Court dismisses urgent injunction request against beach event due to lack of proven urgent necessity and diligence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent injunction to suspend the municipality's decision permitting a beach polo event. The applicant failed to demonstrate that the event caused irreparable harm or that waiting for the event's conclusion would result in significant loss, noting he had known of the event months prior. Consequently, the court found the threshold for urgent necessity was not met and dismissed the claim while allowing a third party to intervene.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 8, 1st paragraph, 5° and 10, 1st paragraph, of the Code of Civil Procedure; An urgent injunction requires proof of irreparable harm and urgent necessity, which is absent if the applicant knew of the facts long before filing and can wait for the event to conclude.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 235.522 van 16 juli 2016
in de zaak A. 219.742/X-16.683
In zake: Eric NEYRINCK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Van Grieken kantoor houdend te 2970s’ Gravenwezel Wijnegemsteenweg 83-85
bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7
tegen:
de GEMEENTE KNOKKE-HEIST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Lies du Gardein kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
Philippe VERLINDEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 15 juli 2016, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de gemeente Knokke-Heist van 15 juli 2016 waarbij
X-16.683-1/12
toelating wordt verleend aan Philippe Verlinden “om op 15-17/07/2016 de Scapa Sports Beach Polo te organiseren op strand t.h.v. de Meerlaan met inbegrip van het speelveld en een feesttent”.
Verzoeker vordert tevens dat de Raad van State aan de verwerende partij zou bevelen om het speelveld en de feesttent voor het evenement ‘Scapa Sports Beach Polo’geheel te verwijderen van het strand binnen 24 uur na de kennisgeving van het arrest houdende schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van 25.000 euro.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeftPhilippe Verlinden gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juli 2016, om 11 uur.
Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partij,advocaat Lies du Gardein, in eigen naam en loco advocaat Pieter-Jan Defoort, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Katrien Dams en advocaat Sven Vernaillen, die verschijnen voor de tussenkomende partij,zijn gehoord.
X-16.683-2/12
Eerste auditeur Marijke Van Limbergenheeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Met een dagvaarding van 22 juni 2016 vordert verzoekers raadsman voor de kortgedingrechter te Brugge om de gemeente Knokke-Heist “te veroordelen [...] tot het naleven van alle reglementaire en wettelijke bepalingen betreffende het haar in concessie gegeven openbaar domein, meer in het bijzonder doch niet limitatief de bepalingen van het provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Strand en dijk Knokke-Heist’, goedgekeurd bij Ministerieel besluit van 29 augustus 2013 (BS 17 september 2013), en dit op straffe van een dwangsom van 5000 EUR per inbreuk en per dag na betekening van de tussen te komen beschikking.”
Deze zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 22 juli 2016.
3.2. In een e-mail van 11 juli 2016 schrijftverzoekers raadsman aan de gemeente:
“Ik kom terug op de zaak in rand.
Gelieve in bijlage 2 foto’s terug te vinden van de opbouw van de tent die wellicht voor het SCAPABEACH POLO evenement van 15 tot 17 juli opgericht wordt.
De eerste foto werd vrijdag, 8 juli 2016 getrokken, de tweede dateert van deze ochtend. Mag ik vriendelijk vragen om mij een kopij van de vergunning te bezorgen.”
X-16.683-3/12
3.3. Dezelfde dag ontvangt verzoekers raadsman per e-mail de volgende beslissing van 1 juli 2016 van de burgemeester van de gemeente Knokke-Heist:
“‘Vrijetijd – Openluchtevenementen –Inname strand t.h.v. Meerlaan voor Scapa Sports Beach Polo’ De burgemeester, Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, in het bijzonder op de artikelen 133 en 135;
Gelet op de politieverordening op openbare en publicitaire activiteiten van 25 juni 2009;
Gelet op de aanvraag van [P.V.], van 4/04/2016 om op 15-17/07/2016 de Scapa Sports Beach Polo te organiseren op strand t.h.v. de Meerlaan met inbegrip van het speelveld en een feesttent Overwegende dat voor alle openbare en publicitaire activiteiten die tijdelijk gebruik maken van het openbaar domein van de overheid op het grondgebied van de gemeente Knokke-Heist een vergunning dient te worden aangevraagd;
Gelet op het gunstig advies van de dienst Vrijetijd Openluchtanimatie voor de organisatie van dit evenement ;
BESLUIT :
Artikel 1
De Burgemeester verleent toelating aan [P.V.] om op 15-17/07/2016 de Scapa Sports Beach Polo te organiseren op strand t.h.v. de Meerlaan met inbegrip van het speelveld en een feesttent Artikel 2
Dat besluit wordt overgemaakt aan :
- De aanvrager - Dienst Politie.”
3.4. Verzoeker vordert op 12 juli 2016 de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 1 juli 2016 alsook dat de Raad van State aan de verwerende partij zou bevelen om het speelveld en de feesttent voor het evenement ‘Scapa Sports Beach Polo’geheel te verwijderen van het strand binnen 24 uur na de kennisgeving van het arrest houdende schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van 25.000 euro, zaak gekend onder het rolnummer A. 219.696/X-16.677.
