2/9

voorgelegd] aan de voorzitter van de schoolraad van de Stedelijke Basisschool Turnhout”, wat vervolgens gebeurt op 15 februari 2016.

De schoolraad komt samen – onder meer daarover – op 8 maart 2016.

3.3. Op 21 maart 2016 wordt tussen de representatieve vakorganisa-

ties en het stadsbestuur een protocol van niet-akkoord opgesteld omtrent de voorgenomen beslissing om de betrokken vestigingsplaats te sluiten.

3.4. Op 11 april 2016 beslist de gemeenteraad van de stad Turnhout “tot het herstructureren van de Stedelijke Basisschool door opheffing van de ves-

tiging „De Paddenstoel‟ […] per 1 september 2016”. Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

A. Eerste exceptie

4.1. De verwerende partij werpt in een eerste exceptie op dat ver-

zoeker “niet [aangeeft] in welke hoedanigheid hij de vordering instelt”, zodat de vordering “[a]lleen al op basis van die vaststelling […] onontvankelijk [moet]

worden verklaard”.

4.2. Verzoeker geeft op de eerste pagina van zijn verzoekschrift aan dat hij “lid [is] van de school- en ouderraad van de SBT, alsmede vader van de kleuter [X.] dewelke school loopt op De Paddenstoel sinds vorig jaar”.

Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ juncto artikel 2, § 1, 2°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling

IX-8871-3/9

bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ – namelijk de verplichting tot ver-

melding in het verzoekschrift van de hoedanigheid van de verzoekende partij.

Daaruit blijkt tevens volstrekt ondubbelzinnig in welke hoeda-

nigheden verzoeker de voorliggende vordering instelt: als vader van een kleuter in de vestigingsplaats die dreigt te worden gesloten en als lid van de schoolraad.

Gelet op de derde en de vierde exceptie, is dit aan de verwerende partij overigens niet ontgaan.

4.3. De exceptie mist iedere ernst.

B. Tweede exceptie

5.1. De verwerende partij werpt vervolgens op dat verzoeker “[na-

laat] zijn belang te formuleren”.

5.2. Geen rechtsregel verplicht een verzoekende partij voor de Raad van State ertoe, haar belang bij de vordering of het beroep uitdrukkelijk te for-

muleren in het inleidend verzoekschrift.

Dat verzoeker belang heeft bij zijn vordering, wordt dan weer niet betwist.

5.3. Deze exceptie is evenmin ernstig te noemen.

C. Derde exceptie, eerste onderdeel, en vierde exceptie

6.1. In een eerste onderdeel van een derde exceptie werpt de ver-

werende partij op dat verzoeker geen bewijs voorlegt “dat hij de vader is”; in een vierde exceptie werpt zij verzoeker tegen dat hij geen bewijs voorlegt dat hij lid is van de schoolraad.

IX-8871-4/9

6.2. Van deze excepties heeft de verwerende partij volstrekt terecht afstand gedaan. Zij is immers best geplaatst om die beide hoedanigheden van verzoeker op hun juistheid te controleren.

D. Derde exceptie, tweede onderdeel

Standpunt van de partijen

7. Tot slot werpt de verwerende partij in het tweede onderdeel van de derde exceptie op dat de vordering niet ontvankelijk is, omdat verzoeker niet aantoont dat hij alléén het ouderlijk gezag over zijn minderjarige kind uitoefent, terwijl hij zijn vordering wel alleen instelt. De verwerende partij verwijst in dat verband naar de bepalingen van artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek.

8. Op de terechtzitting bevestigt de raadsvrouw van verzoeker dat het ouderlijk gezag over de bedoelde kleuter door de beide ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend. Zij betoogt dat uit haar stukkenbundel evenwel kan worden afgeleid dat de moeder instemt met de vordering en zij argumenteert dat bepaalde van de voorgelegde stukken op een vermoeden van instemming wijzen.

Verzoeker voegt daaraan toe, dat hij meent over een voldoende persoonlijk belang te beschikken om de beslissing in eigen naam aan te vechten, des te meer indien de visie van de ouders over het te verstrekken onderwijs niet zou samenlopen.

Beoordeling

9. Verzoeker bestrijdt de beslissing tot sluiting van de betrokken vestigingsplaats zowel met een vordering tot schorsing als met een annulatiebe-

roep. Het instellen van een annulatieberoep is een daad van beschikking. Dat heeft gevolgen in verband met het optreden van een minderjarige voor de Raad van State.

IX-8871-5/9

Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om zelf in persoon een beroep bij de Raad van State in te leiden en de procedure te voeren. De minderjarige moet alsdan vertegenwoordigd worden door hen die het gezag over zijn persoon uitoefenen.

