Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.303 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.303 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for prison disciplinary sanction as execution already completed.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.303
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of a prison disciplinary sanction under the doctrine of extreme urgency. The court found that the sanction had already been fully executed by the deadline, rendering any future suspension legally impossible. Consequently, the applicant failed to meet the statutory requirement of demonstrating extreme urgency necessary to halt an already completed administrative act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: A suspension of execution based on extreme urgency is only possible if the act has not yet been fully executed; once execution is complete, the request is inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
extreme urgency suspension of execution prison disciplinary sanction completed execution Council of State administrative law inadmissible request régime pénitentiaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 235.303 van 30 juni 2016

in de zaak A. 219.581/XIV-37.097

In zake: Olaf PHILIPPAERTS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nadia Lorenzetti kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 87

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld met een ter post aangetekende brief van 25 juni 2016, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge […] van 21.06.2016 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 1 week ATV met inbegrip van de voorlopige maatregel van 19/06/2016

om 17:45 uur tot en met 26/06/2016 om 17:45 uur.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016, om 11.00 uur.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

XIV-37.097-1/5

Advocaat Sander Claeys, die loco advocaat Nadia Lorenzetti verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Brugge.

Op 21 juni 2016 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van één week afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte vanaf 19 juni 2016 om 17.45u tot en met 26 juni 2016 om 17.45u. Dit is de bestreden beslissing.

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

XIV-37.097-2/5

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van verzoeker

5. Verzoeker voert onder het kopje “V. Uiterst dringende nood-

zakelijkheid” aan dat de gevraagde schorsing uiterst dringend is omdat de voorlopige maatregel van 19 juni 2016 per 21 juni 2016 wordt omgezet in een effectieve maatregel. Hij wijst erop dat men in vaste rechtspraak wordt geacht diligent te zijn geweest wanneer de vordering is ingediend binnen de vijf dagen, hetgeen te dezen is gebeurd.

Onder het kopje “IV. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel” voert verzoeker aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn rechten in de gevangenis aanzienlijk beperkt. Verzoeker verblijft al enige tijd in voorlopige hechtenis en hij riskeert een zware gevangenisstraf. Zijn tuchtsanctie zal repercussies hebben op het proces ten gronde dan wel op de latere strafuitvoering. Verzoekers sociale contacten met zowel medegedetineerden als familieleden en vrienden worden ernstig beperkt, hetgeen gevolgen heeft voor zijn psychisch welzijn. Tot slot wordt verzoekers rechtvaardigheidsgevoel ernstig aangetast omdat hij zich steeds weer niet geloofd voelt en hij ervan overtuigd is dat de directie van slechte wil is.

Beoordeling

6. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid, heeft enkel uitwerking voor de toekomst en ze kan een verzoeker niet meer behoeden voor reeds geleden schade. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging die reeds is voltooid, niet meer ongedaan kan worden gemaakt door een te bevelen vordering tot schorsing, ook niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

XIV-37.097-3/5

Te dezen blijkt dat de bestreden beslissing volledige uitwerking heeft gehad op 26 juni 2016. De tenuitvoerlegging heeft een einde genomen en kan bijgevolg niet meer worden geschorst.

Wat betreft de door verzoeker aangehaalde mogelijke gevolgen van de opgelegde tuchtsanctie voor de beoordeling van zijn strafzaak ten gronde en voor de eventuele latere strafuitvoering, volstaat de vaststelling dat het om puur hypothetische gevolgen gaat, temeer daar verzoeker thans nog in voorlopige hechtenis zit. Een eventuele aantasting van verzoekers rechtvaardigheidsgevoel kan gebeurlijk met een vernietigingsarrest worden hersteld.

In het licht van de voornoemde vaststellingen is de vraag of verzoeker al dan niet diligent heeft gereageerd, niet relevant.

Verzoeker voert geen andere elementen aan, zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond.

VI. Conclusie

7. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.

Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

XIV-37.097-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend zestien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.

De griffier De voorzitter

Nick Hollevoet Carlo Adams

XIV-37.097-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.303