Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.820 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.820 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for zoning plan enforcement due to lack of urgent harm or imminent project start.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.820
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the request to suspend the enforcement of the municipal zoning plan and related permits. The applicants failed to demonstrate specific imminent harm or prove that construction works were about to commence, as no permit application had been filed yet. Consequently, the court ruled that the urgency requirement was not met, leading to the dismissal of the suspension claim.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 100 § 1, 2° of the Code of Administrative Justice; Art. 100 § 2 of the Code of Administrative Justice: A suspension request is rejected when the applicant fails to prove imminent harm or the immediate commencement of the contested act's execution.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution urgency requirement zoning plan enforcement imminent harm administrative justice code zone réservée plan de quartier révision du plan d'aménagement

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 100 § 1, 2° of the Code of Administrative Justice
Art. 100 § 2 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. é.820 van 15 februari 2016

in de zaak A. 217.758/X-16.427.

In zake : 1. de BVBA VAN POUCKE PETER

2. Peter VAN POUCKE

3. Sabine TACK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefan Walgraeve kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de GEMEENTE KNOKKE-HEIST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 8310 Assebroek Baron Ruzettelaan 27

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Lies Du Gardein kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4

bij wie woonplaats wordt gekozen 3. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 4 december 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gemeenteraad van Knokke-Heist van 30 april 2015 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Projectzone Elisabethlaan-Heldenplein

X-16.427-1/8

Heist” en van het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-

Vlaanderen van 16 juli 2015 houdende goedkeuring van voormeld gemeentelijk RUP, en van de beslissing van de dienst Mer van 27 juni 2014 waarbij wordt geoordeeld dat de opmaak van een plan-MER niet noodzakelijk is.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Bram De Smet, die loco advocaat Stephan Walgraeve verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jelle Snauwaert, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Lies Du Gardein, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Kristien Vanderheiden, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de derde verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De eerste verzoekende partij is eigenaar van een appartement op de tweede verdieping aan de Knokkestraat 14 te Knokke-Heist.

X-16.427-2/8

Tweede verzoeker en derde verzoekster zijn bewoners van dat appartement.

4. De voormelde eigendom en de ruimere omgeving daarvan bevinden zich volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Brugge-Oostkust in woongebied.

Voor het gebied zijn ook de stedenbouwkundige voorschriften van kracht van het door de deputatie van de provincie West-Vlaanderen op 19

juni 2008 goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringplan “Dorpskern Heist”, alsook van het bij ministerieel besluit van 24 december 1992 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) “Heldenplein”, het bij ministerieel besluit van 27 januari 1993 goedgekeurd BPA “Zeedijk-West” en het bij ministerieel besluit van 13 april 1988 goedgekeurd BPA “Pannestraat”.

Elk van die plannen wordt opgeheven in zoverre de perimeter ervan begrepen is in het bestreden gemeentelijk RUP.

5. Vanuit een visie op de grote structuurbepalende assen en plaatsen op het grondgebied van de gemeente Knokke-Heist en na onderzoek, beslist de eerste verwerende partij om prioritair in te zetten op onder meer de projectzone “Elisabethplein/Heldenplein”.

Voor de voormelde strategische projectzone, waar de onder randnummer 3 vermelde eigendom is gelegen, wil de eerste verwerende partij onder meer de breuklijn van de Elisabethlaan opheffen, en een “baken” plaatsen op het scharnierpunt gevormd door de Kursaalstraat, de Elisabethlaan, het Heldenplein en de Knokkestraat.

6. Op 1 juli 2013 vindt de plenaire vergadering plaats over het voorontwerp van gemeentelijk RUP “Projectzone Elisabethlaan-Heldenplein Heist” (hierna: het gemeentelijk RUP).

X-16.427-3/8

Er wordt een plan-MER-screeningsnota opgesteld, op basis waarvan de dienst Mer op 27 juni 2014 oordeelt dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en er geen noodzaak bestaat om een plan-MER op te maken.

Dit is het derde bestreden besluit.

7. Op 25 september 2014 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast.

Tijdens het openbaar onderzoek dat over het ontwerp van gemeentelijk RUP wordt georganiseerd, worden 40 bezwaren ingediend.