3.5. Bij beslissing van de burgemeester van de verwerende partij van 14 juli 2016 wordt de beslissing van 1 juli 2016 ingetrokken.
X-16.683-4/12
3.6. Bij arrest nr. 235.513 van 15 juli 2016 verwerpt de Raad van State de vordering.
3.7. Bij beslissing van de burgemeester van de verwerende partij van 15 juli 2016 wordt aan Philippe Verlinden de toelating verleend “om op 15-17/07/2016 de Scapa Sports Beach Polo te organiseren op strand t.h.v. de Meerlaan met inbegrip van het speelveld en een feesttent”.Dit is de thans bestreden beslissing.
Ze luidt onder meer:
“Overwegende dat de aangevraagde inname in functie staat van de organisatie van een strandpolo-event. In het kader hiervan worden een aantal constructies voorzien (speelveld, feesttent edm.);
Overwegende dat het plaatsen van constructies van tijdelijke aard in functie van evenementen tijdens de zomermaanden specifiek is geregeld in het artikel 14, §4, 1° van het provinciaal RUP ‘Strand en Dijk’.
Volgens het artikel 14, § 4, 1° is het plaatsen van constructies toegelaten onder de volgende voorwaarden:
De constructies hebben een tijdelijk karakter.
De constructies worden geplaatst tijdens het zomerseizoen.
De constructies worden geplaatst in functie van een openluchtevenement.
De constructies zijn ondersteunend aan dit openluchtevenement;
Overwegende dat de constructies bij het geplande evenement voldoen aan deze voorwaarden; dat de constructies slechts tijdelijk en op […] bepaalde ogenblikken in de zomermaanden worden geplaatst (m.n. 15-17/07/2016);
dat de constructies kaderen in strandpolo-evenement en als doel dit evenement te faciliteren.”
IV. Tussenkomst
4. De bestreden toelating is verleend aan Philippe Verlinden. Hij heeft belang bij de uitkomst van de vordering, zodat er grond is zijn verzoek in te willigen.
X-16.683-5/12
V.Schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VI. Nopens de uiterst dringende noodzakelijkheid
6.1. Verzoeker betoogt dat zijn vordering “spoedeisend” is. Hij merkt op dat de “bewoners van de huizen in de omgeving van de Meerlaan”regelmatig worden geconfronteerd met “evenementen die het normaal genot op het strand verhinderen” – thans het Scapa-evenement – en dat dergelijke evenementen zijn afgelopen alvorens een normale annulatieprocedure is doorlopen. Het beroep op de spoedeisendheid weigeren betekent volgens verzoeker dat de benadeelde belanghebbende telkens de onwettige evenementen moet ondergaan.
Voorts voert verzoeker aan dat het beroep op de uiterst dringende noodzakelijkheid eveneens verantwoord is. Dienaangaande betoogt hij:
“Met een dagvaarding in (burgerlijk) kortgeding dd. 22 juni 2016 vordert Mter Van Grieken namens E. Neyrinck voormeld om de Gemeente ‘te veroordelen (...) tot het naleven van alle reglementaire en wettelijke bepalingen betreffende het haar in concessie gegeven openbaar domein, meer in het bijzonder doch niet limitatief de bepalingen van het provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Strand en dijk Knokke-Heist’, goedgekeurd bij Ministerieel besluit van 29 augustus 2013 (BS 17 september 2013), en dit op straffe van een dwangsom van 5000 EUR per inbreuk en per dag na betekening van de tussen te komen beschikking.’ De rechter is de Voorzitter van de Rechtbank van eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zetelend in kortgeding, Vakantiezitting.
De zitting werd vastgesteld op vrijdag 8 juli 2016. Op verzoek van de Gemeente Knokke-Heist werd de zitting uitgesteld tot de zitting van 22 juli 2016.
X-16.683-6/12
Op 1 juli 2016 had de Burgemeester ondertussen de thans betwiste vergunning afgeleverd.
Op 11 juli 2016 werden werken uitgevoerd ter voorbereiding van het Scapa-evenement.
Hiermee geconfronteerd, heeft verweerders raadsman aan verzoekers raadsman de Scapa-toelating meegedeeld op 11 juli 2016.
Door heden huidig verzoekschrift in te dienen verantwoordt verzoeker dus het beroep op de UDN.
Vermits de bestreden beslissing geldt voor een evenement, ingericht op 15-16-17 juli 2016, is het beroep op de UDN des te meer verantwoord.
Tenslotte kan een gewoon administratief […] kortgeding, afgehandeld binnen een ordetermijn van 45 dagen of 2 maanden in casu weinig soelaas brengen, omdat ingevolge de afloop van het evenement het belang tot de schorsing op dat ogenblik niet meer vaststaat.”
6.2. Ter terechtzitting vult de raadsman van verzoeker dit betoog aan.
Hij merkt hierbij op dat, aangezien hij op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift niet op de hoogte was van het arrest nr. 235.513 waarin zijn betoog dat identiek is aan het hier aangevoerde, werd verworpen, hij niet in de mogelijkheid heeft verkeerd om dit betoog in functie van dit arrest in het verzoekschrift aan te vullen.
