Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.660 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.660 Généré par l'IA

Court dismisses urgent injunction request against board appointments due to lack of proven urgent harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.660
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the appointment of board members to the Federal Knowledge Centre for Health Care. The applicant argued that the decision would cause significant moral damage and hinder their representation, but failed to demonstrate concrete, immediate harm. The court ruled that the applicant did not meet the strict threshold for urgency required under Article 17 of the Council of State laws, as the potential damage was deemed hypothetical rather than certain.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and § 2, third paragraph, of the Council of State laws: Urgency requires proof of serious harm or irreparable damage that cannot be remedied by a later annulment judgment; mere duration of proceedings or hypothetical risks are insufficient.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent injunction Council of State laws irreparable harm suspension of execution procedural urgency board appointments health care centre désignation d'un représentant

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1, of the Council of State laws
Article 17, § 2, third paragraph, of the Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. é.660 van 28 januari 2016

in de zaak A. 216.570/VII-39.449.

In zake : de VZW BELGISCHE VERENIGING

VAN ARTSENSYNDICATEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Callens en Laura Boddez kantoor houdend te 1040 Brussel Tervurenlaan 40

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 juli 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 2 juni 2015 tot benoeming van sommige leden van de raad van bestuur van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, zoals verschenen in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2015.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld.

VII-39.449-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Stefaan Callens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Anthony Poppe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (hierna: KCE) heeft als doel “het verzamelen en verschaffen van objectieve elementen vanuit de verwerking van geregistreerde gegevens en van gevalideerde gegevens, gezondheidseconomische analyses en alle andere informatiebronnen, om kwalitatief de realisatie van de beste gezondheidszorgen te ondersteunen en om een zo efficiënt en zo transparant mogelijke allocatie en aanwending van de beschikbare middelen van de verzekering geneeskundige verzorging door de bevoegde instanties toe te laten en dit rekening houdend met de toegankelijkheid van de zorgen voor de patiënt en met de doelstellingen van het volksgezondheidsbeleid en van de verzekering geneeskundige verzorging.”

3.2. Dit KCE wordt bestuurd door een raad van bestuur bestaande uit 24 leden en een voorzitter, waarvan twee leden worden voorgedragen door de

VII-39.449-2/9

representatieve beroepsorganisatie van geneesheren.

Deze leden worden op voordracht van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.

Onder dezelfde voorwaarde worden ook twee plaatsvervangers benoemd voor deze twee leden. De leden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren zijn binnen de raad van bestuur van het Kenniscentrum stemgerechtigd voor de vaststelling en aanpassingen van het jaarprogramma, inclusief de modaliteiten van eventuele uitbesteding, de vaststelling van het benodigde budget en voor de goedkeuring van de finale validatie en de kwaliteitscontrole van de studies uitgevoerd door derden in opdracht van het Kenniscentrum.

3.3. Het koninklijk besluit van 11 februari 2010 tot vaststelling van de regels voor de medische verkiezingen zoals bedoeld in artikel 211, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt in artikel 1 de voorwaarden waaraan de beroepsorganisaties van de geneesheren moeten voldoen om als representatief erkend te worden:

“Artikel 1.§ 1. Om als representatief te worden erkend zoals bedoeld in artikel 211, § 1, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

moeten de beroepsorganisaties van de geneesheren voldoen aan de volgende voorwaarden :

A. 1° statutair de verdediging van de beroepsbelangen van tegelijk de algemeen geneeskundigen en de geneesheren-specialisten tot hoofddoel hebben;

2° zich statutair richten tot de geneesheren van ten minste twee gewesten, bedoeld in artikel 3 van de Grondwet;

3° statutair van de aangesloten geneesheren jaarbijdragen innen die minimaal het tweevoud bedragen van wat wordt toegekend aan de ambtenaren van de federale overheid ingevolge de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenningen en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector onverminderd de statutaire bepalingen die gelden voor geneesheren die minder dan vijf jaar gerepertorieerd zijn bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;

