Court dismisses urgent injunction request against city's extension of police officer's salary suspension order.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend the extension of a disciplinary salary suspension order. The applicant, a police commissioner, argued the city intended to silence him rather than protect public service interests, but failed to prove this motive. The court ruled that the applicant did not meet the strict requirements for an urgent suspension under the Council of State statutes.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State statutes; An urgent suspension of execution requires proof of serious, specific suspicions of improper purpose and that such purpose is the sole aim of the decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 232.045 van 13 augustus 2015
in de zaak A. 216.623/XIV-36.595
In zake: Roel DOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Van Kelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Tolstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de STAD ANTWERPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1831 Diegem Berkenlaan 8A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 5 augustus 2015, strekt tot de schor-
sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Burgemeester van de Stad Antwerpen dd. 28 juli 2015 tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor de duur van vier maanden, welke een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015, om 09.30 uur.
XIV-36595-1/32
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Johan Van Kelst, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karel De Schoenmaeker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend ad-
vies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is commissaris bij de lokale politie Antwerpen.
3.2. Op 2 april 2015 wordt aan verzoeker de voorlopige schorsing bij ordemaatregel opgelegd voor de duur van vier maanden. Er wordt bepaald dat de voorlopige schorsing een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt.
Voor de feiten voorafgaand aan deze beslissing, wordt verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 230.875 van 17 april 2015, waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van deze beslissing is verworpen.
3.3. Bij brief van 15 juli 2015 wordt verzoeker kennis gegeven van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing.
Op 24 juli 2015 wordt verzoeker gehoord. Hij legt hierbij een schriftelijk “verweer voornemen verlenging voorlopige schorsing bij ordemaat-
regel” neer en hij voert ook een mondeling verweer.
XIV-36595-2/32
3.4. Op 28 juli 2015 wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel verlengd in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing, voor de duur van vier maanden. Deze beslissing houdt een inhouding van 25% van de bruto maand-
wedde in.
Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:
“[…]
2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op 5 maart 2015 nam ik kennis van de brief van advocaat-generaal [M.T.]
waarbij ter informatie en voor eventueel verder gevolg de brief van procureur des Konings van 26 februari 2015 (ref. AN.52.99.133/15) werd gevoegd m.b.t.
uw persoon.
De inhoud van de brief van de procureur des Konings luidt als volgt:
„Mijnheer de burgemeester Met verwijzing naar de onderrichtingen zoals vervat in de omzendbrief COL/42003 inzake de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wens ik u in kennis te stellen van het volgende.
Mijn ambt neemt heden kennis van een klacht met burgerlijke partijstelling wegens lasterlijke aangifte en laster dewelke op 20 februari 2015 werd neer-
gelegd door Hoofdcommissaris [S.M.] (korpschef van de lokale politie Ant-
werpen) lastens commissaris Roel Dom (eveneens werkzaam bij de lokale po-
litie Antwerpen).
In de klacht met burgerlijke partijstelling wordt verwezen naar diverse eerdere klachten uitgaande van commissaris Roel Dom tegen korpschef [S.M.] en an-
dere leden van het politiekorps, ondermeer een klacht met burgerlijke partij-
stelling van 18 september 2013 wegens valsheid in geschrifte en laster.
Middels voormelde klachten wordt door commissaris Dom een ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 aangevochten en de daaraan gekoppelde herplaatsing binnen het korps. In het verleden werd door betrokkene overigens ook een klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd lastens voormalig korpschef [E.B.] voor gelijkaardige feiten.
Mijn ambt is tevens op de hoogte van nog diverse andere klachten uitgaande van commissaris Dom, ondermeer een klacht dd. 20/11/2014 bij de arbeidsau-
diteur te Antwerpen wegens pesten op het werk en verschillende procedures bij de Raad van State.
In de klacht van korpschef [S.M.] wordt verwezen naar diverse uitlatingen vanwege voornoemde commissaris Dom in diverse media met betrekking tot de door hem neergelegde klachten. In de klacht met burgerlijke partijstelling is er tevens sprake van een lastercampagne die tot doel heeft de korpschef zoveel mogelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen, minstens zijn ambt te destabiliseren.
XIV-36595-3/32
Het is evident dat de huidige klacht met burgerlijke partijstelling inzake laster-
lijke aangifte en laster samenhangt met de reeds eerdere ingediende klachten van commissaris Roel Dom tegen korpschef [S.M.], inzoverre dat het resultaat hiervan dient afgewacht te worden.
Ongeacht de afloop van voormelde onderzoeken en het gevolg dat eraan ge-
geven zal worden, is mijn ambt van oordeel dat de initiatieven uitgaande van commissaris Dom en de acties lastens zijn korpschef een invloed kunnen heb-
ben op de goede werking van de dienst.
U zal dan ook willen nagaan of er zich maatregelen opdringen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te bewaren.
Met hoogachting [L.F.]
Afdelingsprocureur‟ 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Ik acht de aantijgingen aan uw adres opgenomen in de bijlage aan de brief van advocaat-generaal [M.T.] bijzonder ernstig.
Er werd in de brief immers verwezen naar drie belangrijke punten:
o Er zijn diverse (straf)klachten door u neergelegd, evenwel niet alleen tegen korpschef [S.M.] maar ook tegen voormalig korpschef [E.B.] en andere le-
den van het politiekorps waaronder commissaris van politie [P.C.];
Ik had al kennis van (een deel van) deze klachten, heb deze steeds ernstig genomen en daarom heb ik in het verleden al aan de algemene inspectie de opdracht gegeven om een voorafgaand onderzoek in te stellen lastens korpschef [S.M.] en commissaris van politie [P.C.].
Belangrijk hierbij is te vermelden dat deze onderzoeken (vooralsnog) niet hebben geleid tot het vaststellen van laakbare / strafbare feiten ten laste van korpschef [S.M.] en commissaris van politie [P.C.].
Ook de strafonderzoeken door het openbaar ministerie zelf hebben nog niet geleid tot enige daad van vervolging a fortiori tot enige doorverwijzing naar de correctionele rechtbank.
o Verder is er sprake van verschillende uitlatingen van u in diverse media met betrekking tot de door u neergelegde klachten en procedures tegen o.a.
korpschef [S.M.].
De procureur des Konings stelt daarbij dat in de klacht van korpschef [S.M.]
aan deze media-uitlatingen zeer zwaar wordt getild omdat deze volgens de korpschef een lastercampagne uitmaakt die tot doel heeft hem zoveel mo-
gelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen en minstens zijn ambt te destabiliseren.
o Er werd tegen u een klacht met burgerlijke partijstelling wegens laster en lasterlijke aangifte neergelegd door korpschef [S.M.].
Daarenboven kwam de procureur tot de vaststelling – en vermeldt dit ook ex-
pliciet – dat de door u gestelde handelingen de goede werking van het politie-
korps kunnen bedreigen. Hij vond dan ook dat ik diende na te gaan of maatre-
gelen zich opdrongen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te bewaren.
Om desgevallend te vermijden dat u bij ordemaatregel voorlopig diende te worden geschorst, werden op 12 maart 2015 de leden van het Dircom+ van
XIV-36595-4/32
Lokale Politie Antwerpen bevraagd met betrekking tot de mogelijkheden tot herplaatsing binnen de organisatie.
Tijdens de zitting werd echter vastgesteld dat al de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met u onmogelijk achtten wegens het gebrek aan draagvlak en vertrouwen in uw persoon.
Dit was het gevolg van de vele persartikels waarin u het korps in een slecht daglicht stelde, van uw opnames van uw gesprekken met collega‟s zonder dat deze op de hoogte waren van de opnames, van de (straf)klachten die u tegen verschillende collega‟s had ingediend en van de vele moeilijke werksituaties die door u in het verleden waren gecreëerd.
Mede door dit advies van de leden van het Dircom+ was ik genoodzaakt om u bij ordemaatregel d.d. 2 april 2015 voorlopig te schorsen.
Ik heb inmiddels, in mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, een grondige analyse gemaakt van het advies van de leden van het Dircom+, van uw positie binnen het politiekorps en van de verschillende door u geïnitieerde procedures, waarbij onder meer de stad Antwerpen is betrokken. Ik heb hierbij ook de no-
dige stukken opgevraagd bij de procureur des Konings en de arbeidsauditeur.
