Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.960 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.960 Généré par l'IA

Court dismisses request to suspend environmental permit enforcement due to lack of urgent public health risk.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.960
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of a provincial decision denying a milk goat farm permit. The court found the applicants failed to demonstrate that executing the permit would cause serious harm or irreversible damage to public health regarding Q-fever risks. Consequently, the court determined no urgency existed to halt the administrative decision's implementation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 100, 101, 102 of the Code of Administrative Justice; A request for suspension of enforcement requires proof of urgent irreparable harm, which was not established here.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement Q-fever risk environmental permit urgent irreparable harm public health protection administrative justice procedural urgency risques pour la santé

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 100, 101, 102 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 235.960 van 4 oktober 2016

in de zaak A. 219.243/VII-39.674.

In zake : 1. Wilhelmus VAN DE VORST

2. Elisabeth VANHOVE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30, bus 0102

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE LIMBURG

Tussenkomende partij :

Christian VAN SUMMEREN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 13 mei 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 16 maart 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi van 26 oktober 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Christian Van Summeren voor het exploiteren en veranderen van een melkgeitenbedrijf, gelegen aan de Hubensstraat 15 te Kinrooi, gedeeltelijk worden ingewilligd en de beroepen beslissing, mits wijziging, wordt bevestigd.

VII-39.674-1/10

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2016.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Carmine Moonen, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor de verzoekende partijen, afdelingschef Tom Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Sophie Aerts, die loco advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Tussenkomst

3. Met een op 7 juni 2016 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Christian Van Summeren om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

VII-39.674-2/10

IV. Feiten

4.1. De tussenkomende partij baat te Kinrooi een inrichting uit met 3.200 melkgeiten. Deze bevindt zich in agrarisch gebied, volgens het gewestplan Limburgs Maasland goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 september 1980.

4.2. Zij dient op 6 juli 2015 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi een nieuwe aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning, ditmaal voor de exploitatie van een nieuwe inrichting met 2.200 melkgeiten en 200 opfokgeiten.

De aanvraag behelst:

- stallen voor het houden van 2.200 melkgeiten en 200 opfokgeiten;

- stallen van vijf landbouwvoertuigen;

- herstelwerkplaats voor onderhoud van bedrijfseigen material;

- 20 kW melkkoeltank;

- 5.000 liter propaangas;

- opslag 800 liter reinigingsproducten;

- 5.000 liter mazout;

- opslag 300 liter olie;

- een brandstofverdeelinstallatie met één verdeelslang;

- 250 ton hooi en stro;

- opslag 200 m³ vaste mest en 390 m³ vloeibare mest + 3 m³ sappen;

- 8.000 m³ groenvoeropslag + 124 m³ krachtvoer;

- 34 ton melkopslag;

- GWW max. 50 meter diep, 25 m³/d en 6.000 m³/j;

4.3. Tijdens het openbaar onderzoek van 27 juli 2015 tot en met 26 augustus 2015 worden negen (al dan niet collectieve) bezwaarschriften ingediend.

4.4. Op 26 oktober 2015 besluit het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi om de milieuvergunning onder voorwaarden

VII-39.674-3/10

te verlenen voor het exploiteren van een melkgeitenhouderij van 2.200 geiten en te weigeren voor de exploitatie van 200 opfokgeiten.

4.5. Op 17 november 2015 dient tussenkomende partij een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincie Limburg. Ook verscheidene buurtbewoners tekenen bestuurlijk beroep aan.

4.6. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen ingewonnen:

- de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling operationeel waterbeheer, handhaaft op 26 januari 2016 haar in eerste aanleg verleend gunstig advies omtrent de grondwaterwinning;

- de afdeling Milieuvergunningen - dienst Limburg adviseert 25 januari 2016

gunstig wat betreft de exploitatie van de 2.200 geiten + 200 opfokgeiten. Zij adviseert ook de bijzondere vergunningsvoorwaarden te wijzigen. Door het department Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid (hierna: LNE)

werd het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos ingewonnen. Dit advies was gunstig;

- de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar verleent op 28 januari 2016 een ongunstig advies, omdat het niet duidelijk is welk project de aanvrager nu wil realiseren;

- de Provinciale Milieuvergunningscommissie verleent op 15 februari 2016 een verdeeld advies: de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar blijft bij zijn ongunstig standpunt; de overige stemgerechtigde leden verlenen een gunstig advies conform het advies van LNE.

4.7. Op 16 maart 2016 besluit de deputatie van de provincie Limburg om de beroepen van derden gedeeltelijk in te willigen (namelijk de weigering van 200 opfokgeiten) en het beroep van de exploitant gedeeltelijk in te willigen (wat het beroep betreft ingesteld tegen de bijzondere voorwaarde in verband met het bufferbekken) en de aangevochten beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Kinrooi te bevestigen mits wijziging van de opgelegde voorwaarde

VII-39.674-4/10

in verband met het bufferbekken en schrappen van voorwaarde 4 (toevoeging percelen) .

