Cassation appeal dismissed; applicant failed to prove procedural violation regarding new elements in refugee status revocation. The Court held that the applicant had effectively contested the new elements during the subsequent review proceedings. Consequently, the irregularity did not affect the final decision by the Council of State.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation dismissed the applicant's appeal against the Council of State's decision to revoke her refugee status. The applicant argued that the lower court violated procedural rules by not informing her of new elements before the revocation decision. However, the Court found that the applicant had already contested these specific elements during her appeal to the Council of State, which made a separate challenge to the initial administrative facts unnecessary. Therefore, the procedural irregularity was deemed irrelevant to the final outcome.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 35/1 and 35/3 of the Royal Decree of 11 July 2003; The failure to inform an applicant of new elements prior to revocation does not invalidate the subsequent review decision if the applicant effectively contested those elements in the review proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 235.348 van 5 juli 2016
in de zaak A. 215.501/XIV-36.353
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat RafJespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
kantoor houdend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 26 A
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 april 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 140.442 van 6 maart 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.293 van 13 mei 2015.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeksterheeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-36.353-1/9
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat RafJespers,dieverschijnt voor verzoekster, is gehoord.
AuditeurBarbara Speybrouck heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is België binnengekomen op 8 oktober 2012 en heeft op 9 oktober 2012een asielaanvraag ingediend. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft op 25 oktober 2012verzoekster erkend als vluchteling.
3.2. Op 21 augustus 2014 neemt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatusin hoofde van verzoekster.
Verzoekster tekent tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 23 september 2014. Met een arrest van 6 maart 2015 bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing
XIV-36.353-2/9
houdende intrekking van de vluchtelingenstatus en weigert hij de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoekster. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeksterwerpt in een tweede middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 35/1, 35/2 en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003).
Verzoekster neemt het middel over van haar echtgenoot Armando Onuzi in de zaak 215.500/XIV-36.352. Zij citeert de artikelen 35/1
en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 en voert aan dat deze bepalingen zijn geschonden met het bestreden arrest “daar in de oproep tot gehoor nergens de redenen tot heroverweging zijn opgenomen, laat staan op afdoende wijze zijn opgenomen”. De in artikel 35/1 bedoelde “redenen voor deze heroverweging”
moeten uitdrukkelijk worden vermeld in de oproeping en het gebruik van een sibillijns begrip zoals “nieuw element” volstaat daartoe niet. Volgens verzoekster blijkt dit des te meer omdat in artikel 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 wordt aangeduid dat “de betrokkene op de dag van het gehoor alle elementen ter staving van zijn standpunt dient mee te brengen”, wat evident onmogelijk is op basis van de “aanstipping” dat er een “nieuw element” is. De redengeving moet in de oproeping staan en het volstaat niet ze te “onthullen” post factum tijdens het gehoor zelf, zoals te dezen is gebeurd. Al heeft een arrest op zich geen precedentswaarde, verzoekster wijst op de gelijklopendheid met het door haar geciteerde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 122.003 van 31 maart 2014 waarmee een beslissing van de commissaris-generaal voor de
XIV-36.353-3/9
vluchtelingen en de staatlozen werd vernietigd omdat uit de oproeping “de redenen voor deze heroverweging in de zin van artikel 35/1 en 35/3 van het bovenvermeld KB van 11 juli 2003” niet zijn af te leiden.
5. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat het citaat in de memorie van antwoord uit de oproepingsbrief aan verzoekster niet is opgenomen in het bestreden arrest en niet post factum kan worden aanvaardals een afdoende motief van dat arrest .
In ondergeschikte orde zet verzoekster uiteen waarom het bestreden arrest “in twee opzichten” een schending van de artikelen 35/1 en 35/3
van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 inhoudt.
