Court dismisses request to suspend expropriation enforcement due to lack of proven urgency.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of a ministerial decision ordering the immediate expropriation of their property. The applicants argued that the expropriation threatened their business operations and hindered sales negotiations, but the court found these arguments too general and not concretely supported by specific evidence of imminent harm. Consequently, the court ruled that the applicants failed to meet the statutory requirement of proving urgency, which is a necessary condition for granting a suspension order.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 17, § 1 of the Laws on the Council of State; A suspension of enforcement may only be ordered if the applicant proves that the case is urgent and that the consequences of enforcement would cause them specific, concrete harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
nr. 235.792 van 19 september 2016
in de zaak A. 219.669/X-16.673.
In zake : 1. Harry VANDERSTAPPEN
2. Catherine VANDERSTAPPEN
3. Filip VANDERSTAPPEN
4. de NV HARRY VANDERSTAPPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carl Keirsmaekers kantoor houdend te 2860 Sint-Katelijne-Waver Stationsstraat 125
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 7 juli 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn dd. 31 maart 2016 waarbij beslist wordt dat in het algemeen belang voor de herinrichting van het kruispunt R6-N1 Antwerpsesteenweg de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Mechelen en Sint-Katelijne-
Waver onmiddellijk in bezit moeten worden genomen, zoals deze geel worden ingekleurd op de bijgaande door de Minister ondertekende plannen 1M3D8E G
22017 02 en 1M3D8E G 22018 02”.
X-16.673-1/6
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2016.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jurgen Vervaeck, die loco advocaat Carl Keirsmaekers verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Katrien Dams, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De verzoekende partijen stellen eigenaar te zijn van vier percelen langs de Antwerpsesteenweg te Sint-Katelijne-Waver (hierna: de percelen van de verzoekende partijen).
4. In het kader van het programma voor het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken in Vlaanderen stelt de Provinciale Audit Commissie op 22 januari 2004 een startnota op die betrekking heeft op drie projecten betreffende de R6 (ring rond Mechelen). Eén van deze drie projecten
X-16.673-2/6
betreft de aansluiting van de Antwerpsesteenweg (N1) op de noordelijke ring (R6).
5.1. Op 31 maart 2016 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn dat, in het algemeen belang, voor de inrichting van het kruispunt R6-N1
Antwerpsesteenweg, de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Mechelen en Sint-Katelijne-Waver (en die in de bijgevoegde onteigeningsplannen in het geel zijn ingekleurd) onmiddellijk in bezit moeten worden genomen. De minister beslist om te onteigenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’.
Dit is het bestreden besluit.
5.2. Op het bij het bestreden besluit horende onteigeningsplan zijn de percelen van de verzoekende partijen aangeduid als de innemingen 4bis, 5bis, 6bis en 11bis. Om een fietspad aan te kunnen leggen wordt op de percelen van de verzoekende partijen voorzien in de onteigening van een strook met een breedte van 5 meter onmiddellijk achter de gracht langs de Antwerpsesteenweg. Blijkens het plan van de bestaande toestand bevinden er zich binnen deze strook geen gebouwen.
IV. Schorsingsvoorwaarden
6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
X-16.673-3/6
V. Spoedeisendheid
De aangevoerde spoedeisendheid
7. De verzoekende partijen benadrukken vooreerst dat het bestreden besluit een onteigeningsdreiging genereert die op zich reeds een ernstig nadeel vormt. Door het bestreden besluit te schorsen kan een dagvaarding in de onteigeningsprocedure worden vermeden.
Verder wijzen de verzoekende partijen er op dat ter plaatse het aannemingsbedrijf Vanderstappen wordt uitgebaat. In de te onteigenen strook van het bedrijfsterrein bevindt zich de afsluiting. Door de onteigening zal die afsluiting moeten verdwijnen, en zullen waardevolle materialen niet meer tegen diefstal beschermd zijn. Dit vormt een ernstig nadeel voor de vierde verzoekende partij.
Beoordeling
8.1. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.
8.2. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de eigen zaak, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.
8.3. Er kan in beginsel alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken werd uiteengezet en gestaafd.
X-16.673-4/6
9. Ter terechtzitting halen de verzoekende partijen het argument aan dat het bestreden besluit hun onderhandelingen voor de verkoop van een deel van hun percelen aan een geïnteresseerde buur bemoeilijkt. Er blijkt geen reden waarom dit argument niet reeds in het verzoekschrift kon worden aangevoerd, zodat er om de in randnummer 8.3 genoemde reden geen rekening mee kan worden gehouden.
10. Met de algemene, niet-geconcretiseerde stelling dat het bestreden besluit een onteigeningsdreiging genereert herinneren de verzoekende partijen alleen aan de strekking van dit besluit maar beargumenteren zij niet in concreto de spoedeisendheid.
11. Het bestreden besluit beslist alleen dat welbepaalde onroerende goederen onmiddellijk in bezit moeten worden genomen en onteigend. Het houdt als zodanig geen beslissing in tot het uitvoeren of vergunnen van welbepaalde werken. De verzoekende partijen tonen dan ook niet concreet aan dat de verwijdering van de bestaande afsluiting van het bedrijfsterrein zo imminent zou zijn dat een uitspraak over het annulatieberoep niet voordien verwacht zou mogen worden.
De verwerende partij merkt terecht op dat de verzoekende partijen pas uit hun eigendom zullen worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. Die onteigening kan door de vrederechter slechts worden uitgesproken nadat hij het onteigeningsbesluit op zowel zijn externe als zijn interne wettigheid heeft getoetst. Deze wettigheidscontrole is door het Grondwettelijk Hof evenwaardig bevonden aan de controle waartoe de Raad van State kan overgaan. Met andere woorden zullen de verzoekende partijen hun wettigheidsbezwaren nog voor de vrederechter kunnen doen gelden.
De vrederechter zal er uitspraak over moeten doen en, als ze gegrond worden bevonden, zal het verlies van hun eigendom alsnog zijn afgewend.
12. De verzoekende partijen slagen er niet in om van de urgentie van de zaak te overtuigen.
X-16.673-5/6
13. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien september 2016, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Jan Clement, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Jan Clement
X-16.673-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.792