Dit is de bestreden beslissing.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een procedure tot nietigverklaring én dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

6. De verzoekende partijen verwijzen naar de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning, waarvan thans reeds gebruik kan worden gemaakt, gelet op artikel 5, § 2 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 4.7.23, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Deze is dus reeds uitvoerbaar en het gevaar bestaat dat de verzoekende partijen, als onmiddellijke nabuur, onherroepelijke schade zullen lijden.

7. Zij verzetten zich tegen deze uitbating, niet alleen wegens de geur- en geluidshinder, doch ook vanwege het ernstige gezondheidsrisico, namelijk een uitbraak van Q-koorts. Q-koorts is een bacterieziekte die wordt veroorzaakt door Coxiella burnettii, waarvan herkauwers de belangrijkste gastheren zijn. De ziekte kan worden overgedragen op de mens en houdt een groot risico in voor de volksgezondheid. Besmette dieren scheiden de bacterie uit via melk, urine, feces, vruchtwater en placentair weefsel. De bacterie overleeft gemakkelijk en de besmetting kan heel vlot worden overgedragen.

VII-39.674-5/10

8. Zij verwijzen naar de situatie in Nederland, dat sinds 2007 werd geconfronteerd met een enorme toename van het aantal humane gevallen van Q-koorts: van 2007 tot 2010 gaat het om 3.500 besmette mensen met ziekteverschijnselen. De oorsprong lag bij de grote melkgeitenbedrijven in de buurt van dorpen.

Ondanks vaccinatie zijn heden in Nederland dertien geitenbedrijven besmet met Q-koorts.

9. De verzoekende partijen willen vanzelfsprekend een uitbraak van Q-koorts in hun omgeving vermijden. Het gegeven dat er geen bevruchtingen plaatsvinden in het bedrijf, sluit niet uit dat de bacterie, die bijzonder lang kan overleven in de omgeving, ook via andere dragers kan worden overgedragen.

10. Het louter voorhanden zijn van reglementering (ministerieel besluit van 11 mei 2011) doet het risico op een uitbraak van de Q-koorts niet verdwijnen.

11. Bij de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning heeft de aanvrager het risico op besmetting erkend door te verwijzen naar “het verzekeren van een ongestoorde toevoer van melk naar de melkfabriek van Halen, ingeval van een nieuwe grote calamiteit in Nederland”. Dit risico op verspreiding van de besmetting zou toenemen door het heen en weer reizen van de boer.

12. Ook het type stal, potstal met natuurlijke verluchting, houdt onvoldoende risicobeperking in, in vergelijking met andere types van stallen.

In de bestreden beslissing wordt - behalve de plaatsing van een groenscherm - geen enkele maatregel voorgesteld om de Coxiella burnetii of een andere besmetting tegen te gaan.

VII-39.674-6/10

Een uitbraak van de Q-koorts kan in tegenstelling tot lawaai- en geurhinder niet worden rechtgezet met een vernietiging alleen.

Beoordeling

13. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.

14. Hoewel de stedenbouwkundige vergunning reeds uitvoerbaar is, is het best mogelijk - zoals de tussenkomende en verwerende partijen aanvoeren -

dat de exploitatie zelf nog aanzienlijke tijd op zich laat wachten. Niettemin zelfs indien de exploitatie vrij snel een aanvang zou nemen, tonen de verzoekende partijen onvoldoende aan dat de zaak dermate spoedeisend is dat er niet kan gewacht worden op de behandeling ten gronde om ernstige nadelen dan wel onherroepelijke schade te voorkomen. Zij verbinden de urgentie immers aan het risico op een uitbraak van de Q-koorts, maar zij maken niet aannemelijk dat het risico voor de volksgezondheid dermate groot is dat een schorsing van de bestreden beslissing zich opdringt.

15. Hiervoor kan op de eerste plaats teruggegrepen worden naar de maatregelen die in de bestreden beslissing zelf werden opgenomen ter bescherming van de volksgezondheid.