Ik kan enkel vaststellen dat u oneigenlijk gebruik hebt gemaakt van zowel uw recht tot het instellen van een gerechtelijke procedure als van uw recht om uw verhaal in de media aanhangig te maken. De wijze waarop u van deze rechten geen gebruik maar misbruik heeft gemaakt, heeft tot gevolg dat het imago van het politiekorps wordt geschaad en de goede werking van het politiekorps wordt gedestabiliseerd.
Het is duidelijk dat deze situatie niet kan blijven duren en een definitieve op-
lossing nodig is, zeker om de rust binnen het korps terug te brengen.
Ik heb om deze reden op 15 juli 2015 een inleidend verslag opgesteld waarbij ik u mijn voornemen kenbaar maakte om u de zware tuchtstraf „ontslag van ambtswege‟ op te leggen. Het inleidend verslag werd u op 15 juli 2015 aange-
tekend verzonden zodat de tuchtprocedure lastens u wordt opgestart.
[…]
4. Motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing met inhouding 25% van de bruto maandwedde 4.1 Bij beslissing van 2 april 2015 heb ik u voorlopig geschorst gelet op het feit dat er een klacht met burgerlijke partijstelling (dossier met notitienummer AN52.99.133/15) tegen u was neergelegd en uw aanwezigheid bij Lokale Po-
litie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst.
U heeft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot vernietiging ingeleid bij de Raad van State tegen deze beslissing. De Raad van State heeft in het arrest van 27 april 2015 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. De procedure tot nietigverklaring is nog hangende.
4.2 Daarenboven heb ik met mijn inleidend verslag van 15 juli 2015, waarbij ik u mijn voornemen kenbaar maakte om u de zware tuchtstraf „ontslag van ambtswege‟ op te leggen en dat aan u aangetekend wordt verzonden, een tuchtprocedure lastens u ingesteld.
4.3 Rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in het dossier, blijkt dat uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen nog steeds onverenigbaar is met het belang van de dienst.
XIV-36595-5/32
Enerzijds is dit omdat de procureur des Konings van oordeel is dat de initia-
tieven uitgaande van u en de acties lastens uw korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst. Naast de klachten tegen de huidige en de vorige korpschef hebt u ook diverse klachten ingediend tegen andere le-
den van het politiekorps.
Anderzijds werden op 12 maart 2015 de leden van het Dircom+ door de korpschef bevraagd met betrekking tot de mogelijkheden tot herplaatsing bin-
nen de organisatie. Tijdens de zitting werd echter vastgesteld dat al de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met u onmogelijk achten wegens het gebrek aan draagvlak en vertrouwen in uw persoon gelet de vele persartikels waarin u het korps in een slechts daglicht stelde, door het opnemen van de ge-
sprekken die u voerde met collega‟s, door de klachten die u tegen verschillende collega‟s indiende en door de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden heeft gecreëerd.
Om deze redenen, die niet gewijzigd zijn, moet vermeden worden dat uw te-
werkstelling binnen Lokale Politie Antwerpen de goede werking van en de rust in de organisatie in het gedrang brengt. Er moet vermeden worden dat uw te-
werkstelling nieuwe initiatieven en/of acties van uwentwege genereert die het politiekorps kunnen destabiliseren.
4.4 Gelet op het voorgaande zie ik buiten de voorlopige schorsing geen andere mogelijkheid tot het treffen van andere minder ingrijpende maatregelen.
Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schor-
sing is voldaan.
Tevens meen ik dat de voorlopige schorsing, een inhouding van wedde van 25%
dient te omvatten om de volgende redenen:
- u krijgt immers het verbod opgelegd om gedurende de tijd dat u voorlopig geschorst bent te komen werken en bijgevolg levert u geen prestaties meer;
- er is een duidelijk verschil in verloning vereist teneinde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen;
- het zou onredelijk zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega;
- een overheid, die ondermeer werkt met het belastinggeld van de burgers, moet haar middelen zuinig en efficiënt beheren.
[…]
7. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de arti-
kelen 2, 3 en 59 tot 65;
Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punten 2 en 4;
Gelet op uw verhoor bedoeld in punt 6 en uw schriftelijk „verweer voornemen voorlopige schorsing bij ordemaatregel‟, die niet van aard zijn om de elementen in rechte en in feite bedoeld in punten 2 en 4 te weerleggen;
Doordat de voorwaarden voorzien in artikel 59 van de Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten voldaan zijn.
A. Schorsingsbeslissing Er dient immers vastgesteld te worden dat artikel 59 van de voormelde Wet voorziet in de mogelijkheid tot het overgaan tot uw voorlopige schorsing indien aan twee voorwaarden cumulatief voldaan is :
XIV-36595-6/32
▪ Er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld;
▪ De aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst.
Beide voorwaarden zijn cumulatief vervuld :
A. Er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld;
Zowel door de klacht met burgerlijke partijstelling ingediend door Hoofd-
commissaris van politie [S.M.] tegen u per 20 februari 2015 als door het op-
starten van de tuchtprocedure bij inleidend verslag dd 15 juli 2015 (stuk 1.17), is aan de eerste voorwaarde voldaan.
U betwist het bestaan van deze klacht en van deze tuchtprocedure niet wat u ook niet kan aangezien dit zekere en vaststaande feiten zijn.
U maakt in uw verweerschrift dd 24 juli 2015 (stuk 1.16) evenwel bij uw ar-
gumenten geen onderscheid tussen voorwaarde 1 en voorwaarde 2 en doet zo (alweer) uitschijnen alsof de klacht en de tuchtprocedure de aanwezigheid in het korps moet onmogelijk maken (voorwaarde 1 gelinkt met voorwaarde 2).
Dit is niet correct.
Omdat u dit argument ook al bij de eerste schorsingsbeslissing dd 2 april 2015
heeft opgeworpen, zowel in uw verweernota voor de hoorzitting als in uw verzoekschrift voor de Raad van State, heeft de Raad van State zich over dit argument al uitgesproken.
In haar arrest dd 17 april 2014 (verzoek UDN tot schorsing inzake eerste schorsingsbeslissing dd heeft de Raad van State geoordeeld (punt 8 pagina 7) :
„Naar luid van artikel 59 van de Tuchtwet kan een voorlopige schorsing bij wijze van ordemaatregel slechts worden opgelegd onder de cumulatieve voorwaarde dat „een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld‟ tegen het betrokken personeelslid en dat de „aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst‟.
Verzoeker betwist niet dat effectief een klacht met burgerlijke partijstelling tegen hemzelf is ingediend, ten gevolge waarvan een gerechtelijk onderzoek loopt. Dit volstaat opdat de eerste voorwaarde van artikel 59 van de Tuchtwet zou zijn vervuld.
Om na te gaan of die voorwaarde is vervuld, is het echter niet vereist te on-
derzoeken wat de invloed is van de tuchtprocedure, het opsporingsonderzoek of de tuchtvervolging op het belang van de dienst.
Dit laatste vormt een afzonderlijke voorwaarde.
Verzoekers argumentatie betreffende de inhoud van de klacht met burgerlijke partijstelling tegen hemzelf en de vraag of zijn aanwezigheid bij de lokale po-
litie door die klacht onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan op het eerste gezicht geen afbreuk doen aan de vaststelling dat wel degelijk een klacht tegen hemzelf is ingediend.
In de bestreden beslissing lijkt derhalve zonder schending van artikel 59 van de Tuchtwet te worden geoordeeld dat aan de in die bepaling voorziene voor-
waarde van een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een strafvervol-
ging tegen het personeelslid is voldaan door de klacht met burgerlijke partij-
XIV-36595-7/32
stelling, ingediend door hoofdcommissaris van politie S.M. tegen verzoeker op 20 februari 2015.‟ […]
Met andere woorden: aangezien er een tuchtprocedure hangende is én een klacht met burgerlijke partijstelling tegen u is neergelegd, is aan voorwaarde 1
zeker voldaan.
B. De aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst;
Ik dien bij het nemen van mijn beslissing vervolgens na te gaan of uw aanwe-
zigheid bij de lokale politie onverenigbaar blijft met het belang van de dienst.
U haalde hieromtrent in uw eerste verweerschrift bij de eerste schorsing zelf de arresten van de Raad van State van 20 december 2012 met nummer 221.887 en 18 december 2012 met nummer 221.789 aan.