In dat verband volgt uit de bepalingen van artikel 373 en 376 van het Burgerlijk Wetboek, zo lijkt, dat ouders die als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarig kind een annulatieberoep bij de Raad van State instellen, gezamenlijk moeten optreden.

10. Aangenomen wordt dat ouders in onderwijsgeschillen – zoals de voorliggende zaak er een is – ook in eigen naam kunnen optreden. De ratio legis voor dit eigen persoonlijk belang is te vinden in het gegeven dat de ouders als titularis van het ouderlijk gezag over hun kind tevens de bevoegdheid én de plicht hebben om keuzen te maken voor het onderwijs en de opvoeding van hun pupil. De bevoegdheid om ook in eigen naam op te treden in rechte wanneer een admini-

stratieve beslissing nopens dit onderwijs hen onwettig lijkt, is derhalve een co-

rollarium van de rechten en plichten van dit ouderlijk gezag.

Maar ook in dat geval moet worden geoordeeld, zo lijkt – en dit in lijn met ‟s Raads arresten nrs. 196.260 en 196.261 van 22 september 2009, nr. 205.421 van 18 juni 2010, nr. 217.016 van 23 december 2011, nr. 221.436 van 21 november 2012 en nr. 228.841 van 21 oktober 2014 – dat het daarop steunende vorderingsrecht door de houders van het ouderlijk gezag gezamenlijk uitgeoefend moet worden.

Verzoekers betoog ter terechtzitting, waar hij alludeert op het – in deze zaak werkelijk of hypothetisch – bestaan van divergente levensbe-

schouwelijke of pedagogische visies op het aan de minderjarige te verstrekken onderwijs, zet precies het belang in de verf van de keuze van de wetgever dat ouders samen moeten optreden of, bij onmin, dat zij zich in het belang van het kind tot de familierechtbank moeten wenden.

IX-8871-6/9

11. De raadsvrouw van verzoeker verklaart dat het ouderlijk gezag gezamenlijk, door de vader én door de moeder, wordt uitgeoefend.

Dat betekent, zo lijkt, dat het annulatieberoep niet op ontvanke-

lijke wijze door verzoeker alleen kon worden ingesteld, ongeacht of hij nu optreedt als wettelijke vertegenwoordiger van zijn kleuter dan wel of hij in zijn hoedanig-

heid van ouder in eigen naam optreedt.

Voor zover verzoekers raadsvrouw erop alludeert dat de in-

stemming van de moeder moet worden vermoed, kan daaraan nog worden toege-

voegd dat de Raad van State op het eerste gezicht niet kan worden beschouwd als een “derde” als bedoeld in de artikelen 373 en 376 van het Burgerlijk Wetboek. Het vermoeden van instemming, ingesteld bij dezelfde bepalingen, gaat derhalve niet op wanneer één ouder een annulatieberoep – en bij uitbreiding de daaraan acces-

soire vordering tot schorsing – instelt, daar waar het ouderlijk gezag door beide ouders samen wordt uitgeoefend.

12. De onontvankelijkheid van het reeds ingestelde annulatieberoep leidt op het eerste gezicht tot de onontvankelijkheid van de samen ermee ingestelde vordering tot schorsing, die er een accessorium van is, voor zover ze is ingesteld door verzoeker in zijn hoedanigheid van ouder van zijn minderjarige kind.

In die mate vertoont de exceptie de vereiste graad van ernst, opdat ze desnoods ambtshalve door de Raad moet worden opgeworpen.

13. Het voorgaande laat evenwel onverlet de ontvankelijkheid van het beroep – en dus ook van de vordering – ingesteld door verzoeker in zijn hoedanigheid van lid van de schoolraad.

In die mate mist het tweede onderdeel van de derde exceptie ernst.

IX-8871-7/9

V. Schorsingsvoorwaarden

14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

15. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoor-

den die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991.

16. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedei-

send is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

17. De Raad van State dient vast te stellen dat verzoeker nalaat in zijn inleidend verzoekschrift een uiteenzetting te geven, die specifiek betrokken wordt op zijn hoedanigheid van lid van de schoolraad en op de omstandigheden waarom hij in die hoedanigheid de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet kan verdragen tot aan de uitkomst van de zaak ten gronde.

Verzoeker betrekt de door hem ingeroepen “hoogdringendheid”

immers enkel op zijn hoedanigheid van ouder van zijn minderjarige zoon. Dat hij

IX-8871-8/9

terloops opmerkt dat de bestreden beslissing “alle ouders” treft, volstaat niet om er anders over te oordelen.

18. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voor-

waarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 oktober 2016, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8871-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.009