Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.656 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.656 Généré par l'IA

Belgian court dismisses state aid suspension request due to lack of urgency and EU compliance issues.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.656
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the NV A.S.T.R.I.D.'s request to suspend the execution of two royal decrees granting state aid. The applicant argued for immediate suspension based on potential irreparable harm, but the court found no specific facts demonstrating urgency or ongoing EU Commission proceedings. Consequently, the court ruled that the statutory conditions for granting a suspension order were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 108(3) TFEU; Article 17(1) of the Council of State laws: A request for suspension of execution requires proof of urgency and irreparable harm, which is absent where the applicant fails to demonstrate specific adverse consequences or pending EU review procedures.

Mots-clés

Généré par l'IA
state aid suspension administrative interim relief urgency requirement irreparable harm EU standstill obligation Council of State royal decree execution restitution de subventions publiques

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 108(3) of the Treaty on the Functioning of the European Union
Article 17(1) of the coordinated Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 232.656 van 22 oktober 2015

in de zaak A. 215.362 /IX-8614

In zake: de NV ENTROPIA DIGITAL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc D‟Hoore en Gregory Vermaercke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D‟Hooghe en Ian Arnouts kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij:

de NV A.S.T.R.I.D.

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Carole Maczkovics kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 20 maart 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van:

- het koninklijk besluit van 9 december 2014 „houdende de toekenning van de toelage aan de NV A.S.T.R.I.D. ter dekking van de werkingskosten van de ge-

meenschappelijke infrastructuur voor het begrotingsjaar 2014‟;

IX-8614-1/12

- het koninklijk besluit van 19 december 2014 „houdende de toekenning van de toelage aan de NV A.S.T.R.I.D. ter dekking van extra investeringskosten van de gemeenschappelijke infrastructuur voor het begrotingsjaar 2014‟.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Met een verzoekschrift van 16 april 2015 heeft de nv A.S.T.R.I.D. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenko-

men.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september 2015.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Gregory Vermaercke, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij, advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Bob Martens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

IX-8614-2/12

III. Feiten

3.1. De nv A.S.T.R.I.D. werd in 1998 opgericht als een naamloze vennootschap van publiek recht. Haar doelstelling wordt in artikel 3, § 1, van de wet van 8 juni 1998 „betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veilig-

heidsdiensten‟ (hierna: de wet van 8 juni 1998) omschreven als “de totstandbren-

ging, de exploitatie, het onderhoud en de evolutieve aanpassingen en uitbreidingen van een radiocommunicatienetwerk voor spraak- en dataverkeer ten behoeve van de Belgische hulp- en veiligheidsdiensten, van de Veiligheid van de Staat en van instellingen, vennootschappen of verenigingen, van publiek of privaat recht, die diensten verstrekken op het vlak van de hulpverlening en de veiligheid”.

Luidens artikel 10, eerste lid, van de wet van 8 juni 1998 bepaalt een tussen de Staat en de nv A.S.T.R.I.D. gesloten beheerscontract de nadere voorwaarden waaronder de nv A.S.T.R.I.D. haar taken van openbare dienst ver-

vult. Luidens artikel 10, tweede lid, van de wet van 8 juni 1998 regelt dat be-

heerscontract onder meer de voorwaarden en de berekeningswijze van eventuele toelagen ten laste van de algemene uitgavenbegroting van het Rijk tot dekking van bepaalde uitgaven die voortvloeien uit taken van openbare dienst.

3.2. Thans is het tweede beheerscontract – opgenomen in bijlage bij het koninklijk besluit van 8 april 2003 „tot vaststelling van het tweede beheers-

contract van A.S.T.R.I.D.‟ – van toepassing.

Uit artikel 20 van dat tweede beheerscontract blijkt dat de nv A.S.T.R.I.D. over meerdere inkomsten beschikt, waaronder een door de Staat toegekende bijdrage in het raam van de uitvoering van de taken van openbare dienst, en bijdragen toegekend door overheden in het raam van de uitvoering van specifieke opdrachten.

In de artikelen 23bis tot en met 28 van het beheerscontract worden de toekenning, voorwaarden en grenzen van de staatsbijdragen bepaald.