Hierbij stelt de Raad van State dat de tuchtoverheid slechts regelmatig tot een verlenging van de voorlopige schorsing kan beslissen wanneer het bestuur na verloop van 4 maanden en rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn of die het op basis van een eigen onderzoek kan verkrijgen, nog altijd op goede gronden kan stellen dat het dienstbelang vereist dat de ambtenaar buiten de dienst blijft. Slaagt het bestuur daar niet in, dan geldt de gewone regel dat de betrokkene zijn plaats in de dienst herneemt, desge-
vallend in een andere functie.
Met andere woorden: het bestuur moet er blijk van geven waarom de feiten op grond waarvan de eerste schorsing werd uitgesproken nog steeds in aanmerking kunnen genomen worden en het moet ook verduidelijken waarom het belang van de dienst zich nog altijd verzet tegen de terugkeer van de ambtenaar […].
Het bestuur kan zich niet verschuilen achter het opstarten van een opspo-
ringsonderzoek om zelf – met de mogelijkheden waarover het beschikt – geen actuele beoordeling te hoeven maken van de feiten en van de invloed daarvan op de aanwezigheid van de betrokkene binnen de dienst.
In tegenstelling tot wat u beweert, dien ik derhalve niet na te gaan of er zich „nieuwe‟ feiten hebben voorgedaan, enkel of voorwaarde 2 nog steeds is ver-
vuld en of de gronden waarop zij is gebaseerd, nog steeds actueel zijn of ge-
actualiseerd dienen te worden.
Ik stel vast dat de feiten, mij bekend bij het nemen van de eerste schorsingsbe-
slissing dd 2 april 2014, nog steeds dezelfde zijn en nog steeds er onverkort voor zorgen dat uw aanwezigheid in het korps onverenigbaar is met het belang van de dienst.
Het betreft de niet aflatende stroom van procedures tegen de Stad Antwerpen en diverse leden van het politiekorps, de diverse persartikelen (zoals integraal opgenomen in het tuchtdossier), het opnemen van gesprekken met collega‟s zonder hen hiervan in te lichten en de duidelijke boodschappen die ik heb ge-
kregen van het Dircom+ over uw werking binnen het korps en van de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden hebt gecreëerd (zo vond u dat niet u maar uw integraal team (meer dan 20 leden) diende te worden herplaatst op het ogenblik dat bleek dat er een vertrouwensbreuk tussen uzelf en uw team werd vastgesteld).
Ik heb daarenboven na het nemen van de eerste beslissing dd 2 april 2015 on-
middellijk bijkomende stappen gezet om na te gaan of één van de voormelde elementen en feiten inmiddels aan herziening toe waren. Dit was evenwel niet
XIV-36595-8/32
het geval, integendeel, zij werden zelfs bevestigd door de informatie die mij sinds 2 april 2015 werd overgemaakt :
1. Reeds op 7 april 2015 (binnen de drie werkdagen na mijn eerste schor-
singsbeslissing dd 2 april 2015) heb ik aan procureur des Konings [B.T.] om bijkomende informatie gevraagd over de hangende procedures (stuk 1.7) :
Met uw brief van 26 februari 2015, mij toegestuurd met de brief van 3 maart 2015 van advocaat-generaal [M.T.] stelde uw ambt mij in kennis van het be-
staan van een gerechtelijk onderzoek ten laste van commissaris van politie Roel Dom.
Op basis van de door uw ambt verstrekte gegevens werd betrokkene voorlopig geschorst voor de duur van vier maanden met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde Deze schorsing nam een aanvang op 2 april 2015 en ver-
loopt dus op 1 augustus 2015. Als bijlage bezorg ik u een kopie van mijn be-
slissing.
Buiten de klacht bij de arbeidsauditeur te Antwerpen op datum van 20 november 2014 wegens pesten op het werk en verschillende procedures bij de Raad van State maakt u in uw brief gewag op de hoogte te zijn van nog an-
dere klachten uitgaande van commissaris van politie Roel Dom.
Gelet op het feit dat commissaris van politie Roel Dom vanaf 2 april 2015
voorlopig bij ordemaatregel werd geschorst en met het oog op het zo snel mo-
gelijk nemen van passende tuchtmaatregelen, verzoek ik u om mij zo spoedig mogelijk een overzicht te bezorgen van deze andere klachten al dan niet inge-
steld t.a.v. de korpschef, andere personeelsleden van het politiekorps dan wel de stad Antwerpen? Kan u mij m.b.t. deze klachten alsook voor de klacht lastens voormalig korpschef [E.B.], mij meer concrete gegevens bezorgen waaronder de datum waarop deze klachten werden ingediend, de concrete inhoud van deze klachten en de huidige stand van zaken per dossier?
Kan uw ambt mij zo snel als mogelijk informeren en mij alle informatie ver-
schaffen die nodig is om met kennis van zaken te oordelen of de voorlopige schorsing al dan niet moet gehandhaafd blijven?
2. ik heb kennis genomen van het arrest van 17 april 2015 van de Raad van State: waarbij uw vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van mijn beslissing tot voorlopige schorsing werd verworpen (stuk 1.8);
Hieruit heb ik kunnen afleiden dat – prima facie – mijn beslissing dd 2 april 2015 als correct kan beschouwd worden, inclusief het voldaan zijn van moet aan zijn de voorwaarde dat uw aanwezigheid niet in het belang is van de dienst.
3. ik heb kennis genomen van de huidige stand van zaken die gekend zijn bij het parket van de procureur des Konings te Antwerpen en dit door de brief van 27
april 2015 van procureur des Konings [B.T.] (stuk 1.9);
Door deze brief werd ik in kennis gesteld van het feit dat een aantal procedures nog steeds hangende waren, maar ook dat één procedure zonder gevolg was geklasseerd wegens onvoldoende bewijs.
In antwoord op uw brief van 7 april 2015 kan ik U volgende gegevens meede-
len, dienstig op tuchtgebied. Volgende dossiers / klachten zijn bij mijn ambt gekend:
- AN-25.EP.38662/13 dd. 10/7/2013. De dienst enquêtes van het Comité P
ontving een klacht vanwege CP Dom tegen KC [M.] en CP [C.] en stelde aanvankelijk proces-verbaal op. Mijn ambt voerde een opsporingsonderzoek
XIV-36595-9/32
en rangschikte het dossier zonder gevolg. Dit dossier werd gevoegd bij het hierna vermelde gerechtelijk onderzoek gelet het identieke voorwerp van de klacht.
- AN-52-99.779/13: Klacht burgerlijke partijstelling tegen korpschef [S.M.]
en CP [C.] dd. 19/9/2013. Het gerechtelijk onderzoek is lopende.
- AN-21.99.351/14: Klacht burgerlijke partijstelling tegen voormalig korps-
chef [E.B.] dd. 7/4/2014. Het gerechtelijk onderzoek is lopende.
- AN21.99.121/15: Het Vast Comité P brengt mij met een brief van 2/2/2015
een schrijven ter kennis waarbij CP Dom feiten van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken ten laste legt aan KC [S.M.], HC [D.] en CP
[J.D.G.] van de lokale politie Antwerpen. De feiten hebben betrekking op de weigering van het verzoek van HINP [R.R.] tot verlenging van zijn pensi-
oenleeftijd. Dit dossier werd door mijn ambt op 20/2/2015 zonder gevolg gerangschikt wegens onvoldoende bewijs.
Inzake de klachten bij de arbeidsauditeur wil ik U verzoeken zich tot de ar-
beidsauditeur te wenden.
Uit deze brief bleek ook dat er nog steeds geen enkele van uw klachten tot een daadwerkelijke vervolging voor de correctionele rechtbank heeft geleid.
4. In navolging van deze informatie, heb ik, bij brief van 8 mei 2015, aan pro-
cureur des Konings [B.T.] gevraagd om inzage, kopie en toestemming tot ge-
bruik van gerechtelijke stukken (stuk 1.10);
5. Tegelijkertijd heb ik, zoals gesuggereerd door de procureur des Konings aangegeven te veel, op 8 mei 2015 aan arbeidsauditeur [S.S.] informatie ge-
vraagd over de twee klachten die waren ingediend bij de arbeidsauditeur (stuk 1.11);
6. Bij brieven van 13 mei 2015 en 3 juni 2015 (stukken 1.12) van arbeidsaudi-
teur [K.V.K.] werd mij toelating verleend tot inzage, kopie en gebruik van ge-
rechtelijk dossiers (I/1850/13 en I/2481/14); (een deel van) de concrete dossiers met betrekking tot de klachten bij de arbeidsauditeur werden eveneens over-
gemaakt aangezien deze afgesloten waren zonder gevolg.
