Belgian State Council dismisses urgent injunction claim for safety advisory license renewal denial due to lack of urgency.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Belgian State Council rejected the applicant's request to suspend the enforcement of the Minister's decision denying her safety advisory license renewal. The applicant argued that losing her primary income source and facing reputational damage created an urgent need for interim relief, but failed to provide concrete evidence of irreparable harm. The court held that financial loss alone does not establish urgency and that reputational damage is not irreparable since the decision remains confidential and can be corrected by a future annulment.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph of the coordinated State Council laws; A request for suspension of enforcement requires cumulative fulfillment of specific conditions, and mere financial loss or general reputational concern without proof of irreparable harm does not satisfy the urgency requirement.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. é.555 van 21 januari 2016
in de zaak A. 217.470/VII-39.529.
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 3 november 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 26 augustus 2015 waarbij aan verzoekster de vernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies wordt geweigerd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016.
VII-39.529-1/8
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Lize Vandersteegen, die verschijnt voor verzoekster, en attaché Pascale Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is gedelegeerd bestuurder van de NV [XXXX].
Deze vennootschap verleent gespecialiseerd advies in opdracht van verzekeringsmaatschappijen die actief zijn in de diamant- en juwelenhandel.
Bij ministerieel besluit van 11 april 2006 wordt aan verzoekster vergunning verleend voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies. Aangezien de geldigheid van die vergunning verstrijkt op 10 april 2011, vraagt zij op 30 juli 2010 de verlenging aan van die vergunning.
3.2. Op 14 juli 2011 deelt de procureur des Konings te Antwerpen aan de Directie Private Veiligheid mee dat verzoekster gekend is in een gerechtelijk onderzoek inzake witwassen en dat het dossier aanhangig is bij de raadkamer te Antwerpen. Zijn advies over de aanvraag is derhalve ongunstig.
3.3. Vervolgens deelt de procureur des Konings op 6 september 2011
aan de Directie Private Veiligheid mee dat verzoekster door de raadkamer werd verwezen naar de correctionele rechtbank gezien er voldoende aanwijzingen van
VII-39.529-2/8
schuld bestaan en dat tegen de beschikking van de raadkamer beroep werd ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Hij besluit dat in de gegeven omstandigheden geen gunstig advies kan worden verleend.
3.4. Op 13 december 2011 maakt de procureur des Konings aan de Directie Private Veiligheid een kopie over van zijn eindvordering en de beschikking van de raadkamer. Later stelt hij de administratie ervan in kennis dat verzoekster door de kamer van inbeschuldigingstelling werd verwezen naar de correctionele rechtbank.
3.5. Met een aangetekende brief van 27 februari 2013 deelt de Directie Private Veiligheid aan verzoekster mee dat overwogen wordt de vernieuwing van de vergunning voor het aanbieden van diensten van een onderneming voor veiligheidsadvies te weigeren. Zij beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om inzage te nemen van het administratief dossier en een termijn van veertig werkdagen om haar verweermiddelen in te dienen.
3.6. Op 8 april 2013 dient verzoekster haar verweermiddelen in.
3.7. Bij vonnis van 25 april 2013 wordt verzoekster door de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, fiscale fraude en het uitoefenen van het beroep van privédetective zonder in het bezit te zijn van de vereiste vergunning. Verzoekster stelt beroep in tegen dit vonnis.
3.8. Nadat verzoekster de door het openbaar ministerie voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard, stelt het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 21 november 2013 het verval van de strafvordering vast.
3.9. Op 21 maart 2014 brengt de procureur des Konings een ongunstig advies uit over de vergunningsaanvraag.
VII-39.529-3/8
3.10. Verzoekster dient op 12 juli 2014 een aanvullend verweerschrift in.
3.11. Met het thans bestreden besluit weigert de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken de gevraagde vergunning.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering.
5. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
V. Onderzoek van de vordering
6. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
7. Verzoekster stelt dat de vordering spoedeisend is om de volgende redenen:
“[…] De bestreden beslissing heeft immers tot gevolg dat zij haar onderneming [XXXX] NV niet langer als specialist inzake veiligheidsadvies kan exploiteren. Verzoekende partij verliest door het weigeren van het
VII-39.529-4/8
verlengen van de vergunning dan ook haar voornaamste bron van inkomen. De impact van de bestreden beslissing is niet te overzien. Verzoekende partij heeft er dan ook alle belang bij dat zij zo snel mogelijk uitsluitsel krijgt over zowel haar professionele als financiële toekomst.
[…] Bovendien heeft de ongunstige bestreden beslissing negatieve gevolgen voor verzoeker op vlak van reputatieschade. Verzoekende partij kan het zich beroepsmatig niet permitteren dat er ook maar iets openbaar zou worden van de bestreden beslissing bij potentiële klanten. Het spreekt voor zich dat wanneer iemand weet krijgt van de weigering, het vertrouwen in verzoekende partij en in haar onderneming wellicht onmiddellijk weg zou zijn”.
Beoordeling
8. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
Met die regeling heeft de wetgever situaties willen vermijden waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).
9. Luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde kan worden
VII-39.529-5/8
gelezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991
tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.
Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
10. In zoverre verzoekster stelt dat zij als gevolg van de weigering om haar vergunning te hernieuwen “haar voornaamste bron van inkomen” verliest, wordt vooreerst opgemerkt dat een financieel nadeel niet in alle omstandigheden de spoedeisendheid van de vordering verantwoordt. In bepaalde gevallen kan door de omvang ervan en/of de persoonlijke toestand van de betrokkene een schorsing aangewezen zijn. Te dezen laat verzoekster na enige concrete aanduiding te geven over de omvang van het financiële nadeel, noch laat zij toe globaal inzicht te krijgen in haar financiële toestand. Met de algemeenheid dat de “impact van de bestreden beslissing […] niet [is] te overzien”, toont zij niet aan dat, wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet wordt bevolen, zij in een toestand dreigt terecht te komen met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
11. Het argument dat zij er “alle belang bij [heeft] dat zij zo snel mogelijk uitsluitsel krijgt over zowel haar professionele als financiële toekomst”, kan de spoedeisendheid evenmin verantwoorden. Het volstaat immers niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
12. De vrees voor “reputatieschade” overtuigt niet aangezien de bestreden beslissing niet moet worden bekendgemaakt. Bovendien is dergelijke
VII-39.529-6/8
schade niet onherstelbaar en kan ze worden goedgemaakt door een later vernietigingsarrest.
13. Bijgevolg toont verzoekster de spoedeisendheid van de vordering niet aan.
14. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VI. Verzoek tot anonimisering
15. In haar verzoekschrift vraagt verzoekster de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
16. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, kan een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, vragen dat zijn identiteit wordt weggelaten bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest. Dergelijk verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten, worden ingediend.
Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag.
VII-39.529-7/8
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend zestien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.529-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.555