Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.776 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.776 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for cattle farm permit denial due to lack of urgency proof.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.776
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a decision denying a cattle farm environmental permit. The applicant argued that the existing permit had expired and that immediate enforcement would cause irreparable harm, but failed to provide concrete evidence of urgency. The court ruled that citing the alleged illegality of the underlying decision does not automatically establish urgency, and since the applicant had not demonstrated an inability to wait for the main proceedings, the request was dismissed.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1, second paragraph; Article 17, § 2, third paragraph of the Rules of Procedure of the Council of State: A request for suspension requires proof of urgency independent of the merits; mere allegations of illegality or potential future enforcement measures do not suffice if the applicant can wait for the main proceedings.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request cattle farm environmental permit Council of State procedure irreparable harm requirement procedural urgency standard autorisation d'exploiter renouvellement de l'autorisation autorisation de séjour échue

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, § 1, second paragraph; Article 17, § 2, third paragraph of the Rules of Procedure of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. é.776 van 9 februari 2016

in de zaak A. 217.521/VII-39.536.

In zake : Florent COOLS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 Brussel Jan Jacobsplein 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 29 oktober 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 augustus 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 12 februari 2015, houdende weigering van de milieuvergunning voor het exploiteren van een rundveehouderij, gelegen aan de Neerlichter 12 te Puurs, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

VII-39.536-1/7

Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ben Van Biesen, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker exploiteert een rundveehouderij die bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs van 21 maart 1978

vergund werd voor een termijn van dertig jaar. Op 2 juni 2008 heeft hetzelfde college vergunning verleend voor de verdere exploitatie van de inrichting tot 2 juni 2014. De beperkte vergunningstermijn wordt gemotiveerd door “de verouderde toestand van het bedrijf en de leeftijd van de exploitant”. Bij besluit van 24 februari 2014 weigert het college van burgemeester en schepenen de milieuvergunning andermaal te hernieuwen omdat de inrichting “niet verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”. Tegen deze beslissing werd geen (bestuurlijk) beroep ingesteld.

VII-39.536-2/7

3.2. In de loop van 2014 dient verzoeker een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in teneinde de exploitatie nog langer te mogen voortzetten.

3.3. Bij besluit van 12 februari 2015 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen de gevraagde milieuvergunning.

3.4. Tegen deze beslissing stelt verzoeker bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.5. Met het thans bestreden besluit van 27 augustus 2015 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep ongegrond en bevestigt zij voormelde weigeringsbeslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen.

IV. Onderzoek van de vordering

4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

5. In het verzoekschrift zet verzoeker met betrekking tot de spoedeisendheid van de zaak het volgende uiteen:

“[…] Zowel uit het bestreden besluit als uit het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie blijkt dat de afgewezen en toekomstige onteigeningsprocedure(s) klaarblijkelijk een rol spelen in het oordeel - en de motivering - van de vergunningverlenende overheid omtrent de vergunbaarheid voor een tijdelijke periode naargelang de duur van de onteigeningsprocedure.

VII-39.536-3/7

In het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie wordt dan ook voorgesteld om een vergunning te verlenen voor een termijn van 5 jaar, een termijn waarbinnen de inrichting bovendien moet kunnen herlokaliseren, termijn dewelke in de eerste plaats voortkomt uit het gebrek aan klachten en het beperkt karakter van de hinderlijkheid van het bedrijf, maar ook uit de nog steeds precaire status van de onteigeningsprocedure. (advies GMVC p. 8)

In het bestreden besluit wordt geoordeeld dat niet wordt voldaan aan de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP, dat de ‘nieuw ingestelde goede ruimtelijke ordening’ zou belichamen, RUP dat naar het oordeel van beroeper (cfr. vierde middel) evenwel manifest onwettig is.

In het bestreden besluit wordt de vooropgestelde termijn door de gewestelijke milieuvergunningscommissie achterwege gelaten schijnbaar louter omwille van de klaarblijkelijk tussengekomen beleidsoptie om de onteigeningsprocedure na een aantal mislukte pogingen op basis van de wet van 17 april 1835 op te starten.

Zodoende wordt het bedrijf van beroeper middels het bestreden besluit plotsklaps onvergund en dit bovendien zonder enige mogelijkheid om over te gaan tot (tijdelijke) herlokalisering nu daartoe geen enkele termijn wordt voorzien. Beroeper wordt dan ook voor een voldongen feit geplaatst ingevolge de loutere beleidsoptie, die tot motivering strekt van het bestreden besluit (p. 9), waarbij de onteigening ter realisering van het RUP dat ten aanzien van hem een ‘nieuw ingestelde goede ruimtelijke ordening’ zou belichamen klaarblijkelijk op de lange baan geschoven wordt, doch in één beweging ook de vergunning aan beroeper geweigerd wordt.

Deze blokkage van zowel de activiteiten als de mogelijkheid tot -al dan niet tijdelijke- herlokalisatie brengt voor beroeper een ernstig nadeel, minstens vrees voor schade van enig belang met zich mee.

Tevens is er sprake van hoogdringendheid nu vanaf de notificatie van het bestreden besluit beroeper het risico loopt om geconfronteerd te worden met verscheidene milieuhandhavingsmaatregelen, met inbegrip van administratieve sancties, en dit tot aan de onteigening of mogelijkheid tot (tijdelijke)

herlokalisatie, waarvan de datum onbepaald is. Teneinde dit te vermijden kan beroeper enkel de exploitatie stopzetten en al zijn dieren laten slachten of verkopen, hetgeen voor hem uiteraard enorme financiële en morele gevolgen heeft wegens gebrek aan enige inkomst voortvloeiend uit de stiel die hij sinds jaar en dag beoefent met zijn gezin. Een onmiddellijke beslissing is in deze dan ook wenselijk vermits het bedrijf van beroeper ten tijde van de uitkomst in de annulatieprocedure reeds lang teloorgegaan zal zijn”.

Beoordeling

6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in

VII-39.536-4/7

artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).

7. De voorwaarde van het spoedeisend karakter is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk beoordeeld moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden. Bijgevolg toont verzoeker met de verwijzing naar de - volgens hem onwettige - motieven waarop de bestreden weigeringsbeslissing is gestoeld, de spoedeisendheid van de zaak niet aan.

In zoverre verzoeker gewag maakt van het “plotsklaps onvergund” worden van de bestaande exploitatie en de mogelijkheid dat handhavingsmaatregelen worden opgelegd, geldt de vaststelling dat de vergunning voor het houden van runderen reeds verstreken is sinds 2 juni 2014 en dat hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs van 24 februari 2014 waarbij de hernieuwing van de vergunning voor de eerste maal werd geweigerd. In de gegeven omstandigheden is de spoedeisendheid die steunt op de imminente dreiging van gedwongen stopzetting van de rundveehouderij, weinig overtuigend.

VII-39.536-5/7

Omtrent de financiële weerslag van de bestreden beslissing, reikt verzoeker geen enkel concreet gegeven aan. Die weerslag lijkt alleszins gerelativeerd te moeten worden aangezien uit de vergunningsaanvraag blijkt dat verzoeker zich tevens toelegt op akkerbouw.

De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.

8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

V. Kosten

9. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

VII-39.536-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.536-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.776