Hieruit bleek trouwens ook voor het eerst dat u ook nog een klacht had neer-
gelegd bij de FOD. Opnieuw bleek dat beide klachten bij het auditoraat zelf, ongegrond waren.
7. Door de brief van 5 juni 2015 van procureur des Konings [B.T.] kreeg ik informatie over het dossier dat was geopend na uw klacht dd 9 januari 2015 bij het comité P en dat aan het parket was overgemaakt (stuk 1.13);
Met verwijzing naar uw brief van 8 mei 2015 wordt U hierbij een afschrift overgemaakt van het door mijn ambt zonder gevolg gerangschikte strafdossier.
Deze stukken mogen aangewend worden voor tuchtrechtelijke doeleinden.
Wat de overige dossiers betreft waarvan melding werd gemaakt in mijn brief van 27 april 2015 breng ik u ter kennis dat de gerechtelijke onderzoeken gekend onder notitienummers 52.99.779/13 en 21.99.121/15 nog lopende zijn. Gelet deze stand van zaken is het niet mogelijk reeds afschrift van deze bundels over te maken.
Ik heb met andere woorden, en dit in tegenstelling tot wat u suggereert in uw verweerschrift, wel diverse stappen ondernomen, verder onderzoek gevoerd en in elk geval nagegaan of de voorwaarden tot verlenging vervuld waren en ble-
ven.
XIV-36595-10/32
De tijd heeft hieraan niets gewijzigd.
Ik heb geen enkele informatie gekregen waaruit zou blijken dat één van de feiten waarop ik mij bij de eerste beslissing heb gesteund zou gewijzigd zijn en dat uw aanwezigheid in het belang van de dienst zou zijn : nog steeds zijn er tal van (straf)klachten hangende die op uw verzoek werden gestart; nog steeds heeft geen enkel van deze klachten geleid tot een daadwerkelijke vervolging van de betrokken personen; geen van de leden van het Dircom+ heeft mij laten weten dat hij/zij wel een plaats voor u had in zijn/haar dienst of dat hun ver-
trouwen in u zou zijn hersteld;
U merkt in uw verweerschrift op dat ik geen onderzoek zou hebben gedaan naar de huidige stand van het onderzoek naar aanleiding van de klacht ingediend door de heer [M.]. U schrijft in uw verweerschrift op pagina 5 dat het „uiteraard niet uitgesloten is dat dit gerechtelijk onderzoek werd afgesloten waardoor de basis voor de verlenging van de schorsing volkomen verbreekt‟.
Ik mag er evenwel van uitgaan dat wanneer het dossier zou zijn geseponeerd, u dit als eerste zou weten en mij dit wel onmiddellijk zou meedelen.
Hier kan mij dus zeker geen gebrek aan actie ten laste gelegd worden.
Trouwens zou een einde aan dit onderzoek in geen geval de basis ontnemen aan deze beslissing:
- met betrekking tot voorwaarde 1 werd inmiddels een tuchtprocedure opge-
start - met betrekking tot voorwaarde 2 werd door mij nooit enige link gelegd tus-
sen deze klacht ingesteld door de heer [M.] enerzijds en de onverenigbaar-
heid tussen uw aanwezigheid en het belang van het korps anderzijds.
Ik wens daaraan trouwens onmiddellijk toe te voegen dat u zelf in de tussentijd niets heeft gedaan om mij te overtuigen dat uw aanwezigheid binnen het korps wel in het belang van de dienst is.
De Raad van State oordeelde in een arrest dd 3 juni 2014 (n° 227.615) nochtans:
„Om na een eerste beslissing tot voorlopige schorsing die schorsing te verlen-
gen, is een nieuwe beslissing vereist. Om een nieuwe beslissing ter zake te nemen, moet de verwerende partij opnieuw afwegen of de feitelijke gegevens van de zaak, zoals zij inmiddels geëvolueerd zijn en aanleiding hebben kunnen geven tot nieuwe inzichten over de gebeurtenissen en de bijhorende ontwrich-
ting van de werking van de dienst, haar nog wel toelaten te besluiten dat een verdere voorlopige schorsing toch nog noodzakelijk is om de goede werking van de dienst te verzekeren, in welk geval zij ook rekening zal moeten houden met andere ordemaatregelen die zij kan treffen, zoals de voorlopige tewerk-
stelling in een dienst waar de betrokkene wel nog kan functioneren.
In zijn verweerschrift (...) heeft verzoeker verschillende argumenten aangehaald die er volgens hem op wijzen dat zijn aanwezigheid bij de federale politie niet langer onverenigbaar is met het belang van de dienst.
(…)
Niettegenstaande de pertinentie van verzoekers argumentatie werd er in de be-
streden beslissingen in de zaken (...) aan voorbij gegaan.
De zorgvuldigheidsplicht houdt in dat verzoekers argumenten terdege worden onderzocht en dat de beslissing slechts op deugdelijke motieven steunt als ze verzoekers argumentatie mee in overweging neemt.‟
XIV-36595-11/32
Het arrest dd 16 mei 2012 van de Raad van State (n° 219.381) legde dezelfde nadruk (pagina 16 punt 11) :
„Aldus lijkt de bestreden beslissing de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van de verzoeker met het belang van de dienst afdoende te verantwoorden door de vertrouwensbreuk die zowel ten aanzien van de bestuurlijke overheden als ten aanzien van de leden van het korps is ontstaan.
De verzoeker brengt geen gegevens aan die het bestaan van die tweevoudige vertrouwensbreuk vermogen te ontkrachten.‟ […]
Ik leid uit beide arresten af dat „verzoeker‟ zelf ook de nodige initiatieven dient te nemen om de tuchtoverheid te overtuigen van het feit dat zijn aanwezigheid in het korps het belang van het korps niet schaadt, quod non in casu.
U heeft op geen enkel moment enig argument of feit aangebracht dat zou aan-
tonen dat de relaties met uw collega‟s zou hersteld zijn, dat u niet langer ge-
sprekken zou opnemen zonder dat uw gesprekspartners hiervan op de hoogte waren noch dat u zou stoppen met procedures tegen de Stad Antwerpen en/of uw collega‟s.
U heeft blijkbaar bv. geen enkele van uw collega‟s bereid gevonden om te ge-
tuigen dat er geen vertrouwensbreuk heeft plaatsgevonden of dat hieraan in-
middels zou verholpen zijn.
U gebruikt geen enkel ander argument dan deze die u reeds bij de eerste schorsingsbeslissing aanwendde of in hangende procedures voor de Raad van State.
Integendeel, u herhaalt zelfs argumenten die door de Raad van State reeds als ongegrond werd beoordeeld, zoals bv. het steeds opnieuw verwijzen naar artikel 22 RIM en de consultatie van het HR-comité terwijl de Raad van State enkel verwijst naar artikel 59 van de Tuchtwet.
Ik kan dan ook niet anders dan vaststellen dat ook voorwaarde 2 vervuld werd.
De feiten zijn duidelijk, reden waarom ik trouwens, na kennisname van de brieven en dossiers van zowel de procureur des konings als van de auditeur, de tuchtprocedure heb opgestart op 15 juli 2015.
B. Inhouding van 25% van de wedde Ik herhaal de motivatie tot inhouding van wedde van 25% gedurende de schorsingsperiode :
- u krijgt immers het verbod opgelegd om gedurende de tijd dat u voorlopig geschorst bent te komen werken en bijgevolg levert u geen prestaties meer;
- er is een duidelijk verschil in verloning vereist teneinde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen;
- het zou onredelijk zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega;
- een overheid, die ondermeer werkt met het belastinggeld van de burgers, moet haar middelen zuinig en efficiënt beheren.
In uw verweerschrift stelt u dat de termijn om een dossier samen te stellen met betrekking tot de gevolgen van een inhouding van wedde te kort was.
Ondanks het feit dat deze toestand u nochtans al bijna 4 maanden bekend, na-
melijk van bij de aanvang van uw eerste schorsing, werd tijdens de hoorzitting met de heer [T.H.] toch overeengekomen dat u alsnog tot dinsdag, 28 juli 2015
de tijd kreeg om mij alsnog bijkomende bewijsstukken te bezorgen met be-
trekking tot de gevolgen van de inhouding van wedde.
