Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.775 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.775 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for security card revocation due to lack of urgency and failure to meet statutory conditions.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.775
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of the minister's decision to revoke his security identification card. The applicant argued that losing his security license would cause irreparable harm, but the court found he failed to demonstrate immediate and severe consequences beyond simply stopping his part-time work. Consequently, the court ruled that the statutory conditions for granting a suspension were not cumulatively met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1, 2de lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State; A vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging wordt afgewezen indien de spoedeisendheid niet is aangetoond en de cumulatieve voorwaarden van artikel 17 niet zijn vervuld.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement security identification card urgency requirement irreparable harm Council of State administrative procedure part-time employment extrait du casier judiciaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1, 2de lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. é.775 van 9 februari 2016

in de zaak A. 217.751/VII-39.548.

In zake : Rida VAN DE PLAS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mattias Vandevyvere kantoor houdend te 2300 Turnhout Gemeentestraat 4, bus 6

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 4 december 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 7 oktober 2015 waarbij de identificatiekaart van Rida Van de Plas voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt ingetrokken.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld.

VII-39.548-1/6

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Loes Van Heuckelom, die loco advocaat Mattias Vandevyvere verschijnt voor verzoeker, en attaché Peter Ide, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Aan verzoeker werd een identificatiekaart toegekend voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten.

3.2. Op 22 augustus 2014 wordt door de lokale politie, regio Turnhout, ten laste van verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens opzettelijke slagen en verwondingen. Verzoeker zou bij de uitoefening van zijn functie als portier in een drankgelegenheid een dronken vrouw in een wurggreep hebben gehouden en op een zeer agressieve manier naar buiten hebben geleid. De zaak wordt door het openbaar ministerie geseponeerd wegens “nadeel gering”.

3.3. Op 13 oktober 2014 wordt een veiligheidsonderzoek opgestart.

3.4. Het verslag over het veiligheidsonderzoek maakt melding van voormelde feiten van slagen en verwondingen. Tevens wordt meegedeeld dat

VII-39.548-2/6

verzoeker bij vonnis van 26 februari 2008 door de correctionele rechtbank te Turnhout tot een werkstraf van 60 uren werd veroordeeld wegens het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen en dat hij inmiddels herstel in eer en rechten heeft verkregen.

3.5. Op 24 maart 2015 adviseert de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op basis van het voormelde verslag dat verzoeker niet meer aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot intrekking van zijn identificatiekaart moet worden aangevat.

3.6. Met een aangetekende brief van 9 april 2015 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken overweegt zijn identificatiekaart in te trekken. Tegelijk wordt hij erop gewezen dat hij over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om bij de Algemene Directie Veiligheid en Preventie inzage te nemen van het administratief dossier en over een termijn van 40 werkdagen om zijn verweermiddelen in te dienen.

3.7. Op 12 augustus 2015 wordt verzoeker gehoord. Hij dient eveneens een verweerschrift in.

3.8. Met een besluit van 7 oktober 2015 stelt de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken vast dat verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.

Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de vordering

4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor

VII-39.548-3/6

een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

5. Verzoeker voert aan dat de vordering spoedeisend is omdat hij zijn identificatiekaart van bewakingsagent dient in te leveren waardoor hij zijn portiersactiviteiten niet meer kan uitoefenen, dat hij niet langer aan de slag kan blijven bij zijn huidige werkgever en hij, indien de bestreden beslissing later zou worden vernietigd, naar een nieuwe werkgever zal moeten zoeken. De zaak is bijgevolg te spoedeisend om de uitkomst van de procedure tot nietigverklaring af te wachten. Door de schorsing van de bestreden beslissing zouden de rechten van de partijen worden gevrijwaard tot er een definitieve rechterlijke beslissing is tussengekomen.

Beoordeling

6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

De Raad van State mag daarenboven alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting door verzoeker bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk

VII-39.548-4/6

reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.

De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

7. Het enkele feit dat verzoeker als gevolg van de bestreden beslissing zijn bewakingsactiviteiten moet staken, volstaat niet om de spoedeisendheid van de vordering aan te tonen. Verzoeker maakt immers niet aannemelijk dat hij als gevolg daarvan, gelet op zijn persoonlijke situatie, in een toestand van onherroepelijke schadelijke gevolgen dreigt terecht te komen. Hij blijkt overigens zijn bewakingsactiviteiten slechts in bijberoep - meestal in het weekend - uit te oefenen.

Verzoeker maakt evenmin gewag van de financiële gevolgen van de bestreden beslissing, laat staan dat hij concreet aantoont dat die gevolgen dermate ingrijpend zijn dat hij ze voor de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, onmogelijk kan dragen.

In zoverre hij aanvoert dat de bestreden beslissing impliceert dat hij niet langer aan de slag kan bij zijn huidige werkgever en dat, indien de bestreden beslissing wordt vernietigd, hij een nieuwe werkgever zal moeten zoeken, slaagt verzoeker er niet in aannemelijk te maken dat zijn tewerkstellingskansen in de bewakingssector na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing, onherroepelijk in het gedrang zijn gebracht. Er valt immers niet in te zien waarom verzoeker na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing niet meer door zijn huidige werkgever of een andere bewakingsonderneming aangeworven zou kunnen worden.

VII-39.548-5/6

De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.

8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.548-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.775