4° aantonen dat reeds gedurende 2 jaar wordt beantwoord aan de

VII-39.449-3/9

vorengenoemde bepalingen op de door Ons vastgestelde datum waarop de kiezerslijst wordt opgesteld;

5° uiterlijk op de datum van de zending bedoeld in § 4 minstens 1.500

individueel aangesloten leden-geneesheren, gerepertorieerd bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, tellen die de in 3°

bepaalde bijdrage betalen [1 ...]1;

B. Aan de voorwaarden bedoeld in A, 3°, en 5°, moet worden voldaan hetzij door de beroepsorganisatie hetzij door het geheel van de verenigingen waaruit de beroepsorganisatie is samengesteld.

§ 2. Een groepering van twee beroepsorganisaties van geneesheren die een onderlinge overeenkomst sluiten met het oog op een gemeenschappelijke vertegenwoordiging in de organen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kan als representatief worden erkend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :

A. 1° één van de beroepsorganisaties voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, A, 1°, 2°, 3° en 4° en de tweede beroepsorganisatie voldoet aan de voorwaarde bedoeld in § 1, A, 3°, en toont aan dat ze reeds gedurende twee jaar de beroepsbelangen van geneesheren vertegenwoordigt, waarbij aan de voorwaarde bedoeld in § 1, A, 3°, moet worden voldaan hetzij door de beroepsorganisatie hetzij door het geheel van de verenigingen waaruit de beroepsorganisatie is samengesteld;

2° de onderlinge overeenkomst vermeldt de onderlinge verdeling van de mandaten behaald bij de verkiezingen;

B. de twee beroepsorganisaties samen of de verenigingen waaruit ze zijn samengesteld moeten uiterlijk op de datum van de zending bedoeld in § 4

minstens 1 500 individueel aangesloten leden-geneesheren, gereportorieerd bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering tellen die de in § 1, A, 3°, bepaalde bijdrage betalen of waarvan het totaal jaarlijks bijdragebedrag gelijk is aan minstens 1 500 maal de in 3° bepaalde bijdrage”.

3.4. De representatieve organisaties in de sector worden in maart 2015 aangeschreven.

3.5. Op 8 april 2015 werd een voorstel geformuleerd door de voorzitter van Domus Medica aan, onder meer, de verzoekende partij op welke wijze de verdeling van de leden van de representatieve organisaties van geneesheren konden worden toegewezen.

3.6. De voorzitter van de verzoekende partij heeft op 20 april 2015

twee leden voorgedragen. Eén als effectief lid en één als plaatsvervangend lid.

VII-39.449-4/9

3.7. De voorzitter van Kartel heeft op 23 april 2015 haar voorstel geformuleerd van kandidaat-leden voor het Kenniscentrum.

3.8. AADM (Alliantie Artsenbelang - Domus Medica) heeft op 24 april 2015 een geneesheer voorgesteld voor een effectief mandaat.

3.9. Met een schrijven van 28 april 2015 verzette de verzoekende partij zich tegen deze voordracht.

3.10. Op 26 mei 2015 heeft AADM een voorstel ingediend, waarbij Gijs Van Pottelbergh en Olga Van de Vloed worden voorgesteld.

3.11. Met een schrijven van 29 mei 2015 van de minister van Volksgezondheid werd de verzoekende partij op de hoogte gebracht van de eindkeuze die werd gemaakt aangaande de vier leden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de artsen in de raad van bestuur van het KCE evenals van de motieven waarop deze beslissing steunt. Er werd slechts één lid van de verzoekende partij benoemd als effectief lid. In tegenstelling tot het verleden werd er geen lid van de verzoekende partij benoemd als plaatsvervangend lid.

3.12. Op 2 juni 2015 wordt het koninklijk besluit tot benoeming van sommige leden van de raad van bestuur van het KCE genomen.