XIV-36595-12/32
Op dinsdag, 28 juli 2015 stuurde u mij per e-mail inderdaad nieuwe stukken toe maar het betrof enkel een aantal loonfiches van uzelf en van uw vrouw (stuk 1.18).
U bezorgde mij echter geen concretere gegevens met betrekking tot uw ge-
zinsuitgaven, leningen of andere uitgaven die aantonen dat de voorgenomen inhouding van wedde u in een moeilijke positie zou brengen.
Er wordt door u ook niet verwezen naar ongewone of bijzondere lasten, buiten de normale familiale kosten waardoor er geen elementen voorhanden zijn die zouden aantonen dat de voorgenomen inhouding van wedde u financieel in problemen zou brengen.
Er wordt niet aangetoond waarom de maximum inhouding van 25% kennelijk onredelijk zou zijn. Bovendien wordt hierboven duidelijk aangegeven waarom de verlenging van de voorlopige schorsing gepaard dient te gaan met een in-
houding van wedde van 25%.
Mijn beslissing is derhalve zeker gemotiveerd.
U voegt in uw verweer trouwens geen enkel argument toe waarom de inhouding van 25% niet zou geoorloofd zijn.
In mijn hoedanigheid van overheid bevoegd voor de voorlopige schorsing:
Beslis ik:
uw huidige voorlopige schorsing te verlengen in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing voor de duur van vier maanden, zoals voorzien in artikel 61 van de wet van 13 mei 1999.
De voorlopige schorsing, houdt een inhouding van 25% van de bruto maand-
wedde in.
[…]”
IV. De schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
XIV-36595-13/32
Uiteenzetting van het middel
5. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-
handelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en van de artikelen 59 en 61 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de wet van 13 mei 1999). Hij voert aan dat de overheid in het raam van de verlenging van de voorlopige schor-
sing het dossier volledig dient te actualiseren, niet enkel wat de feiten betreft die aan verzoeker worden verweten, doch ook wat de onverenigbaarheid betreft van de aanwezigheid van verzoeker in het korps met het algemeen belang van de dienst.
Verzoeker betoogt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verwerende partij dergelijk onderzoek heeft gevoerd. Hij ontwikkelt ter zake vier argumenten.
In een eerste argument voert verzoeker aan dat er geen actuali-
sering van de feitelijke gegevens plaatsvond. Hij stelt dat de verwerende partij zich beperkte tot het opvragen van informatie bij de gerechtelijke overheden met be-
trekking tot de procedures die door verzoeker werden ingesteld betreffende P.C., S.M. en E.B. Deze gegevens waren aan de verwerende partij reeds gekend bij de beslissing tot schorsing en dragen niets nieuws bij: het is het instellen van proce-
dures dat aan verzoeker wordt verweten. Dat deze werden ingesteld, was dus reeds gekend en vormt geen nieuw element bij de beoordeling van de noodzaak van de verlenging van de schorsing en de gebeurlijk nieuwe elementen die uit de mede-
deling door de procureur des Koning of de arbeidsauditeur blijken, worden door de verwerende partij niet nader onderzocht noch wordt overwogen of deze feiten de verlenging van de schorsing verantwoorden. Verzoeker stelt dat de verwerende partij zich voor de verlenging van de schorsing aldus zonder meer baseert op de-
zelfde feiten als de feiten die aan de schorsing ten grondslag liggen, zonder dat desbetreffend enig onderzoek wordt gedaan. Zelfs indien de overheid zou hebben vastgesteld dat de feiten dezelfde zijn gebleven, dan nog behoorde zij die nog steeds te actualiseren. De verwerende partij voldoet niet aan die voorwaarde en kon er zich niet mee vergenoegen informatie over de hangende onderzoeken op te
XIV-36595-14/32
vragen bij de gerechtelijke overheden. Zij diende zelf een onderzoek te voeren en de bewijzen voor te leggen die de verlenging van de voorlopige schorsing recht-
vaardigen. Dit schendt de aangehaalde bepalingen en doordat de noodzakelijke actualisering en het onderzoek dat door de burgemeester ter zake behoorde te gebeuren, niet blijken uit de bestreden beslissing, staat ook de schending van de formelemotiveringsplicht vast.
Een tweede argument ziet verzoeker in het feit dat “zelfs de gevolgen van de klacht met burgerlijke partijstelling van de heer M. opzichtens verzoeker niet worden geactualiseerd”. Nochtans blijkt dat in de bestreden beslis-
sing expliciet wordt overwogen dat “bij beslissing van 2 april 2015 heb ik u voorlopig geschorst gelet op het feit dat er een klacht met burgerlijke partijstelling (…) tegen u was neergelegd en uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst”. Uit het administratief dossier blijkt niet dat door de verwerende partij initiatief wordt genomen zich bij de procureur des Konings te informeren betreffende de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek ingevolge de voormelde klacht. Volgens de verwerende partij mag zij er van uitgaan dat wanneer het dossier zou zijn geseponeerd, verzoeker dit als eerste zou weten en haar dit zou meedelen. De verwerende partij veronachtzaamt hierbij dat het een gerechtelijk onderzoek betreft dat niet kan worden geseponeerd en verzoeker als verdachte is niet op de hoogte van eventuele beslissingen ter zake.
Het is de verwerende partij die hieromtrent inlichtingen dient in te winnen en zij kan haar verplichtingen ter zake niet op verzoeker afschuiven. Voorts wijst ver-
zoeker er op dat de actualisering van deze klacht wezenlijk is in de beoordeling van de noodzaak tot verlenging van de voorlopige schorsing en deze beoordeling moest worden gevoerd en vermeld in de bestreden beslissing.
Ten derde is er volgens verzoeker geen actualisering van de bedreiging van het dienstbelang gebeurd. Verzoeker voert aan dat hij in zijn ver-
weer tegen de schorsingsbeslissing en in het verweer tegen het voornemen tot verlenging van de schorsing, steeds heeft doen gelden dat zijn behoud in het korps minstens tot 21 november 2014 het bewijs uitmaakt dat zijn aanwezigheid in het
XIV-36595-15/32
korps niet strijdig is met het dienstbelang, hetgeen hij detailleert. Hij heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat er geen redenen zijn waarom zijn aanwezigheid strijdig zou zijn met het dienstbelang. Er kan hem dan ook niet worden verweten, zoals blijkt uit de bestreden beslissing, dat hij op geen moment, enig argument of feit zou hebben aangebracht dat zou aantonen dat de relaties met zijn collega‟s zouden zijn hersteld. Ten onrechte leidt de verwerende partij uit bepaalde arresten van de Raad van State af dat verzoeker zelf ook ter zake de nodige initiatieven moet nemen. Verzoeker meent voorts dat hij aan deze voorwaarde heeft voldaan door met reden aan te voeren dat de relaties met zijn collega‟s nooit in het gedrang zijn geweest. Hij besluit dat op geen enkele wijze wordt gemotiveerd om welke reden de gekendheid van de feiten gedurende een bijzonder lange periode niet enkel aanleiding heeft kunnen geven tot schorsing, maar daarbij ook nog de ver-
lenging van de schorsing niet in de weg staat. Alleszins zijn er volgens hem al-
ternatieven voorhanden waarin hij kan worden geplaatst en is een voorlopige schorsing geenszins strikt noodzakelijk, hetgeen hij in zijn verweer had doen gelden en had ontwikkeld. Alleszins staat volgens verzoeker vast dat er geen on-
derzoek werd gevoerd naar de vraag waarom het belang van de dienst zich nog steeds zou verzetten tegen zijn terugkeer. Het niet beantwoorden van de argu-
mentatie van verzoeker maakt een schending uit van de zorgvuldigheidsverplich-
ting en van de formelemotiveringsplicht. Zijn aanwezigheid in het korps werd als strijdig beschouwd met het belang van de dienst ingevolge het verslag van het Dircom+ van 12 maart 2015. Hoewel hij de bewijswaarde van dit verslag ernstig ter discussie stelde in zijn verweer tegen de schorsing, wordt de inhoud ervan niet geactualiseerd. Deze verplichting geldt volgens verzoeker des te meer gezien de inhoud van dit verslag ter discussie wordt gesteld door verzoeker, minstens kwam aan de verwerende partij de verplichting toe om de beoordeling door het Dircom+
te actualiseren. Volgens verzoeker diende een onderzoek te worden bevolen uit te voeren door een onafhankelijke instantie, waarna hij uiteenzet hoe bijvoorbeeld de verwerende partij had kunnen optreden. De verwerende partij had de gelegenheid de inhoud van dit verslag aan een nader onderzoek te onderwerpen, doch zij heeft manifest nagelaten dit te doen. Zelfs al wordt aanvaard dat het Dircom+ het aan-
gewezen orgaan is om de overheid in dezen advies te verlenen, had de verwerende
XIV-36595-16/32
partij de mogelijkheid een nieuw advies te verzoeken aan het Dircom+. Door dit onderzoek niet te doen en het onderzoek en de resultaten ervan niet in de bestreden beslissing te vermelden, staat volgens verzoeker een manifeste schending van de zorgvuldigheidsplicht en de formelemotiveringsverplichting vast.