IX-8614-3/12

Artikel 23bis, eerste en tweede lid, van het tweede beheerscon-

tract luidt:

“Deze titel bepaalt de voorwaarden en de berekeningswijze van de toelagen ten laste van de algemene uitgavenbegroting van het Rijk tot dekking van be-

paalde uitgaven die voortvloeien uit de taken van openbare dienst [artikel 10

van de wet] van A.S.T.R.I.D.

De staatsbijdragen dienen om bedrijfskosten te financieren andere dan enerzijds de investeringskosten in de ASTRID-systemen en anderzijds een door de Minister vast te stellen deel van de uitrusting om de integratie van de NATINUL centrales in de ASTRID-systemen te verwezenlijken, tenzij het onderhavige beheerscontract anders bepaalt.”

Artikel 24 van het tweede beheerscontract bepaalt welke ex-

ploitatiekosten worden gedekt door de staatsbijdragen. Artikel 24bis „Extra in-

vesteringskosten‟ bepaalt dat de Staat in de begroting ook een dotatie ten gunste van de nv A.S.T.R.I.D. kan opnemen om uitzonderlijke extra investeringskosten te dekken. Artikel 25 van het tweede beheerscontract bepaalt de toekenningsvoor-

waarden en artikel 26 bepaalt de begrenzing van de staatsbijdragen.

Artikel 27 van het tweede beheerscontract regelt de uitbetaling als volgt:

“De jaarlijkse bijdrage door de Staat, zoals berekend in toepassing van de artikelen 24, 25 en 26, wordt in twee schijven uitbetaald. Een eerste schijf ten bedrage van 70% zal worden uitbetaald ten laatste op de eerste werkdag van de maand maart en een tweede schijf, de overblijvende 30%, zal worden uitbetaald ten laatste op de eerste werkdag van de maand oktober van het jaar waar zij betrekking op heeft.”

3.3. Op 9 december 2014 neemt de Koning het besluit „houdende de toekenning van de toelage aan de NV A.S.T.R.I.D. ter dekking van de werkings-

kosten van de gemeenschappelijke infrastructuur voor het begrotingsjaar 2014‟ (B.S. 20 januari 2015). Dit besluit luidt als volgt:

“Artikel 1. Ten laste van basisallocatie 63 20 31.22.01 van de begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt voor het begrotingsjaar 2014 aan de NV A.S.T.R.I.D. een toelage toegekend naar rato van de effectieve

IX-8614-4/12

vrijgave op de desbetreffende basisallocatie met een maximum van 11.077.000

euro ter dekking van de werkingskosten van de gemeenschappelijke infra-

structuur.

Art. 2. De boekhouding van de NV A.S.T.R.I.D. moet het mogelijk maken de aanwending van deze toelage te volgen.

Art. 3. Bij het afsluiten van elk boekjaar zal ter voorbereiding van de con-

trole van de aanwending van de toelage een synthese aan de Regeringscom-

missarissen worden toegestuurd met daarin aangegeven de ontvangen toelagen en de aanwending ervan.

Art. 4. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.”

Dat is het eerste bestreden besluit.

De staatsbijdragen die met het eerste bestreden besluit werden toegekend, zijn reeds aan de nv A.S.T.R.I.D. uitbetaald.

3.4. Op 19 december 2014 neemt de Koning het besluit „houdende de toekenning van de toelage aan de NV A.S.T.R.I.D. ter dekking van de extra in-

vesteringskosten van de gemeenschappelijke infrastructuur voor het begrotingsjaar 2014‟ (B.S. 20 januari 2015).

Dit besluit luidt als volgt:

“Artikel 1. Ten laste van basisallocatie 63 20 51.11.01 van de begroting 2014

van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt aan de NV

A.S.T.R.I.D. een toelage in vastleggingskredieten toegekend naar rato van de effectieve vrijgave op de desbetreffende basisallocatie met een maximum van 2.189.000 euro, ter dekking van de uitgaven verbonden aan projecten die be-

trekking hebben op de ontwikkeling, het updaten en het onderhoud van de CAD, en meer bepaald de vervanging en het onderhoud van het informaticapark van de 112/100 en 101 centrales evenals de aanpassingen ingegeven door nieuwe behoeften in het kader van nieuwe richtlijnen, bijvoorbeeld Europese of andere.