In de eerste plaats merkt zij op dat het bestreden arrest ten onrechte aanvaardt dat de oproeping voldoet aan de vereisten van de meergenoemde artikelen 35/1 en 35/3. De opname in de oproepingsbrief “dat uit dit nieuwe element blijkt dat u de vluchtelingenstatus werd toegekend op grond van feiten die u verkeerd zou hebben weergegeven of achtergehouden, op grond van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de toekenning van de status”, beantwoordt niet aan de vereiste dat de redenen voor de heroverweging moeten worden vermeld doch vormt slechts een onvolledige weergave van de tekst van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet. De redenen voor de heroverweging moeten concreet en specifiek op de zaak betrokken zijn en op voorhand worden meegedeeld. Eveneens ten overvloede merkt verzoekster nog op dat het hiervoor geciteerde onderdeel van de oproepingsbrief zelfs niet van toepassing is op haar vermits de intrekking niet is gesteund op verkeerd weergegeven feiten of op valse verklaringen of documenten, maar op verzoeksters “persoonlijk later gedrag van verzoekende partij dat erop wijst dat zij geen vervolging vreest”, zoals wordt vastgesteld in punt 2.2.6 van het arrest betreffende haar echtgenoot, dat in het bestreden arrest is overgenomen.
XIV-36.353-4/9
In de tweede plaats merkt verzoekster op dat het argument in het bestreden arrest dat bij de aanvang van het gehoor “nogmaals werd aangestipt” dat er een nieuw element was waarover verzoekster ging worden gehoord, geen antwoord vormt op de ingeroepen schending van artikel 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003. Dit betreft immers de vereisten van de oproepingsbrief zelf, die niet post factum kunnen worden rechtgezet. Verzoekster nuanceert ook de stelling in de memorie van antwoord dat de jurisdictionele motiveringsplicht enkel van formele aard is. Te dezen acht zij de motiveringsplicht geschonden omdat uit het beweerde aanstippen van een nieuw element bij het begin van verzoeksters gehoor niet kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden van de artikelen 35/1
en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 is voldaan zonder aan te geven uit welk element van het administratief dossier dat zou blijken en zonder dat er enig verband bestaat tussen dat feitelijk gegeven en de voorwaarden van het koninklijk besluit. Het gaat dan telkens om een deductiefout. Ook het motief dat een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen precedentswaarde heeft, volstaat niet in het licht van de door verzoekster ontwikkelde argumentatie.
Beoordeling
6. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze artikel 35/2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk.
7. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Enkel een gemis
XIV-36.353-5/9
aan motivering of de daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
In het bestreden arrest betreffende verzoeksters echtgenoot, dat in het bestreden arrest is overgenomen, wordt onder meer het volgende overwogen:
“2.2.5. Daar waar verzoekende partij stelt dat de artikelen 35/1, 35/2 en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet werden nageleefd en dat ook tijdens haar gehoor verzoekende partij er niet op gewezen werd dat zij gehoord werd wegens een mogelijke intrekking van haar vluchtelingenstatus, waardoor volgens haar - zij verwijst hieromtrent naar een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - de bestreden beslissing moet worden nietig verklaard, stelt de Raad vast dat dit betoog geenszins kan worden bijgetreden daar uit het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij wel degelijk voorafgaand aan het gehoor op de hoogte werd gebracht dat er een nieuw element is in verband met haar vluchtelingenstatus waarover zij ging ondervraagd worden en dat dit nieuw element de commissaris-generaal ertoe zou kunnen brengen om haar vluchtelingenstatus in te trekken (administratief dossier, stuk 7, oproeping gehoor A. O.). Bij de aanvang van het gehoor van verzoekende partij op het Commissariaat-generaal werd nogmaals aangestipt dat er een nieuw element is waarover zij ging bevraagd worden (administratief dossier, stuk 5, gehoorverslag CGVS A. O. d.d. 13 augustus 2014, p. 1). Ook haar echtgenote werd er bij de aanvang van haar gehoor op het Commissariaat-generaal op gewezen dat er een nieuw element is waarover zij ging bevraagd worden (administratief dossier, stuk 5, gehoorverslag CGVS I. O. d.d. 13 augustus 2014, p. 1). De Raad merkt ten slotte nog op dat arresten van de Raad geen precedentwaarde hebben en elke asielaanvraag individueel dient te worden onderzocht. Bovendien toont verzoekende partij niet aan dat de gegevens die aan de basis liggen van het arrest nr.