8. Op 2 maart 2015 brengt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro) van de eerste verwerende partij advies uit. De ingediende bezwaren worden behandeld en besproken, en met uitzondering voor een aantal deelaspecten ongegrond bevonden. Mede op basis van de resultaten van een inmiddels door het studiebureau Technum uitgevoerde mobiliteitsstudie, worden door de Gecoro een aantal aanpassingen aan het gemeentelijk RUP gesuggereerd.

9. Op 30 april 2015 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het gemeentelijk RUP definitief vast. De gesuggereerde aanpassingen worden in het plan verwerkt.

Dit is het eerste bestreden besluit.

10. Op 16 juli 2015 keurt de deputatie van de provincie West-

Vlaanderen het gemeentelijk RUP goed.

Dit is het tweede bestreden besluit.

X-16.427-4/8

Van het eerste en het tweede bestreden besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 2015.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

Uiteenzetting

11. De eerste en de derde verwerende partij betwisten in hun nota de ontvankelijkheid van de vordering.

Beoordeling

12. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden zich alleen opdringen indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld mochten zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

13. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

De aangevoerde spoedeisendheid

14. In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen uiteen dat er sprake is van “hoogdringendheid” omdat “de invulling van de projectzone […]

X-16.427-5/8

spoedig zal worden aangevat”, dat het autonoom gemeentebedrijf stadsontwikkeling van de eerste verwerende partij de plannen heeft opgemaakt met de projectontwikkelaar en het architectenbureau, dat het verlenen van een vergunning “slechts [kan] worden voorkomen middels een schorsingsprocedure”, en dat ook de voorzitter van de gemeenteraad heeft bevestigd dat het de bedoeling is de plannen snel uit te voeren. Zij wijzen erop dat “[m]et een [in]

werking zijnd, niet geschorst RUP, […] een stedenbouwkundige vergunning die werd afgeleverd in overeenstemming met de voorschriften van het RUP niet [kan] worden bestreden”.

Beoordeling

15. Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.

Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken werd uiteengezet en gestaafd.

16. Vooreerst dient vastgesteld dat de verzoekende partijen bij de uiteenzetting van de spoedeisendheid van hun vordering niet aangeven welke schade of welk nadeel zij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen vrezen, en die een onmiddellijke beslissing over hun vordering wenselijk zou maken.

17. De omstandigheid dat het gemeentelijk RUP de noodzakelijke rechtsgrond vormt voor het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning voor het voorgenomen stadsontwikkelingsproject, toont op zich de spoedeisendheid van de vordering nog niet aan.

X-16.427-6/8

18. Een eventuele spoedeisendheid zal mogelijk pas ontstaan wanneer een vergunningsaanvraag voor het geviseerde project wordt ingediend of, later nog, wanneer effectief een vergunning voor dit project wordt verleend, en de uitvoering van de geviseerde werken daadwerkelijk een aanvang dreigt te nemen. De verzoekende partijen beweren niet dat reeds een vergunningsaanvraag werd ingediend, en de verwerende partijen spreken dit laatste zelfs uitdrukkelijk tegen. De door de verzoekende partijen geciteerde verklaringen van de voorzitter van de gemeenteraad volstaan evenmin om aan te nemen dat een aanvang van de geviseerde werken nakend zou zijn.

Het staat de verzoekende partijen bovendien vrij om later, wanneer dit laatste het geval zal zijn, een nieuwe schorsingsvordering tegen de bestreden beslissingen in te dienen.

19. Ten overvloede dient nog opgemerkt dat, anders dan de verzoekende partijen dit blijkbaar zien, een vergunning die op grond van het gewestelijk RUP zou worden afgeleverd, wel degelijk in rechte aanvechtbaar zal zijn, waarbij verzoekers de mogelijkheid hebben om de onwettigheid van het gemeentelijk RUP aan te voeren.

20. Gelet op wat voorafgaat, is niet voldaan aan de vereiste van de spoedeisendheid.

Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

X-16.427-7/8

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien februari 2016, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Stephan De Taeye

X-16.427-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.820