De gehele of gedeeltelijke uitbetaling van deze toelage zal pas uitgevoerd worden op voorlegging van een schuldvordering, na akkoord van de Inspectie van Financiën.

Art. 2. De boekhouding van de NV A.S.T.R.I.D. laat toe de aanwending van deze toelage te volgen.

Art. 3. Bij het afsluiten van elk boekjaar zal ter voorbereiding van de con-

trole van de aanwending van de toelage een synthese aan de regeringscom-

IX-8614-5/12

missarissen worden toegestuurd met daarin aangegeven de ontvangen toelage en de aanwending ervan.

Art. 4. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.”

Dat is het tweede bestreden besluit.

3.5. De verzoekende partij beschouwt zichzelf als een rechtstreekse concurrent van de nv A.S.T.R.I.D. en neemt thans aanstoot aan de staatsbijdragen die aan de nv A.S.T.R.I.D. worden uitbetaald.

IV. Tussenkomst

4. De nv A.S.T.R.I.D. blijkt voordeel te halen uit de bestreden besluiten en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg dient haar verzoek tot tussenkomst te worden ingewilligd.

V. Ontvankelijkheid van het beroep

5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver-

werende partij en de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcep-

ties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

VI. Schorsingsvoorwaarden

6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel

IX-8614-6/12

wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VII. Spoedeisendheid

Uiteenzetting door de verzoekende partij

7. De verzoekende partij motiveert de spoedeisendheid van haar zaak als volgt:

“In voorliggend geval is de vordering van verzoekster wel degelijk urgent.

Op grond van artikel 27 van het tweede beheerscontract worden de staats-

toelagen zoals verleend door de bestreden besluiten als volgt uitbetaald:

* Een eerste schijf (70%) ten laatste op de eerste werkdag van de maand maart * Een tweede schijf (30%) ten laatste op de eerste werkdag van de maand oktober Verzoekster heeft in voorliggend geval geen kennis van een eventuele uitbetaling en gaat er dan ook van uit dat er op heden nog niets uitbetaald werd (ook niet de eerste schijf).

Het spreekt voor zich dat de gestelde vordering dan ook wel degelijk ur-

gent is, vermits een uitspraak omtrent de nietigverklaring nooit tijdig zal kun-

nen tussenkomen.

Voor zoveel als nodig wijst verzoekster er eveneens op dat wanneer de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, 3. VWEU de in lid 2. van dat artikel vastgestelde formele onderzoeksprocedure heeft geopend ten aan-

zien van een niet-aangemelde maatregel die reeds ten uitvoer wordt gebracht, een nationale rechterlijke instantie waarbij een procedure tot staking van de uitvoering van deze maatregel en tot terugvordering van de reeds gedane beta-

lingen is ingeleid, gehouden is om alle noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde de consequenties te verbinden aan een eventuele niet-nakoming van de verplichting tot opschorting van de uitvoering van die maatregel.

Daartoe kan de nationale rechterlijke instantie besluiten om de uitvoering van de betrokken maatregel op te schorten en de terugvordering van de reeds verrichte gedane betalingen te gelasten. Zij kan ook besluiten om voorlopige maatregelen te gelasten teneinde enerzijds de belangen van de betrokken par-

tijen te beschermen en anderzijds het nuttige effect van het besluit van de Eu-

ropese Commissie tot opening van de formele onderzoeksprocedure te verze-

keren.”

IX-8614-7/12

Beoordeling

8. Zoals sub 6 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-

roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

9. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-

steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechts-

pleging in kort geding voor de Raad van State‟. Dit houdt in dat het aan een ver-

zoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

10. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij-

gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift aan de hand van concrete, pre-

cieze en dienstige gegevens te verduidelijken in welke mate volgens haar onher-

roepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietig-

verklaring zou worden afgewacht.

IX-8614-8/12

11. Voorafgaandelijk moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij in de uiteenzetting in haar verzoekschrift over de vermeende spoedeisend-

heid van de zaak zeer vaag blijft en dit nauwelijks toespitst op haar persoonlijke situatie.