Ten vierde is er volgens verzoeker geen actualisering gebeurd ten aanzien van de noodzaak tot inhouding van 25% wedde. De motivering is exact dezelfde als de motivering opgenomen in de aanvankelijke schorsing. Het komt aan de verwerende partij toe de verlenging van deze inhouding te motiveren en de noodzaak van deze vermindering opnieuw te beoordelen in het raam van de voorgenomen verlenging. Enkel en alleen reeds de vaststelling dat verzoeker een bijkomende periode van vier maanden een vermindering van 25% van zijn wedde behoort te ondergaan, behoeft een bijkomend onderzoek en motivering. Verzoeker voegt er aan toe dat alleszins niet blijkt om welke reden de maximale inhouding van wedde noodzakelijk zou zijn.
Beoordeling
De schending van de artikelen 59 en 61 van de wet van 13 mei 1999
6. Artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 luidt:
“Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Bin-
nenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het poli-
tiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen.
[…]”
Uit deze bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn, in het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporings-
onderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn, en moet ten tweede de
XIV-36595-17/32
aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst.
Het eveneens geschonden geachte artikel 61 van dezelfde wet bepaalt:
“De voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden.
De voorlopige schorsing mag worden verlengd door, naar gelang van het geval, de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege zonder dat haar duur een jaar mag overschrijden.
[…]”
Uit deze bepaling volgt dat, om na een eerste beslissing tot voorlopige schorsing die schorsing te verlengen, een nieuwe beslissing is vereist.
In samenhang met het hiervoor aangehaalde artikel 59, kan hierbij enkel tot een verlenging van de lopende voorlopige schorsing worden besloten, indien bij deze verlenging nog steeds is voldaan aan beide in artikel 59, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 bepaalde cumulatieve voorwaarden.
Wat de tweede voorwaarde betreft, kan tot een verlenging van de voorlopige schorsing slechts worden beslist wanneer de bevoegde overheid reke-
ning houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn of die zij op basis van een eigen onderzoek kan verkrijgen, nog altijd kan stellen dat het dienstbelang vereist dat de politieambtenaar buiten de dienst blijft. De bevoegde overheid dient hiertoe, met de mogelijkheden waarover zij beschikt, een actuele beoordeling te maken van de feiten en van de invloed daarvan op de aanwezigheid van betrokkene binnen de dienst.
Uit wat voorafgaat volgt dat, anders dan wat verzoeker betoogt, de voormelde plicht tot actualisatie op zich niet vereist dat het gehele dossier moet worden geactualiseerd.
7. Het komt aan de bevoegde overheid toe te oordelen of de voor-
lopige schorsing dient te worden verlengd. Zij beschikt ter zake over een discre-
XIV-36595-18/32
tionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wet-
tigheidstoezicht, niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde bepalingen en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
8. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.4). Hierin kan worden gelezen dat de verwerende partij stelt dat zij, na de aanvankelijke schorsingsbeslissing, een grondige analyse heeft gemaakt van het advies van de leden van het Dircom+, van verzoekers positie binnen het politiekorps en van de verschillende door verzoeker geïnitieerde pro-
cedures waarbij onder meer de stad Antwerpen is betrokken. De verwerende partij blijkt zich tevens nader te hebben geïnformeerd bij de procureur des Konings en bij de arbeidsauditeur door hen te bevragen over de door verzoeker ingediende klachten en door vervolgens ook inzage, kopie en gebruik van de gerechtelijke stukken te vragen.
Op het eerste gezicht heeft de verwerende partij aldus de nodige inspanningen geleverd om alle gegevens die op het ogenblik beschikbaar zijn of die zij op basis van een eigen onderzoek kan verkrijgen, te verwerven om aldus een exact zicht te krijgen op de gegevens die de schorsing verantwoorden en de evo-
lutie ter zake. In deze stand van het geding blijkt dat de argumenten en feitelijke beschouwingen die verzoeker ter zake aangeeft, weliswaar blijk geven van een andere feitelijke beoordeling, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zicht te krijgen op de feitelijke gegevens zoals die inmiddels zijn geëvolueerd.
9. Verzoeker voert ook aan dat de gevolgen van de klacht met burgerlijke partijstelling door M., niet werden geactualiseerd.
XIV-36595-19/32
In de mate dat deze kritiek de eerste voorwaarde vervat in artikel 59, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 betreft, volstaat de vaststelling dat in het raam van een verlenging van een voorlopige schorsing - nog steeds - “een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld” tegen verzoeker. Te dezen betwist verzoeker niet dat op het ogenblik van de beslissing over de verlenging, effectief nog steeds (minstens) een (gerechtelijk) onderzoek loopt tegen hem. Op het eerste gezicht volstaat dit te dezen, zodat het niet vereist lijkt ter verificatie daarvan, dat de verwerende partij zich bij de procureur des Konings informeert betreffende de stand van dit onderzoek.
In de mate dat verzoeker lijkt aan te geven – zoals ook ter te-
rechtzitting wordt bevestigd door verzoeker – dat de verwerende partij dit onder-
zoek naar de stand van zaken moest voeren in het raam van het onderzoek naar het voldaan zijn van de tweede voorwaarde, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat door de verwerende partij “nooit enige link [werd] gelegd tussen deze klacht […] enerzijds en de onverenigbaarheid tussen [verzoekers] aanwe-
zigheid en het belang van het korps anderzijds”. Verzoeker maakt in het ver-
zoekschrift niet aannemelijk dat zulks wel het geval is. In het licht hiervan maakt verzoeker in deze stand niet aannemelijk dat de verwerende partij aldus haar plicht tot actualisering van de impact van de feiten op de werking van de dienst heeft miskend door niet het initiatief te nemen zich te informeren betreffende de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek dat is gevoerd ingevolge die klacht.
10. In de mate dat verzoeker doet gelden dat er geen actualisering is gebeurd van de beoordeling van de impact van de feiten op verzoekers aanwe-
zigheid binnen de dienst, blijkt uit de hiervoor weergegeven formele motivering dat de verwerende partij wel degelijk concreet heeft onderzocht waarom in het licht van het tijdsverloop, de feiten of redenen van de aanvankelijke schorsing nog steeds noodzaken om verzoeker buiten de dienst te houden. De bestreden beslis-
sing haalt daartoe de redenen aan: er zijn nog steeds tal van (straf)klachten han-
gende die op verzoek van verzoeker zijn gestart; nog geen enkele ervan heeft
XIV-36595-20/32
geleid tot een daadwerkelijke vervolging van de betrokken persoon en nog steeds heeft geen van de leden van het Dircom+ laten weten dat hij wel een plaats voor verzoeker had in zijn dienst of dat zijn vertrouwen in verzoeker zou zijn hersteld.
Voorts stelt de bestreden beslissing vast dat verzoeker op geen enkel moment enig argument of feit heeft aangebracht dat zou aantonen dat de relaties met zijn col-
lega‟s hersteld zouden zijn, dat verzoeker niet langer gesprekken zou opnemen zonder dat zijn gesprekspartners hiervan op de hoogte waren, noch dat hij zou stoppen met procedures tegen de stad Antwerpen en/of zijn collega‟s.