Dit is het bestreden besluit.

IV. Voorwaarden van de vordering tot schorsing

4. Luidens artikel 17, §1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat

VII-39.449-5/9

minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de beslissing prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

Standpunt van de partijen

5. Volgens de verzoekende partij heeft het bestreden besluit voor haar onherroepelijk schadelijke gevolgen. Zij is de meest representatieve beroepsorganisatie van artsen. Door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou zij aanzien bij de overheidsinstanties en aantrekkingskracht bij de artsen-leden of toekomstige leden verliezen, omdat haar stem en gewicht binnen de raad van bestuur van het KCE met de helft vermindert.

Daar komt nog bij dat als de twee effectieve leden binnen de raad van bestuur van het KCE niet aanwezig kunnen zijn, AADM als groepering van twee artsenorganisaties dat het laagste aantal stemmen in het kader van de medische verkiezingen behaalde, sowieso twee stemmen heeft in de raad van bestuur van het KCE, omdat haar kandidaten werden benoemd als plaatsvervangende leden.

Als het lid van de verzoekende partij door omstandigheden niet aanwezig kan zijn dan zal haar standpunt niet worden verdedigd.

De verzoekende partij herhaalt dat de reputatieschade onherroepelijk is en dat zij het resultaat van een vernietigingsberoep niet kan afwachten.

6. De verwerende partij stelt daar tegenover dat de argumenten omtrent het hypothetisch voordeel dat AADM zou genieten indien beide effectieve leden niet kunnen zetelen niet pertinent zijn aangezien ze geen betrekking hebben op een eventueel nadeel van de verzoekende partij. Bovendien hangt dit

VII-39.449-6/9

grotendeels af van het lid van de verzoekende partij.

De bewering dat het gewicht van de verzoekende partij binnen de raad van bestuur gehalveerd wordt is feitelijk onjuist aangezien de verzoekende partij haar effectief lid behoudt en zij dus slechts in uitzonderlijke omstandigheden niet zal worden vertegenwoordigd binnen de raad van bestuur. Uit de vorige periode blijkt dat dit slechts één keer het geval was.

De verzoekende partij toont niet concreet aan dat zij aanzien verliest, noch waarom dit verlies van aanzien ernstig zou zijn of niet meer zou kunnen worden hersteld door een vernietigingsarrest.

De bestreden beslissing houdt geen oordeel in over de verzoekende partij.

Beoordeling

7. Een zaak is spoedeisend en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne kan worden opgelost.

De spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijk schadelijke gevolgen. Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973).

VII-39.449-7/9

Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

Van een verzoekende partij wordt verwacht dat zij aan de zaak eigen, specifieke gegevens bijbrengt die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

De verzoekende partij toont niet aan dat zij daadwerkelijk aanzien en aantrekkingskracht verliest door de bestreden beslissing. Bovendien toont zij niet aan waarom de aangevoerde morele schade van dien aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.

Zij toont evenmin aan dat het feit dat AADM, die de twee plaatsvervangende leden afvaardigt en hierdoor een stem zou hebben in de raad van bestuur indien de effectieve leden niet aanwezig kunnen zijn, haar een dermate ernstig nadeel toebrengt dat een onmiddellijke beslissing wenselijk is. Er kan ook niet worden opgemaakt uit de uiteenzetting welke schade van enig belang of welk ernstig nadeel, buiten dat de verzoekende partij occasioneel niet vertegenwoordigd zou zijn in de raad van bestuur en in voorkomend geval het standpunt van de verzoekende partij niet kan worden verdedigd, zij vreest te lijden.

Deze toestand lijkt op dit ogenblik eerder hypothetisch en lijkt ook in grote mate af te hangen van de effectieve leden zelf.

8. De spoedeisenheid van de zaak wordt niet aangetoond. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken.

VII-39.449-8/9

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.449-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.660