Tijdens de terechtzitting van 21 september 2015 geeft de ver-

zoekende partij dan wel een meer concrete uiteenzetting en verwijst zij onder meer naar de omstandigheid dat de nv A.S.T.R.I.D. thans haar commerciële speelveld betreedt en dat dit tot het verlies van klanten leidt.

Met de argumentatie die de verzoekende partij voor het eerst tijdens de terechtzitting aanvoert, kan evenwel geen rekening worden gehouden.

De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een pro-

cedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.

Er wordt aldus enkel rekening gehouden met hetgeen de ver-

zoekende partij in haar verzoekschrift over de spoedeisendheid uiteenzet en staaft.

12. De verzoekende partij merkt op dat de eerste schijf van staats-

toelagen ten laatste uitbetaald wordt op de eerste werkdag van de maand maart en de tweede schijf ten laatste op de eerste werkdag van de maand oktober en zij stelt dat de vordering spoedeisend is omdat een uitspraak in de annulatieprocedure te laat zal komen om de uitbetaling van deze toelagen te verhinderen.

De verzoekende partij toont evenwel met geen enkel gegeven aan waarom de uitbetaling van de bestreden toelagen voor haar dermate schadelijk zou zijn dat zij niet het resultaat van de procedure ten gronde kan afwachten. Uit het verzoekschrift blijkt immers dat de verzoekende partij al jarenlang gecon-

fronteerd wordt met toelagen die aan de tussenkomende partij worden uitbetaald.

Zij heeft hiertegen nooit een beroep ingesteld bij de Raad van State. De verzoe-

IX-8614-9/12

kende partij zet niet uiteen waarom de uitbetaling van de toelagen toegekend door de thans bestreden besluiten dermate bijzonder is dat dit alsnog van aard is de spoedeisendheid van de zaak aan te tonen.

Zij voert ook geen enkele omstandigheid aan waaruit zou kun-

nen worden afgeleid dat de uitbetaalde toelagen niet zouden worden teruggestort na een gebeurlijk vernietigingsarrest.

Wat het bestreden besluit van 9 december 2014 betreft, blijkt bovendien dat de uitbetaling van de toelage reeds heeft plaatsgevonden, wat de verzoekende partij blijkens haar uiteenzetting van de spoedeisendheid net wenste te vermijden. De aangevoerde spoedeisendheid is wat het laatst vermelde besluit betreft dan ook achterhaald.

13. Artikel 108, derde lid, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt dat lidstaten geen staatssteun mogen verlenen voordat deze door de Commissie is goedgekeurd (de zogenaamde „stand-

still-verplichting‟). Op de lidstaten rust ingevolge deze bepaling dus een opschor-

tingsverplichting waarbij de betrokken steunmaatregel niet mag worden uitge-

voerd alvorens de Commissie die maatregel heeft goedgekeurd.

Daargelaten de vraag of de verzoekende partij zich kan steunen op voormelde bepaling om de spoedeisendheid aan te tonen, moet er worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet aantoont dat er een procedure voor de Europese Commissie werd gestart over de verenigbaarheid van de bestreden toe-

lagen met het Unierecht. Noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij hebben kennis van een dergelijke procedure voor de Europese Commissie.

14. Een uiteenzetting, louter beperkt tot de algemene stelling dat de staatstoelagen uitbetaald zullen zijn vooraleer de Raad van State over het annula-

tieberoep uitspraak heeft gedaan, volstaat zonder nadere illustratie of bijzondere gebeurtenis en zonder ook maar enig licht te doen schijnen op de onherroepelijke

IX-8614-10/12

schadelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten, aldus niet om de spoedeisendheid aan te tonen.

15. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula-

tief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

VIII. Kosten

16. Wat de respectieve vraag van de verzoekende partij en van de verwerende partij betreft om de kosten van de vordering, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de andere partij te leggen, zij eraan her-

innerd dat de bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsple-

gingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

1. Het verzoek van de nv A.S.T.R.I.D. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

3. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

IX-8614-11/12

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 oktober 2015, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bruno Seutin

IX-8614-12/12

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.656