In deze stand van het geding blijkt aldus dat de verwerende partij opnieuw heeft afgewogen of de feitelijke gegevens haar nog wel toelaten te be-
sluiten dat een verdere voorlopige schorsing toch nog noodzakelijk is om de goede werking van de dienst te verzekeren. Door op basis van deze vaststellingen en beoordeling te oordelen dat voldaan is aan de tweede voorwaarde, blijkt niet dat de verwerende partij aldus de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoor-
delingsvrijheid ter zake te buiten is gegaan. De door verzoeker aangegeven ar-
gumenten en feitelijke beschouwingen – zoals dat er alternatieven zouden zijn –
alsook suggesties hoe volgens hem deze actuele beoordeling diende te gebeuren – bijvoorbeeld door de beoordeling door het Dircom+ te actualiseren, een onder-
zoek te bevelen door een onafhankelijke instantie, bepaalde leden van het Dircom+
afzonderlijk te bevragen en het verslag van het Dircom+ aan een nader onderzoek te onderwerpen, door verzoekers personeelsdossier op te vragen, enz. – geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling ter zake, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bevoegde overheid door het verrichten van de ac-
tuele beoordeling als gedaan in de bestreden beslissing, de grenzen van een rede-
lijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten zou zijn gegaan. Evenmin doet verzoekers kritiek dat de bestreden beslissing stelt dat hij zelf geen argu-
menten of feiten heeft aangebracht, afbreuk aan het voorgaande nu op het eerste gezicht uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij haar plicht tot actualise-
ring niet heeft miskend.
XIV-36595-21/32
11. In de mate dat tot slot verzoeker betoogt dat er geen actualisering is gebeurd ten aanzien van de noodzaak tot inhouding van 25% wedde, past het artikel 64 van de wet van 13 mei 1999 in herinnering te brengen. Deze bepaling luidt:
“De overheid die de voorlopige schorsing uitspreekt, kan beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde omvat. De inhouding van wedde mag ten hoogste vijfentwintig percent van de brutowedde bedragen. De overheid waarborgt aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan het bedrag van het be-
staansminimum zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. In geval van deel-
tijdse prestaties wordt dat bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt.”
Deze bepaling verleent aan het bevoegde bestuur de bevoegd-
heid om aan een maatregel van voorlopige schorsing de bijkomende maatregel van inhouding van wedde te koppelen. Het bestuur beschikt daarbij over een discre-
tionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de opportuniteit om deze bijkomende maatregel op te leggen, als op het vlak van de grootteorde ervan, met dien verstande dat de inhouding de in artikel 64 van de wet van 13 mei 1999 be-
paalde grenzen niet mag overschrijden.
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wet-
tigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de opportuniteit van de inhouding, noch van de grootteorde ervan. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
De bestreden beslissing motiveert waarom een inhouding van de wedde met 25% nog steeds gehandhaafd blijft. De enkele omstandigheid dat die “exact dezelfde [is] als de motivering opgenomen in de initiële schorsing”, maakt die daarom niet onwettig. Voorts vereisen op het eerste gezicht de door verzoeker geschonden geachte bepalingen en beginselen niet dat de enkele vaststelling dat verzoeker een bijkomende periode van vier maanden een vermindering van 25%
XIV-36595-22/32
van zijn wedde behoort te ondergaan, een bijkomend onderzoek en motivering behoeft, noch noodzaken ze de verwerende partij “de inhouding van wedde te actualiseren en aan een grondiger onderzoek te onderwerpen”.
Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
12. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn be-
slissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige feitenvinding dient te steunen zodat het op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt.
Uit wat voorafgaat blijkt in deze stand van het geding dat de verwerende partij bij de verlenging van de voorlopige schorsing geen passieve houding heeft aangehouden ten aanzien van de actuele beoordeling van de impact van de feiten op de werking van de dienst en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de verwerende partij bij die beoordeling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige feitelijke gegevens. Aldus staat in deze stand van het geding evenmin vast dat de verwerende partij hierbij niet zorgvuldig zou hebben gehandeld.
Schending van de formelemotiveringsplicht
13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de moti-
vering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voor-
melde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelan-
gende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze
XIV-36595-23/32
werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
14. De bestreden beslissing steunt op de hiervoor onder punt 3.4
weergegeven motieven. Hieruit blijkt op afdoende wijze de actuele beoordeling van de impact van de feiten op de werking van de dienst alsook waarom, naar het oordeel van de verwerende partij, verzoeker nog verder voorlopig geschorst dient te blijven in het belang van de dienst. Dit volstaat in het licht van de formelemo-
tiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven ter zake nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig.
Waar verzoeker ook doet gelden dat op zijn argumenten niet geheel wordt geantwoord, houdt - anders dan verzoeker voorhoudt - de formele motivering niet in dat de verwerende partij ertoe verplicht is uitdrukkelijk te ant-
woorden op alle door hem in zijn verweerschrift ten aanzien van het voorstel tot verlenging van de schorsing verwoorde argumenten. Het volstaat dat impliciet of expliciet blijkt dat de argumentatie van verzoeker daadwerkelijk in de besluit-
vorming is betrokken. Te dezen beperkt verzoeker zich wat deze kritiek betreft tot een blote bewering, zonder in concreto nader toe te lichten of uit te werken waarom uit de bestreden beslissing niet (minstens impliciet) kan worden afgeleid waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard, derwijze dat hierdoor de formelemotiveringsplicht zou zijn miskend.
Conclusie
15. Het middel is niet ernstig.
XIV-36595-24/32
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
16. Verzoeker voert de schending aan van artikel 13 van de grond-
wet, van artikel 6 EVRM en van artikel 14 BUPO. In essentie stelt hij dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat voor het eerst in aanmerking wordt genomen het feit dat hij meerdere procedures heeft ingesteld tegen de stad Antwerpen. Terzijde gelaten dat dit niet was opgenomen in de aanvankelijke schorsingsbeslissing en dat hieruit een verdoken reden blijkt om hem te schorsen, zet verzoeker uiteen dat op grond van de geschonden geachte bepalingen, het instellen van procedures hem niet kan worden verweten. De bestreden beslissing beoogt de uitoefening van het door de geschonden geachte bepalingen beschermde recht op toegang tot de rechter – dat ook geldt voor de ambtenaar – te verhinderen.
Dit blijkt volgens verzoeker uit de omstandigheid dat de bestreden beslissing zelf uitdrukkelijk stelt dat met de schorsing en de verlenging ervan, dient te worden verhinderd dat verzoeker nog verdere initiatieven zou nemen, hetgeen niet mag worden beoogd. Verzoeker licht voorts toe dat de uitoefening van zijn grond-
rechten niet absoluut is en een beperking vindt in rechtsmisbruik, maar dat het instellen van rechtsvorderingen evident geen rechtsmisbruik uitmaakt. De om-
standigheid dat meerdere procedures worden ingeleid, kan niet aan verzoeker worden verweten en is een gevolg van de aanhoudende onwettelijkheid in de handelingen die ten aanzien van verzoeker worden gesteld. Het instellen van procedures tegen de stad Antwerpen en tegen leden van het politiekorps kan geenszins aan verzoeker worden verweten, maakt dus geen deontologische te-
kortkoming uit en kan ook geen grond zijn tot voorlopige schorsing. Daarbij kan niet worden ingezien hoe het instellen van procedures tegen de stad Antwerpen relateert aan het dienstbelang en waarom dit het zou noodzaken verzoeker verlengd uit de dienst te houden. Verzoeker besluit dat door de verlenging van de schorsing op te leggen omwille van het instellen van procedures en daarbij tot doel te stellen te verhinderen dat verzoeker nog bijkomende initiatieven zou ontwikkelen, hij
XIV-36595-25/32
tuchtrechtelijk wordt geviseerd omwille van de uitoefening van zijn grondwette-
lijke rechten.