De bestreden beslissing vermeldt hieromtrent het volgende:

“dat de aspecten geur en volksgezondheid bijzondere aandacht verdienen in dit dossier; dat de buurtbewoners/beroepers hun bezorgdheid uiten omtrent de vrees voor het oplopen van bepaalde infectieziektes (verhoogd risico op de Q-koorts) en zij verder geurhinder vrezen;

Dat de exploitant op het geplande bedrijf opfok- en melkgeiten afkomstig van zijn bedrijf in Stamproy wenst te huisvesten maar geen bokken; dat de

VII-39.674-7/10

melkgeiten ter plaatse in het geplande bedrijf zullen gehuisvest blijven tot ze slachtrijp zijn;

Dat herkauwers de belangrijkste gasten zijn van de bacterie die de ziekte Q-koorts kan veroorzaken; dat deze ziekte kan overgedragen worden op mensen en zodoende risico’s inhoudt voor de gezondheid van mens en dier; dat de besmette dieren de bacterie uitscheiden in melk, urine, feces, vaginaal slijm, sperma en vooral in vruchtwater en placentair weefsel; dat het FAVV de geitenbedrijven zeer nauw opvolgt;

Dat overeenkomstig het ministerieel besluit van 11 mei 2011 tal van maatregelen dienen genomen en opgevolgd te worden ter bestrijding van de zoönese Coxielle burnetti, veroorzaker van Q-koorts; dat de geitenhouderijen voor de detectie van deze bacterie nauw opgevolgd worden en gescreend worden via monitoring en dierenartsen conform de preventie- en bestrijdingsmaatregelen opgenomen in dit ministerieel besluit; dat alle dieren afkomstig van het bedrijf in Stamproy (vanwaar de afkomstig zijn, eveneens een bedrijf in eigendom van huidige aanvrager) gevaccineerd worden inclusief tegen Q-koorts; dat deze vaccinaties geregistreerd worden en jaarlijks herhaald worden;

Dat de melkgeitenbedrijven strikt opgevolgd worden door het FAVV en er attesten moeten voorhanden zijn bij aankomst met herhaling van vaccinaties op geregelde en verplichte en geregistreerde tijdstippen; dat de melk bemonsterd wordt en gecontroleerd wordt door erkende labo’s; dat voor de monitoring monsters moeten onderzocht worden die dan overgemaakt worden aan het comité (MCC) in het kader van de kwaliteitscontrole; dat zelfs indien er geen dergelijke monsters aanwezig zijn, het FAVV deze zelf komt nemen;

(…)

Dat opfokgeiten nog geen melk geven en zij dus niet gemonitord worden;

dat de opfokgeiten eerst dienen te werpen zodat zij melkgeiten worden; dat vast staat dat een eventuele besmetting zich voornamelijk verspreidt bij het werpen of verwerpen; dat ons college het verweerargument van de exploitant dat bij een abortus of doodgeboorte de placenta of foetus meteen in een zak geplaatst wordt dat hermetisch afgesloten wordt voor verder onderzoek, ons college er niet van overtuigt de opfokgeiten alsnog te vergunnen;

Dat ons college zich dan ook aansluit bij het bestreden besluit wat de weigering van de opfokgeiten betreft en derhalve het beroep van derden hierin volgt”.

16. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de vergunningsverlenende overheid zich bewust is van een risico op Q-koorts bij dergelijke (grootschalige) geitenhouderijen, aangezien in het bijzonder herkauwers drager kunnen zijn van de bacterie. Zij kent de specifieke besmettingsfactoren (die ook de verzoekende partijen aanhalen) en wijst meteen op maatregelen, die het risico moeten verkleinen, zoals de zeer nauwe controle van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna: FAVV), het verbod op

VII-39.674-8/10

het houden van opfokgeiten welke een groter risico vormen, vaccinatie en opvolging via monitoring en door dierenartsen, en andere maatregelen zoals bepaald in het ministerieel besluit van 11 mei 2011.

17. Ook het advies van het departement Leefmilieu ligt in dezelfde lijn en de bijzondere voorwaarden terzake, opgenomen in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen te Kinrooi, worden bevestigd (naleven aanbevelingen omzendbrief FAVV, enkel gevaccineerde melkgeiten zijn toegelaten met regelmatige kennisgeving aan gemeentebestuur, geen bokken of drachtige geiten).

18. Gelet op de verschillende maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van een besmetting en uitbraak van Q-koorts, minstens op het snelle detecteren ervan, is de uiteenzetting over het gevaar voor de gezondheid niet overtuigend genoeg om de urgentie van de schorsingsprocedure te dragen. De verzoekende partijen gaan in wezen voorbij aan de motivering en de bijzondere voorwaarden in de bestreden beslissing, minstens tonen zij niet concreet aan dat, ondanks deze maatregelen, het risico op uitbraak en verspreiding van de Q-koorts nog steeds een voldoende graad van ernst vertoont.

Er wordt niet aangetoond dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een risico op ernstige nadelen of onherroepelijke schade met zich meebrengt, zodat een schorsing zich reeds opdringt.

Ten slotte wordt opgemerkt dat mogelijke geur- en lawaaihinder in het kader van de spoedeisendheid niet concreet wordt uitgewerkt.

Er is geen spoedeisendheid voorhanden.

VII-39.674-9/10

BESLISSING

1. Het verzoek van Christian Van Summeren tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.674-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.960