Belgian court dismisses Greenpeace's appeal against nuclear transport permit due to procedural time bar.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed Greenpeace's appeal against a Belgian nuclear transport permit, ruling it was time-barred. Greenpeace argued they lacked knowledge of the permit, but the court found their email inquiry insufficient to establish actual notice. Consequently, the court ordered a supplementary investigation into the precise timing of the party's knowledge.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17 and 18 of the Act of 23 August 1948 on the administration of justice; A party must have actual knowledge of a permit's existence, nature, and scope to start the appeal period, and mere suspicion or a request for a copy does not constitute sufficient knowledge.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 234.783 van 19 mei 2016
in de zaak A. 212.654/VII-39.134.
In zake : de VZW GREENPEACE BELGIUM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68-70
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het FEDERAAL AGENTSCHAP
VOOR NUCLEAIRE CONTROLE (FANC)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Guan Schaiko kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. de NV NMBS LOGISTICS, thans de NV B LOGISTICS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Loosveld en Godelieve Swartenbroux kantoor houdend te 1000 Brussel Brederodestraat 13
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de NV ELEKTRICITEITS-PRODUCTIEMAATSCHAPPIJ
ZUID-NEDERLAND, vennootschap naar Nederlands recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
VII-39.134-1/9
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (hierna: FANC) van 4 november 2013 waarbij “de speciale vergunning voor het vervoer per spoor van radioactieve stoffen, met nummer VSS-0001678, wordt afgeleverd”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van respectievelijk 1 september 2014 en 14 oktober 2014. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend.
Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Anouk Janssens, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Melissa Verplancke, die loco advocaat
VII-39.134-2/9
Godelieve Swartenbroux verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Peter Provoost heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De bestreden vergunning kadert in een reeks van internationale transporten van bestraalde splijtstof vanuit de Nederlandse kerncentrale te Borssele naar de opwerkingsfabriek in het Franse La Hague.
3.2. Op 8 december 2010 verlenen de Nederlandse autoriteiten een eerste overbrengingsvergunning. Vervolgens verleent het FANC op 24 december 2010 een vergunning voor “maximaal 10 transporten” van radioactieve stoffen op Belgisch grondgebied gedurende de periode van 1 januari 2011 tot 15 oktober 2013. Deze vergunning wordt opgeheven bij besluit van het FANC van 13 november 2012. Tegelijk wordt een nieuwe overbrengingsvergunning verleend.
Op 17 juni 2013 wordt deze vergunning gewijzigd.
3.3. Deze eerste reeks van tien transporten geven aanleiding tot protesten vanwege de verzoekende partij, alsmede tot een aantal juridische betwistingen voor de justitiële hoven en rechtbanken.
3.4. Op 3 september 2013 wordt een aanvraag ingediend tot verlenging van de op 13 november 2012 verleende speciale vergunning voor het vervoer per spoor van radioactieve stoffen.
VII-39.134-3/9
3.5. Het FANC beslist op 4 november 2013 tot het verlenen van een vergunning voor maximaal tien transporten, geldig tot 31 december 2016.
Dit is de thans bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de partijen
4. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat de bestreden beslissing haar per e-mail werd bezorgd op 3 april 2014, zodat het verzoekschrift tijdig werd ingediend.
5. In een exceptie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij een foutief uitgangspunt hanteert voor de berekening van de beroepstermijn. Doordat de bestreden beslissing niet moest worden bekendgemaakt, noch aan de verzoekende partij ter kennis moest worden gebracht, is de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen ingegaan vanaf de feitelijke kennisname van de bestreden beslissing.
Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, zet de verwerende partij uiteen dat er sprake is van een feitelijke kennisname van zodra de verzoekende partij een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de beslissing, zonder dat het daarbij vereist zou zijn dat de verzoekende partij “de beslissing reeds daadwerkelijk in handen heeft of er de precieze inhoud van kent”. Zij wijst erop reeds op 19 februari 2014 over het eerste transport te hebben bericht op haar website. In een schrijven van 3 maart 2014 stelt de verzoekende partij vervolgens “dat zij ‘recent’ vernomen had dat op ‘18 februari het eerste van een nieuwe reeks transporten van bestraalde splijtstof vanuit de Nederlandse kerncentrale van EPZ te Borssele, via België, naar de opwerkingsfabriek van AREVA in La Hague’ plaatsvond” en dat “het ging om ‘het eerste van een reeks van tien transporten die tot 2016 zullen plaatsvinden’”,
VII-39.134-4/9
waarbij zij verzoekt een kopie over te maken van de vervoersvergunning. De verwerende partij besluit hieruit dat de verzoekende partij minstens op 3 maart 2014, en wellicht nog vroeger, kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden vergunning.
In ondergeschikte orde betoogt de verwerende partij voorts dat de verzoekende partij niet binnen een redelijke termijn nadat zij kon vermoeden dat er een vervoersvergunning was afgeleverd kennis heeft vergaard over het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden vergunning. Immers was het de verzoekende partij genoegzaam bekend dat de Nederlandse autoriteiten op 21 mei 2013 de vereiste overbrengingsvergunning hadden afgeleverd voor de litigieuze transporten van Borssele naar La Hague. Waar de verzoekende partij vervolgens pas op 3 maart 2014 gebruik heeft gemaakt van het recht om een afschrift te verkrijgen van de bestreden vervoersvergunning, meent de verwerende partij dat zij niet de nodige waakzaamheid aan de dag heeft gelegd om tijdig de nodige stappen te ondernemen om kennis te nemen van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissing.
6. De eerste tussenkomende partij sluit zich aan bij de uiteenzetting van de verwerende partij en verwijst bijkomend nog naar het arrest van de Raad van State nr. 162.892 van 28 september 2006.
7. Ook de tweede tussenkomende partij sluit zich aan bij de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van laattijdigheid.
8. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat het bericht op de website van de verwerende partij haar geen voldoende kennis verschaft over het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden vergunning. Het desbetreffende bericht leert haar louter dat het transport heeft plaatsgevonden maar niet of er daarvoor een vergunning is afgeleverd, laat staan welke aard en draagwijdte deze vergunning zou hebben. Zij verwijst naar arrest nr. 211.193 van 11 februari 2011 waarin werd geoordeeld dat het feit dat de
VII-39.134-5/9
vergunning consulteerbaar is op het internet, op zich niet bewijskrachtig is om aan te tonen dat de verzoeker op dat ogenblik kennis had of diende te hebben van het bestaan van de bestreden vergunning. Hetzelfde geldt luidens een ander arrest voor krantenberichten. De verzoekende partij meent dat één en ander kan worden doorgetrokken naar niet-juridische berichten op een website.
Waar zij, minder dan anderhalve week na het website-bericht aan de verwerende partij een schrijven heeft gericht met de vraag om de eventuele vergunning te ontvangen, heeft zij het inzagerecht binnen een redelijke termijn uitgeoefend en bijgevolg de nodige waakzaamheid aan de dag gelegd om tijdig kennis te kunnen nemen van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de aangevochten vergunning.
9. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat niet kan worden aanvaard dat de aanvang van de transporten of de kennisname van de aanvang ervan de termijn om een annulatieberoep in te stellen heeft doen ingaan en dat zij op 3 maart 2014 slechts had vernomen dat er nucleaire transporten zouden plaatsvinden en dus niet dat een transitvergunning werd afgeleverd. Voorts benadrukt zij dat tijdig een verzoek tot inzage werd ingediend. Ook kan niet worden ingezien waarom zij op 3 maart 2014 voldoende kennis zou hebben gehad van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissing. Hoogstens had zij een vermoeden dat een transitvergunning werd verleend. In dit verband wijst de verzoekende partij erop dat “haar beroep slechts zinvol zou zijn op het moment dat zij zou beschikken over de bestreden beslissing”. Zij ontkent reeds vanaf 19 februari 2014 kennis te hebben van de uitvoering van de transporten. Tot slot stelt de verzoekende partij dat een voldoende kennis van de verleende vergunning noodzakelijk is en dat de termijn om beroep in stellen “voldoende ruim moet zijn om […] toe te laten verder kennis te nemen van de volledige inhoud van de bestreden beslissingen om met voldoende kennis van zaken een beroep in te stellen”. De stelling dat het ogenblik waarop een aanvraag tot het verkrijgen van een afschrift van een vergunning wordt ingediend de beroepstermijn bij de Raad van State doet ingaan, is volgens de verzoekende partij niet verenigbaar met het
VII-39.134-6/9
recht op toegang tot de rechter en schaadt de rechtsbescherming.
10. De verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat de Raad van State in het kader van stedenbouwkundige betwistingen meermaals heeft geoordeeld dat het ogenblik waarop een verzoekende partij kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning als aanvang van de beroepstermijn dient te worden genomen. Zij wijst erop dat de verzoekende partij reeds sedert 2010 procedures voert tegen het transport van bestraalde splijtstof van het Nederlandse Borssele naar het Franse La Hague, zodat zij onmogelijk kan beweren op 3 maart 2014 geen kennis te hebben gehad van het bestaan van de vervoersvergunning die deze transporten moet dekken. Aan de rechtsbescherming en het recht op toegang tot de rechter zou geen afbreuk worden gedaan omdat de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen voldoende ruim is om een verzoekende partij toe te laten kennis te nemen van de volledige inhoud van een beslissing, met voldoende kennis van zaken een beroep in te stellen en desgevallend in de loop van de rechtspleging nieuwe middelen aan te voeren.
Beoordeling
11. Luidens artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoekende partij er kennis heeft van gehad.
Opdat de termijn voor een derde belanghebbende zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning die bekendgemaakt noch aan derden betekend moet worden, is vereist dat hij een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte ervan.
VII-39.134-7/9
12. Op 3 maart 2014 heeft de verzoekende partij aan het FANC een e-mail verstuurd met de volgende inhoud:
“[R]ecent vernamen we dat op 18 februari het eerste van een nieuwe reeks transporten van bestraalde splijtstof vanuit de Nederlandse kerncentrale van EPZ te Borssele, via België, naar de opwerkingsfabriek van AREVA in La Hague plaatsvond. Dit was het eerste van een reeks van tien transporten die tot 2016 zullen plaatsvinden.
Graag hadden we een kopie ontvangen van de transitvergunning van dit transport doorheen ons land”.
Uit voormeld bericht kan hoogstens afgeleid worden dat de verzoekende partij een vermoeden had van het bestaan van een vervoersvergunning. Een dergelijk vermoeden staat evenwel niet gelijk met een voldoende kennis omtrent het bestaan van de bestreden beslissing. Het e-mailbericht in kwestie heeft de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen derhalve niet doen ingaan.
13. Uitgaande van de vaststelling dat de oorsprong van het vermoeden van de verzoekende partij teruggaat op een mededeling over de uitvoering van een eerste transport op 18 februari 2014, die het FANC daags nadien via haar website publiek heeft gemaakt, heeft de verzoekende partij niet onredelijk lang gewacht om inzage te krijgen van de bestreden beslissing. In dit verband reikt de plicht tot waakzaamheid van de verzoekende partij niet zover dat zij reeds na de beslissing van de Nederlandse autoriteiten van 21 mei 2013 tot het verlenen van een vergunning voor de overbrenging van de kwestieuze radioactieve stoffen, zelf een onderzoek had moeten instellen naar het bestaan van een vergunning voor het vervoer van deze stoffen over het Belgische grondgebied.
De exceptie wordt niet aangenomen.
VII-39.134-8/9
V. Heropening van het debat
14. Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het onderzoek van de tijdigheid van het beroep, dient het debat te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.134-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.783