Beoordeling
7. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringendenoodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop vande rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoekvan de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van deverdediging van de verwerende partij en de eventueel tussenkomende partij(en) aanzienlijk in het gedrang.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden toegelaten in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift
X-16.683-7/12
waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuit-
voerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13).
8.1. Uit wat voorafgaat volgt aldus dat een verzoekende partij die zich met goed gevolg op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wil beroepen ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift een uiteenzetting op te nemen die betrekking heeft op de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige
X-16.683-8/12
gegevens uitlegt welke de onherroepelijke schadelijke gevolgen zijn die haar ertoe nopen de behandeling van de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vragen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid van de zaak wordt niet vermoed, ongeacht de aard van de bestreden beslissing en de gevolgen die de tenuitvoerlegging van deze beslissing voor de betrokkene kan hebben.
8.2. De toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan bovendien enkel worden aanvaard indien de verzoekende partij al het nodige heeft gedaan om de onherroepelijke schadelijke gevolgen waarvan zij gewag maakt, te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden.
9. De raadslieden van de partijen werden, zo lijkt, in de loop de namiddag van 15 juli 2016 per e-mailbericht door de griffie van de Raad van State in kennis gesteld van het tussengekomen arrest met nr. 235.513. Op het eerste gezicht werd dit bericht verstuurd vooraleer verzoeker zijn huidig verzoekschrift heeft ingediend.
Voorts moet er ten overvloede worden op gewezen dat los van de vraag of de raadsman van verzoeker kennis had van dit arrest vooraleer hij huidige vordering heeft ingediend, een verzoekende partij hoe dan ook in haar verzoekschrift zelf die elementen moet bijbrengen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering kunnen verantwoorden. In die zin kan in beginsel niet worden aanvaard dat zij ter terechtzitting haar betoog in haar verzoekschrift aanvult of wijzigt.
Er zal hierna dan ook enkel rekening worden gehouden met de elementen die verzoeker in zijn verzoekschrift zelf heeft bijgebracht.
10.1. Uit het verzoekschrift blijkt genoegzaam dat verzoeker niet is opgezet met de organisatie van het evenement en in het bijzonder met de
X-16.683-9/12
constructies die in het kader van dat evenement op het strand zijn opgetrokken. Er moet evenwel worden vastgesteld dat verzoeker zich in zijn uiteenzetting over de uiterst dringende noodzakelijkheid beperkt tot de – terechte –opmerkingdat het doorlopen van een gewone schorsings- of annulatieprocedure hem niet zal toelaten een arrest te verkrijgen voordat het evenement is afgelopen. Zoals zo-even uiteengezet volstaat dit echter op zich niet om aan te nemen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Dat een beslissing slechts een beperkte uitwerking in de tijd heeft, volstaat op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen.
Voor het overige maakt verzoeker helemaal geen gewag van enige onherroepelijke schadelijke gevolgen die hem ertoe brengen een beroep te doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.De enige concretisering die in zijn uiteenzetting is te lezen, is de vaststelling dat het evenement “het normaal genot op het strand” verhindert voor de bewoners van de huizen in de omgeving van de Meerlaan. De Raad wil nog aannemen dat verzoeker zo een bewoner is. Verzoeker licht evenwel niet toe welk “normaal genot” hij had gepland in de periode van het evenement (15-17 juli 2016), waarom hij dit “normaal genot” precies op de plaats van het evenement wil en mag opeisen en er elders op het strand niet evenzeer te genieten is en waarom hij onherroepelijke schade zou lijden nu hij dit “normaal genot” van het strand op de bewuste locatie moet derven.
10.2. Daarenboven blijkt dat verzoeker met zijn vordering voor de civiele rechter aantoont dat hij reeds op 22 juni 2016 – of zelfs eerder, de tussenkomende partij verklaart dat het evenement reedsin de loop van de maand april is aangekondigd– feitelijke kennis gehad moet hebben van de organisatie van het evenement. De vraag rijst of het wel strookt met de diligentie die van verzoeker wordt verwacht, dat hij vervolgens de start van werken voor het evenement afwacht om vorderingen bij de Raad van State in te stellen. Gelet op wat reeds hiervóór is overwogen, behoeft die vraag geen antwoord.
X-16.683-10/12
10.3. De uiterst dringende noodzakelijkheid is hier niet aangetoond.
VII. Voorlopige maatregelen
11. Verzoeker laat na om overeenkomstig artikel 8, eerste lid, 5°, van het procedurereglement kortgeding een uiteenzetting te geven van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om zijn belangen te vrijwaren. Voor zover de uiteenzetting van de spoedeisendheid en de uiterst dringende noodzakelijkheid hiervoor moet doorgaan, overtuigt ze om dezelfde reden niet de vordering in te willigen.
BESLISSING
1. Het verzoek van Philippe Verlinden tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vorderingen.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro,en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
X-16.683-11/12
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juli 2016, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Pierre Barra, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf PierreBarra
X-16.683-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.522