Beoordeling
17. Op het eerste gezicht lijkt verzoeker zijn kritiek te focussen op één enkel element, namelijk dit van de “niet aflatende stroom van procedures”, die zou noodzaken verzoeker buiten dienst te houden. Uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht dat verzoeker dit element uit zijn volledige context haalt. Zoals bij de behandeling van het eerste middel is gebleken, wordt er naast dat ene element immers ook verwezen naar de diverse persartikelen, de opname van gesprekken met collega‟s buiten hun medeweten om en de boodschap van het uitgebreide Directiecomité over de werking binnen het korps en de moeilijke werksituaties die door verzoeker werden gecreëerd. Het is omwille van de ver-
schillende door verzoeker ingestelde procedures, en dit in samenhang met alle andere voornoemde elementen, dat de verwerende partij heeft geoordeeld dat, zoals ook in de bestreden beslissing zelf wordt aangegeven, verzoeker een onei-
genlijk gebruik heeft gemaakt van zowel zijn recht tot het instellen van een ge-
rechtelijke procedure als van zijn recht om zijn verhaal in de media aanhangig te maken en dat de wijze waarop hij van deze rechten geen gebruik maar misbruik heeft gemaakt, tot gevolg heeft dat het imago van het politiekorps wordt geschaad en de goede werking van het politiekorps wordt gedestabiliseerd. De feitelijke context die de verwerende partij heeft beoordeeld, is derhalve niet het enkele feit van het instellen van rechterlijke procedures en de poging deze te beletten.
Verzoeker gaat er derhalve op het eerste gezicht in deze context verkeerd van uit dat hem aldus het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd nu ter beoordeling van de noodzaak van de verlenging van de aanvankelijke voorlo-
pige schorsing, niet voorligt het gebruik door verzoeker van het recht om gerech-
telijke procedures in te stellen, maar wel het instellen van talrijke procedures en tegen verschillende personen ingediende klachten – waarvan er blijkbaar reeds zonder gevolg werden afgesloten – hetgeen door de verwerende partij dus wordt
XIV-36595-26/32
beschouwd als een “oneigenlijk gebruik”, en dit in samenhang met de voornoemde elementen. Verzoeker maakt derhalve niet aannemelijk dat de bestreden beslissing ertoe strekt een niet oneigenlijk gebruik van het recht op toegang tot de rechter te ontzeggen. In de mate dat verzoeker voorts aanvoert dat het instellen van proce-
dures geen deontologische tekortkomingen is, moet worden opgemerkt dat het voorwerp van de bestreden beslissing is, het beogen de goede werking van de dienst te verzekeren, zodat de vraag of dit gedrag een tuchtvergrijp uitmaakt, niet moet worden beantwoord.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
18. Verzoeker voert de schending aan van het onpartijdigheidsbe-
ginsel, “gezien, zoals onder het tweede middel werd uiteengezet”, de verwerende partij de bestreden beslissing mede grondt op de beweerde “niet aflatende stroom van procedures tegen de stad Antwerpen”. Volgens verzoeker wordt de voorlopige schorsing verlengd mede omdat hij procedures instelt tegen de stad Antwerpen. De belangen van de stad Antwerpen die zowel rechter als partij is, zijn te dezen ver-
tegenwoordigd door de burgemeester. Verzoeker schetst voorts de grenzen van het onpartijdigheidsbeginsel doch hij ziet niet in welke delegatie van bevoegdheden de partijdigheid zou hebben doen ophouden. Te dezen staat volgens verzoeker evenwel vast “dat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid wel degelijk mogelijk is, met name wanneer de [verwerende partij] zich zou hebben onthouden de pro-
cedures tegen de stad Antwerpen als tuchtfeit in te roepen opzichtens verweerder”.
Een andere manier om tegemoet te komen aan de eis van onpartijdigheid had er kunnen in bestaan het onderzoek in het kader van de verlenging van de schorsing toe te vertrouwen aan een externe instantie. Verzoeker wijst te dezen op de mo-
gelijkheid om dit toe te vertrouwen aan de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, waarbij hij verwijst naar artikel 27 van de wet van 13 mei 1999.
XIV-36595-27/32
Beoordeling
19. Uit het middel blijkt dat verzoeker de functionele of structurele onpartijdigheid van de burgemeester aanvoert.
In dit verband moet erop worden gewezen dat het onpartijdig-
heidsbeginsel slechts van toepassing is op organen van actief bestuur zoals de burgemeester, indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, in-
zonderheid de eigen structuur van het bestuur. Zo mag de toepassing van het on-
partijdigheidsbeginsel er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige be-
slissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken.
Om de schending van de structurele onpartijdigheid van een bestuursorgaan aannemelijk te maken, volstaat voorts geen louter subjectieve indruk van partijdigheid, maar moet die schending objectief gerechtvaardigd kunnen worden, rekening houdend met de concrete, feitelijke elementen van de zaak. Daartoe moet verzoeker bijkomende en specifieke objectieve gegevens aanbrengen.
20. De Raad van State stelt vast dat uit het hiervoor reeds aange-
haalde artikel 61, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 blijkt dat enkel de bur-
gemeester in een eengemeentezone zoals de stad Antwerpen, bevoegd is de voorlopige schorsing te verlengen.
De burgemeester moet zich aan die wettelijke opdracht houden.
Los van het feit dat uit de behandeling van het tweede middel is gebleken dat verzoeker op het eerste gezicht, het element, namelijk dit van de “niet aflatende stroom van procedures”, uit zijn volledige context haalt, komt het beschouwen als een schending van het onpartijdigheidsbeginsel, van het enkele feit dat de be-
voegde overheid te dezen ook nog de hoedanigheid van orgaan van de bestuurlijke overheid – de stad Antwerpen – heeft en in die hoedanigheid ook de belangen van
XIV-36595-28/32
de stad Antwerpen vertegenwoordigt, er bijgevolg op neer dat de uitoefening van de in artikel 61, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 bepaalde bevoegdheid onmogelijk wordt. Een dergelijke conclusie zou aldus op het eerste gezicht on-
verenigbaar zijn met de eigen aard en de eigen structuur van het bestuur zoals die is bepaald door de wet van 13 mei 1999.
De verwijzing door verzoeker als alternatief om de schending van het onpartijdigheidsbeginsel te vermijden, naar de volgens hem bestaande mogelijkheid om op grond van artikel 27 van de wet van 13 mei 1999, het on-
derzoek toe te vertrouwen aan de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, leidt op het eerste gezicht niet tot een ander besluit. Los van de vraag of te dezen deze bepaling mag worden toegepast in het raam van een procedure tot verlenging van een voorlopige schorsing, betreft dit enkel een mo-
gelijke delegatie van de bevoegdheid tot het voeren van een onderzoek en niet van de bevoegdheid om een beslissing te nemen over een verlenging van een voorlo-
pige schorsing. Het andere alternatief dat verzoeker aanhaalt, remedieert evenmin daar dit nog steeds zou inhouden dat de bevoegde overheid bij de beoordeling van de verlenging van een voorlopige schorsing, niet het gegeven zou mogen betrekken dat verzoeker oneigenlijk gebruik maakt van zijn recht procedures te voeren tegen de publieke rechtspersoon waarvan de in artikel 61, tweede lid, van de wet van 13
mei 1999 bepaalde overheid, orgaan is.
21. Het middel is niet ernstig.
XIV-36595-29/32
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
22. Verzoeker voert in het middel machtsafwending aan, hetgeen hij omstandig uiteenzet en detailleert. Samengevat voert verzoeker aan dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat niet de vrijwaring van het dienstbelang wordt nagestreefd, doch wel het verhinderen dat verzoeker zijn rechtsherstel benaarstigt, minstens door hem in zijn financiële middelen te treffen.
Het doel van de bestreden beslissing ligt “in het monddood maken van [verzoeker], ook ten aanzien van de stad Antwerpen, die aldus te dezen zowel rechter als partij is en door de schorsing wenst te verhinderen dat verzoeker nog initiatieven tegen haar onderneemt”.
Beoordeling
23. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ern-
stige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest.
24. Uit de behandeling van de vorige middelen blijkt dat de verwe-
rende partij bij het nemen van de bestreden beslissing op het eerste gezicht min-
stens ook het belang van de dienst voor ogen had. Verzoeker lijkt dan ook niet aan te tonen dat de verwerende partij de bestreden beslissing enkel met een ongeoor-
loofd oogmerk zou hebben genomen, zodat op het eerste gezicht geen sprake kan zijn van machtsafwending.
25. Het middel is niet ernstig.
XIV-36595-30/32
VI. Conclusie
26. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VII. Kosten
27. Verzoeker vraagt dat de verwerende partij zou worden veroor-
deeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De verwerende partij vraagt van haar kant dat verzoeker zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, eveneens door haar begroot op 700 euro.
28. Er is grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoör-
dineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ aan de verwerende partij een rechts-
plegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de verwerping van de vordering tot schorsing als in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 augustus 2015, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
XIV-36595-31/32
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Debersaques
XIV-36595-32/32
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.045