122 003 van 13 maart 2014 gelijklopend zijn aan deze voorliggend in onderhavige procedure.”
Met die motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom hij de door verzoekster aangehaalde bepalingen uit het koninklijk besluit van 11 juli 2003 niet geschonden acht en waarom het door verzoekster aangehaalde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in aanmerking wordt genomen. Die motieven laten verzoekster toe te begrijpen op welke redenen het bestreden arrest is gesteund. Verzoeksters kritiek dat een bepaald motief “faalt” en dat een door haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingeroepen arrest wel relevant is voor de beoordeling van de zaak, betreft de inhoud van de motieven en houdt derhalve geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht. Met de in de
XIV-36.353-6/9
memorie van wederantwoord “in ondergeschikte orde” ontwikkelde argumentatie betreffende de voorgehouden schending van de jurisdictionele motiveringsplicht kan geen rekening worden gehouden vermits het een uitbreiding van het middel betreft en niet blijkt dat verzoekster deze kritiek niet in het verzoekschrift tot cassatie kon uiteenzetten.
Het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
8. De artikelen 35/1 en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 hebben enkel betrekking op de procedure voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Te dezen heeft de Raadvoor Vreemdelingenbetwistingen met hervormingsbevoegdheid uitspraak gedaan over verzoeksters beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Waar verzoekster aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft gesteld dat zij“wel degelijk voorafgaand aan het gehoor op de hoogte werd gebracht dat er een nieuw element is in verband met haar vluchtelingenstatus waarover zij ondervraagd ging worden en dat dit nieuw element de commissaris-generaal ertoe zou kunnen brengen om haar vluchtelingenstatus in te trekken”, gaat zij eraan voorbij dat zij voor de Raad voorVreemdelingenbetwistingen de elementen waarop de aanvankelijk bestreden beslissing werd gesteund heeft aangehaald en aangevochten en dit in het kader van haar beroep waarover in het bestreden arrest met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan. De rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is aldus in de plaats gekomen van de administratieve procedure voor de commissaris-generaal. Verzoekster geeft niet aan dat zij de in de aanvankelijk bestreden beslissing vastgestelde nieuwe elementenen de beoordeling daarvan niet naar behoren heeft kunnen aanvechten.
Nu verzoekster zich in het kader van haar beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft kunnen verweren tegen de kwestieuze elementen en daarover ten gronde uitspraak is gedaan, heeft zij geen belang om zich tegen de vaststelling van die elementen in de aanvankelijk bestreden beslissing te verzetten, zonder dat zij vooraf in kennis werd gesteld van die
XIV-36.353-7/9
elementen. Zelfs al zouden de artikelen35/1 en 35/3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 met de aanvankelijk bestreden beslissing zijn geschonden door een beslissing te nemen zonder verzoekster vooraf in kennis te stellen van de nieuwe elementen die tot intrekking van haar vluchtelingenstatus zouden kunnen leiden, dan kan deze onregelmatigheid het bestreden arrest niet aantasten vermits dit arrest in de plaats van de aanvankelijk bestreden beslissing is gekomen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak heeft gedaan nadat verzoekster ten gronde haar opmerkingen betreffende de in aanmerking genomen nieuwe elementen heeft kunnen uiteenzetten. Verzoekster laat ook niet gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen andere elementen in aanmerking heeft genomen dan deze die uit de aanvankelijk bestreden beslissing blijken en waarvan verzoekster dus kennis had bij het instellen van haar beroep.
Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk.
9. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.
10. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het tweede middel. Het onderzoek van de zaak moet worden voortgezet.
BESLISSING
1. Het debat wordt heropend.
2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordtgelast met het aanvullend onderzoek.
XIV-36.353-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.353-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.348